Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
JEUGDBESCHERMING BRABANT, LOCATIE ETTEN-LEUR, gevestigd te Etten-Leur,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De gecertificeerde instelling (GI) heeft op 22 januari 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder met betrekking tot de verzorging en opvoeding van haar minderjarige kind. Vervolgens is de minderjarige op 2 februari 2026 onder voogdij gesteld van de GI en verblijft het kind in een gesloten plaatsing.
De moeder verzoekt de rechtbank om de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zij stelt dat de schriftelijke aanwijzing is genomen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder meer omdat zij geen redelijke termijn kreeg voor het indienen van een zienswijze en de motivering ondeugdelijk is.
De kinderrechter overweegt dat de GI op grond van artikel 1:263 BW Pro schriftelijke aanwijzingen kan geven aan een ouder met gezag die niet meewerkt aan het plan. Echter, sinds 2 februari 2026 is het gezag van de moeder geschorst en heeft de GI de voorlopige voogdij. Hierdoor oefent de GI haar bevoegdheden niet meer uit op basis van een ondertoezichtstelling, en is de schriftelijke aanwijzing gericht tegen een ouder zonder gezag.
Daarom is aan de schriftelijke aanwijzing ieder belang komen te vervallen en is het verzoek van de moeder om deze aanwijzing vervallen te verklaren niet ontvankelijk. De kinderrechter wijst het verzoek af en verklaart dat tegen deze beschikking geen hoger beroep openstaat.
Uitkomst: Het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren wordt afgewezen wegens het ontbreken van belang.