Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2530

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/02/414187 FA RK 23-4473
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot gezamenlijk gezag over minderjarige kinderen ondanks communicatieproblemen ouders

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag te verkrijgen over zijn twee minderjarige kinderen. Aanvankelijk adviseerde de Raad voor de Kinderbescherming afwijzing vanwege verstoorde communicatie en het risico dat de kinderen klem zouden raken tussen de ouders.

Na diverse onderzoeken, adviezen en een hulpverleningstraject waarbij ouders apart afspraken maakten, zijn er positieve ontwikkelingen in de samenwerking en communicatie tussen de ouders geconstateerd. De ouders hebben samen belangrijke beslissingen genomen, zoals de schoolkeuze en omgangsafspraken.

De vrouw stond aanvankelijk sceptisch tegenover gezamenlijk gezag vanwege de spanningen en het gebrek aan medewerking van de vader aan hulpverlening. De GI en de Raad constateerden echter dat de communicatie verbeterde en dat de vader het gezag niet zou misbruiken.

De rechtbank concludeerde dat het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag hier van toepassing is, omdat geen onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem raken. De beschikking tot gezamenlijk gezag is uitvoerbaar bij voorraad en de GI krijgt de regie over verdere hulpverlening om de communicatie en draagkracht van de ouders te verbeteren.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag toe en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/414187 FA RK 23-4473
Datum uitspraak: 3 maart 2026
nadere beschikking betreffende gezag
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof, gevestigd te ’s-Heer Arendskerke,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. I.H.T.J. Antonise-Gieling, gevestigd te Goes,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013, hierna: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2020, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI.

