Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2531

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/02/442070 / FA RK 25-5949
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:253a BWArt. 1:377a lid 3 BWArt. 1:377e BWArt. 1:377g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming bijzondere curator voor minderjarige in omgangsgeschil met vader

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 3 maart 2026 een beschikking gegeven over de benoeming van een bijzondere curator voor een minderjarige die via de informele rechtsingang haar wens kenbaar maakte om minder vaak naar haar vader te gaan.

Hoewel de minderjarige nog geen twaalf jaar is, heeft de kinderrechter vastgesteld dat zij voldoende in staat is haar belangen te waarderen. Op grond van artikel 1:250 BW Pro is een bijzondere curator benoemd om de belangen van de minderjarige te behartigen, gezien de belangenstrijd tussen de minderjarige en haar vader.

De bijzondere curator, mr. F.J.I. van den Branden, zal onderzoeken wat de wensen en behoeften van de minderjarige zijn en trachten een minnelijke regeling te bereiken. Indien dit niet lukt, kan zij de minderjarige in rechte vertegenwoordigen en een advies aan de rechtbank uitbrengen. De rechtbank verzoekt de bijzondere curator uiterlijk 14 april 2026 schriftelijk verslag uit te brengen.

Uitkomst: De rechtbank benoemt een bijzondere curator om de belangen van de minderjarige te behartigen in het omgangsgeschil met haar vader.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/442070 / FA RK 25-5949
datum uitspraak: 3 maart 2026
beschikking over de benoeming van een bijzondere curator ex artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van
[minderjarige],
hierna te noemen: [minderjarige] ,
geboren in [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2017,
wonende in [plaats 1] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. M.C. Kedis in Baarn.
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zit het volgende stuk:
- de brief van [minderjarige] van 11 november 2025.
1.2
De kinderrechter heeft op 29 januari 2026 gesproken met [minderjarige] .

2.De feiten

2.1
Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.
2.2
[minderjarige] woont bij haar moeder.

3.De brief van [minderjarige] en het gesprek met [minderjarige]

3.1
[minderjarige] heeft in het kader van de informele rechtsingang in haar brief geschreven en in het gesprek met de kinderrechter onder meer verteld dat ze minder vaak naar haar vader wil gaan.
4. De beoordeling
Wettelijk kader
4.1
[minderjarige] heeft de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, zoals bijvoorbeeld met een brief, e-mailbericht of telefoontje, kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen. Hetzelfde geldt als een kind de leeftijd van twaalf nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn/haar belangen. Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. Een kind kan alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald. Dat betekent dat de kinderrechter over een beperkt aantal onderwerpen een beslissing kan nemen.
4.2
Hoewel [minderjarige] nog geen twaalf jaar is, heeft de kinderrechter in het gesprek met haar geconstateerd dat zij duidelijk en consequent kan aangeven wat zij graag wil en wat zij vindt dat goed voor haar is. Zij heeft laten weten dat zij minder omgang met haar vader wenst. [minderjarige] heeft deze wens in het gesprek met de kinderrechter nader kunnen motiveren. De kinderrechter zal daarom [minderjarige] ontvangen in haar vraag.
4.3
Op de vraag van [minderjarige] is allereerst artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Dit artikel gaat over de gezamenlijke uitoefening van het gezag door de ouders, waaronder onder meer de toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) alsook, met overeenkomstige toepassing van artikel 1: 377a lid 3 BW, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
4.4
Op grond van artikel 1:253a BW lid 4 zijn de artikelen 1:377e en 1:377g BW van overeenkomstige toepassing.
4.5
Artikel 1:377g BW bepaalt dat de rechter, indien /hem blijkt dat een minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing over een zorgregeling kan wijzigen op de voet van artikel 1:377e BW. Dit laatste artikel bepaalt dat de rechtbank een beslissing inzake de zorgregeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Benoeming bijzonder curator
4.6
Op grond van artikel 1:250 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) benoemt een kinderrechter ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige in als buiten rechte te vertegenwoordigen, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht en het diens verzorging en opvoeding of vermogen betreft of er sprake is van strijd tussen de belangen van de minderjarige en de gezaghebbende ouder(s).
4.7
Gelet op de brief van [minderjarige] en hetgeen zij de kinderrechter verteld heeft, is gebleken dat zich een belangenstrijd voordoet in de zin van artikel 1:250 BW Pro, welke zich toespitst op de omgang tussen [minderjarige] en haar vader.
4.6
De rechtbank acht het – ambtshalve en zonder voorafgaand verhoor van de ouders hierover – in het belang van [minderjarige] dat een bijzondere curator haar belangen in en buiten rechte gaat behartigen.
4.7
De rechtbank heeft mevrouw mr. F.J.I. van den Branden, advocaat, kantoorhoudende te Terneuzen, bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zij zal hiertoe worden benoemd. De rechtbank heeft hierover contact opgenomen met mevrouw mr. F.J.I. van den Branden, die aangaf de opdracht te aanvaarden.
4.8
De bijzondere curator dient te onderzoeken wat de wensen en behoeften van [minderjarige] ten aanzien van het contact met haar vader zijn.
4.9
Tevens dient de bijzondere curator te onderzoeken of een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort. Indien de bijzondere curator niet buiten rechte een oplossing weet te bereiken, kan zij [minderjarige] in rechte vertegenwoordigen en met betrekking tot het verzoek van [minderjarige] een advies aan de rechtbank uitbrengen in de vorm van een verslag van bevindingen. Desgewenst kan de bijzondere curator als vertegenwoordiger van [minderjarige] een zelfstandig verzoek indienen.
4.1
De bijzondere curator wordt verzocht gesprekken te voeren met [minderjarige] . Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met overige betrokken personen die informatie over de situatie van [minderjarige] kunnen verschaffen, in overleg met [minderjarige] .
4.11
Voorts verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek in acht te nemen. Daarnaast verzoekt de rechtbank de bijzondere curator uiterlijk
14 april 2026of zo veel eerder als mogelijk schriftelijk te rapporteren aan de rechtbank met inachtneming hetgeen hierboven in rechtsoverweging 4.8 en 4.9 is overwogen.
4.12
Het voorgaande brengt mee dat als volgt wordt beslist.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
benoemt met ingang van heden tot bijzondere curator over de hiervoor genoemde minderjarige [minderjarige] :
mr. F.J.I. van den Branden, kantoorhoudende te (4537 AA) Terneuzen aan de Axelsestraat 1;
5.2
verzoekt de bijzondere curator om op uiterlijk
14 april 2026 PRO FORMAschriftelijk verslag te doen van haar bevindingen;
5.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 door mr. De Beer, rechter, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.