ECLI:NL:RBZWB:2026:2523

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
26/919
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen spitssluiting in Prinsenbeek

Deze uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het verkeersbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda, waarin een spitssluiting is ingesteld in Prinsenbeek. Het college had het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker geen belanghebbende zou zijn.

Verzoeker stelde dat de wegafsluiting leidt tot extra reistijd en financiële schade door hogere benzinekosten, en dat hij daardoor een spoedeisend belang had. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat bij een financieel geschil zoals dit geen sprake is van spoedeisend belang, omdat de schade achteraf vergoed kan worden en er geen acute financiële nood of onomkeerbare situatie is.

Ook het argument van onzekere reistijd werd niet als spoedeisend belang erkend. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de spitssluiting in Prinsenbeek wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/919

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening naar aanleiding van het verkeersbesluit van het college van 28 november 2025 over een geslotenverklaring (ook wel aangeduid als spitssluiting) in Prinsenbeek (gemeente Breda).
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het college heeft met het besluit van 28 november 2025 een geslotenverklaring ingesteld voor motorvoertuigen, uitgezonderd lijnbussen, taxi's, landbouwvoertuigen en ontheffinghouders, van maandag tot en met vrijdag tussen 07.00u en 09.00u op de Leursebaan, Strijpenseweg, Halseweg en Markweg in Prinsenbeek. Met het bestreden besluit van 11 februari 2026, heeft het college het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard omdat het college verzoeker geen belanghebbende vindt. Verzoeker woont namelijk niet binnen 300 meter van een van de vier wegafsluitingen en hij woont niet aan een weg waar een toename van verkeersintensiteit wordt verwacht op grond van de rapportage van [adviesbureau] van 24 november 2025.
3. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en hij heeft ook om een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter beslist in deze uitspraak alleen op het verzoek en niet op het beroep.
4. Verzoeker voert aan dat sprake is van een spoedeisende situatie omdat hij voor zijn werk iedere dag moet rijden door het inmiddels afgesloten gebied. Door de wegafsluiting moet hij omrijden en dat leidt gemiddeld tot vijftien minuten extra reistijd per dag omdat hij nu over de A16 moet rijden en in de file staat. De extra reistijd leidt door de hogere benzineprijzen tot financiële schade van in ieder geval € 159,- per jaar. Dat is nog zonder het meerekenen van het extra benzineverbruik. Door de onzekere reistijd loopt verzoeker ten slotte een hoger risico op te laat komen op zijn werk.
5. Naar oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk, als daartoe aanleiding bestaat, na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
6. Uit de toelichting van verzoeker over het spoedeisend belang, begrijpt de voorzieningenrechter dat het verzoeker uitsluitend gaat om schade die hij stelt te lijden als gevolg van het bestreden besluit. Daargelaten dat verzoeker niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij tot het door hem gestelde schadebedrag is gekomen, heeft verzoeker niet met stukken onderbouwd dat hij in acute financiële nood verkeert of zal komen te verkeren en dat hij de hogere benzinekosten van € 159,- (over het gehele jaar) niet kan betalen in de periode totdat op zijn beroep is beslist. Mocht verzoeker in beroep in het gelijk worden gesteld, dan kan hij een verzoek om schadevergoeding doen. Ten slotte ziet de voorzieningenrechter ook geen spoedeisend belang in de door verzoeker gestelde onzekere reistijd.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 2 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.