1.Het verdere procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van 19 december 2023 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van mr. Maat van 16 januari 2024;
- de brief van mr. Anthonise-Gieling van 29 januari 2024;
- de negatieve terugmelding van het Uniform Hulpaanbod van 6 mei 2024;
- het onderzoek na screening UHA van de Raad van 19 juni 2024;
- het rapport van de Raad van 19 december 2024;
- de zitting op 3 februari 2025;
- het proces-verbaal van de zitting op 3 februari 2025;
- de brief van de GI van 8 september 2025;
- het advies van de Raad van 16 september 2025;
- de brief van mr. Anthonise-Gieling van 28 oktober 2025;
- het F9-formulier van mr. Maat van 26 november 2025;
- het e-mailbericht van de GI van 16 januari 2026, met bijlagen;
1.2
De zaak is nader mondeling behandeld op 29 januari 2026, gelijktijdig met het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , bij de rechtbank bekend onder zaak- en rekestnummer C/02/443568 / JE RK 25-2334. In die zaak is bij separate beschikking beslist. Bij de zitting waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3
[minderjarige 1] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van de verzoeken vindt. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft een gesprek gehad met de rechter.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij beschikking van 19 december 2023 heeft de rechtbank de beslissing op het verzoek van de man omtrent het gezamenlijk gezag aangehouden en partijen verwezen naar een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod. De Raad is voorwaardelijk verzocht onderzoek te doen naar de vraag of er, bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk, een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zal komen of dat het anderszins in het belang van de minderjarigen te achten is om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen.
2.2.
Uit het rapport van de Raad van 19 juni 2024 blijkt dat de Raad adviseert het verzoek van de man omtrent het gezag af te wijzen. De Raad verwacht bij toewijzing van het gezag aan de ouders gezamenlijk een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders nu er sprake is van een verstoorde communicatie tussen de ouders en beslissingen ten aanzien van de minderjarigen niet in gezamenlijkheid kunnen worden genomen.
2.3.
Op de zitting op 3 februari 2025 is de beslissing op het verzoek aangehouden tot 12 augustus 2025 in afwachting van de verdere ontwikkelingen en de resultaten binnen de ondertoezichtstelling. Bezien moest worden of het partijen gaat lukken om binnen het kader van de ondertoezichtstelling meer tot elkaar te komen en of zij in staat geraken om adequaat met elkaar te communiceren over de kinderen.
2.4.
Uit de brief van de GI van 8 september 2025 blijkt dat er na 8 augustus 2025 een nieuwe ontwikkeling heeft plaatsgevonden. De GI is met vader en de hulpaanbieder ( [hulpaanbieder] ) nader in gesprek gegaan om te bezien of er een andere vorm van hulpverlening mogelijk is waarbij ouders niet met elkaar in gesprek gaan, maar wel tot afspraken kunnen komen in het belang van de kinderen. [hulpaanbieder] kan dit gaan bieden in de vorm van parallel solo ouderschap. Naar verwachting kunnen zij starten binnen nu en zes weken. Ouders gaan apart van elkaar bemiddelingsgesprekken voeren om zoveel mogelijk vaste afspraken te maken. Daarnaast krijgen beide ouders een hulpverlener die ze helpt om de afspraken in de praktijk te brengen en ouders leren hoe zij de kinderen uit de strijd kunnen houden. Ook bevat het traject een vertrouwenspersoon voor beide kinderen zodat zij hun verhaal kwijt kunnen en hun stem wordt meegenomen in het maken van de afspraken. Beide ouders hebben toegezegd dat ze gaan meewerken aan bovenstaande vorm van hulpverlening.
2.5.
Uit het advies van de Raad van 16 september 2025 blijkt dat de Raad bij zijn advies blijft om het verzoek van de man af te wijzen.
2.6.
Uit de brief van mr. Anthonise-Gieling van 8 oktober 2025 blijkt dat de vrouw instemt met de adviezen vanuit de GI en de Raad dat zij met het eenhoofdig gezag over de kinderen moet blijven belast. De communicatie met de vader stagneert structureel. Zo heeft hij ook geen medewerking verleent aan een bemiddelingstraject via [hulpaanbieder] .
2.7.
Bij e-mailbericht van 16 januari 2026 heeft de GI de rechtbank bericht dat de hulpverlening binnen de lopende ondertoezichtstelling onvoldoende van de grond is gekomen. Er was voorzien in een hulpverleningstraject bij [hulpaanbieder] , gericht op ouderschapsbemiddelïng, met daarnaast individuele hulpverlening voor de kinderen. Dit traject is echter niet gestart, omdat de man niet bij de intake is verschenen. Er was sprake van miscommunicatie tussen de hulpverlening, de GI en de man. Inmiddels is er vervangende hulpverlening geregeld die naar verwachting zal starten binnen drie weken.
Ondanks het uitblijven van de hulpverlening de afgelopen periode zijn er ook positieve ontwikkelingen waargenomen in de samenwerking tussen ouders. Zo zijn ouders gezamenlijk tot overeenstemming gekomen over de schoolkeuze voor [minderjarige 1] . Daarnaast hebben zij zelfstandig praktische afspraken gemaakt over de omgang, bijvoorbeeld bij het ruilen van weekenden en wanneer de kinderen in vakanties langer bij de man wilden verblijven. Daaruit maakt de GI op dat ouders samen beslissingen kunnen nemen zodra dit hoogst noodzakelijk is. De Gl heeft het afgelopen jaar gezien dat vader correct communiceert richting moeder en handelt vanuit wat hij meent dat in het belang van de kinderen is. De kinderen voelen zich prettig bij hun vader en geven aan graag bij hem te zijn. De GI ziet een liefdevolle vader die in staat is om het belang van zijn kinderen voorop te stellen. De GI ziet geen signalen of risico’s waaruit zou blijken dat vader zijn gezag zou misbruiken indien hem gezamenlijk gezag wordt toegekend. De GI blijft van mening dat hulpverlening noodzakelijk is om de samenwerking en communicatie tussen ouders verder te verbeteren, ongeacht of de man wel of geen gezamenlijk gezag verkrijgt. Tegelijkertijd is de GI van oordeel dat, ondanks dat verdere verbetering wenselijk is, de huidige communicatie tussen ouders niet zodanig problematisch is dat dit gezamenlijk gezag niet mogelijk maakt.
2.8.
Tijdens de zitting is door en namens de man nog aangevoerd dat hij graag een betrokken vader voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wil zijn. Hij heeft zorgen over [minderjarige 1] en over de manier waarop zij zich de scheiding tussen haar ouders aantrekt. De man vindt het nodig dat er hulpverlening voor [minderjarige 1] in wordt gezet. De man is bereid om samen met de vrouw met behulp van hulpverlening aan tafel te zitten om afspraken voor de invulling van het gezamenlijk gezag te maken. De ouders zijn ook bereid om met elkaar te overleggen want dat hebben zij de afgelopen periode ook gedaan. Het klopt dat de verhouding tussen de ouders niet altijd goed is maar toch hebben zij wel een manier gevonden om met elkaar te communiceren. Er is geen reden om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag.
2.9.
Tijdens de zitting is door en namens de vrouw aangevoerd dat het gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is omdat de communicatie tussen de ouders niet goed is. De man heeft niet meegewerkt aan het opstarten van een hulpverleningstraject ter verbetering van de communicatie. De vrouw verwacht ook niet dat dit gaat verbeteren. Er is wel degelijk sprake van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken als de ouders gezamenlijk met het gezag over hen worden belast. De vrouw ervaart veel spanning als zij met de man moet gaan overleggen over beslissingen rondom de kinderen. De vrouw ervaart veel spanning en stress rondom de ondertoezichtstelling en als de man daarnaast ook nog met het gezag over de kinderen wordt belast raakt haar emmer echt vol. De vrouw verzoekt de beslissing op het verzoek van de man dan ook aan te houden. De vrouw is wel bereid om haar medewerking te verlenen aan een hulpverleningstraject.
2.10.
De GI voert tijdens de zitting aan dat het de ouders de afgelopen periode is gelukt om samen beslissingen ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te maken. Zo hebben zij samen een schoolkeuze voor [minderjarige 1] gemaakt en onderling een omgangsweekend geruild. De GI ziet geen reden om de ouders niet gezamenlijk met het gezag over de kinderen te belasten. De man communiceert met de vrouw, en andersom, over belangrijke dingen aangaande [minderjarige 1] . Het klopt dat [hulpaanbieder] met een traject van Parallel Solo Ouderschap zou gaan starten maar dat is door een ongelukkige samenloop van omstandigheden niet van de grond gekomen. Die hulpverlening wordt alsnog ingezet waarbij zal worden ingezet op verbetering van de oudercommunicatie en van de draagkracht van de vrouw.
2.11.
De Raad verklaart tijdens de zitting dat er zich na het eerdere advies van 16 september 2025 positieve ontwikkelingen hebben voorgedaan. Gelet daarop ziet de Raad geen reden om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag. De Raad adviseert dan ook het verzoek van de man toe te wijzen. De Raad vindt het wel belangrijk dat de ouders door middel van hulpverlening gaan werken aan het verbeteren van hun communicatie en verstandhouding zodat de ouders leren beter met elkaar te communiceren, zonder spanning.
De inhoudelijke beoordeling
Wettelijk kader
2.12.
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn of haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.13.
De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank zal het verzoek van de man om mede met het gezag te worden belast toewijzen. Gebleken is dat het de ouders de afgelopen periode gelukt is om in overleg beslissingen te nemen en afspraken te maken over de kinderen. Partijen hebben dus een modus gevonden op basis waarvan zij onderling contact hebben met elkaar en er vindt tussen hen enige vorm van communicatie plaats op basis waarvan zij met elkaar kunnen overleggen. Zo hebben zij samen een schoolkeuze voor [minderjarige 1] gemaakt en hebben zij in onderling overleg een omgangsweekend geruild. Gelet hierop heeft de rechtbank er vertrouwen in dat de ouders ook gezamenlijk invulling kunnen geven aan het gezag. Het uitgangspunt in de wet is dat in beginsel beide ouders gezamenlijk het gezag over hun minderjarig kind uitoefenen. De rechtbank is van oordeel dat dit wettelijk uitgangspunt ook hier het uitgangspunt moet zijn nu er, gelet op het hiervoor overwogene, geen sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem of verloren dreigen te raken tussen partijen als ouders. De rechtbank vindt het wel belangrijk dat ouders gaan werken aan het verbeteren van hun oudercommunicatie. Beide ouders hebben tijdens de zitting ook aangegeven daar bereid toe te zijn. De rechtbank verwacht van de GI dat zij daarin de regie voert. Ook moet de GI oog hebben voor de noodzaak van het inzetten van hulpverlening voor het vergroten van de draagkracht van de vrouw en voor de inzet van hulpverlening voor [minderjarige 1] .
Uitvoerbaar bij voorraad
2.14.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat deze beslissing moet worden gevolgd ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
3.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, en, in tegenwoordigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.