Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2532

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/02/443112 / JE RK 25-2257
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:262b BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek geschillenregeling ondertoezichtstelling inzake zorgregeling en hulpverlening

De moeder heeft een geschil voorgelegd over de uitvoering van de ondertoezichtstelling van haar twee minderjarige kinderen, met name over de zorgregeling en de inzet van hulpverlening. Zij verzocht onder meer dat de grootouders van de vader niet bij de omgangsmomenten aanwezig zouden zijn en dat de kinderen en ouders snel worden aangemeld bij een specifieke psychologenpraktijk.

De rechtbank constateerde dat de moeder en de gecertificeerde instelling (GI) het eens zijn over de inzet van hulpverlening, waarbij de voorgestelde psychologenpraktijk niet mogelijk bleek vanwege financiering, maar een alternatief is ingezet. Over het geschilpunt over de aanwezigheid van de grootouders bij de contactmomenten is onvoldoende gebleken dat de zorgregeling wordt geschonden.

De rechtbank benadrukte het belang van het kind en constateerde dat de kinderen emotioneel klem zitten door de situatie, waarbij de moeder onvoldoende emotionele toestemming geeft voor overnachtingen bij de vader. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder af wegens het ontbreken van voldoende aanleiding en belang om op de geschilpunten te beslissen en doet een dringend beroep op partijen om samen te werken in het belang van de kinderen.

Uitkomst: Het verzoek van de moeder tot aanpassing van de zorgregeling en hulpverlening wordt afgewezen wegens gebrek aan aanleiding en belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/443112 / JE RK 25-2257
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter op basis van de geschillenregeling
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. N.A.H. Limbourg uit Breda,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] (Groot-Brittannië), hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats] (Groot-Brittannië), hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Eindhoven,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] (Groot-Brittannië),
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer uit Tilburg.

1.Het aangehouden verzoek

1.1.
De moeder heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Zij heeft, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzocht te bepalen dat:
I. (
Geschilpunt t.a.v. de uitvoering van de zorgregeling)
de GI de afspraken die tussen partijen zijn gemaakt handhaaft in die zin dat de ouders van de vader niet bij de omgangsmomenten met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanwezig zijn;
II. (
Geschilpunt t.a.v. de inzet van hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en ouders)
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen veertien dagen worden aangemeld bij [psychologenpraktijk] , of een soortgelijke zorgaanbieder voor hulp voor deze kinderen en voor het voeren van intensieve oudergesprekken (middels een systemische aanpak en waarbij de ouders tenminste de eerste vier oudergesprekken fysiek aanwezig zijn), althans bij een geschikte hulpverlener/psycholoog die de rechtbank wenselijk acht.
1.2.
Bij tussenbeschikking van 10 februari 2026 is de behandeling van het verzoek aangehouden omdat de GI niet aanwezig was bij de mondelinge behandeling.

2.Het (verdere) verloop van de procedure

2.1.
Op 3 maart 2026 is de mondelinge behandeling van het verzoek met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster en een juriste namens de GI;
  • de vader (
2.2.
In voornoemde beschikking van 10 februari 2026 is bepaald dat op grond van de stukken is vastgesteld dat de GI voor die zitting behoorlijk is opgeroepen. De kinderrechter constateert dat nadien is gebleken dat de oproep weliswaar zichtbaar is in het systeem van de rechtbank, maar niet uitgesloten is dat de oproepbrief de GI om technische redenen niet althans niet tijdig heeft bereikt. Anders dan de vorige beschikking wellicht doet voorkomen, kan het zijn dat de GI – zoals zij stelt – niet op de hoogte is geweest van deze zitting.
2.3.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de tussenbeschikking van 10 februari 2026 en alle daarin vermelde stukken;
  • het verweerschrift van de GI met producties, ontvangen op 11 februari 2026;
  • de brief van de GI van 23 februari 2026, ontvangen op 25 februari 2026;
  • de tijdens de zitting overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen van de GI.

3.De feiten

3.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest.
3.2.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3.3.
De moeder woont in Nederland. De vader woont in Groot-Brittannië.
3.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.
3.5.
Bij beschikking van 8 juli 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 juli 2025 tot 8 juli 2026.
3.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 15 juli 2025 is een zorgregeling bepaald tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] eenmaal per maand contact hebben met de vader van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur. Dit contactmoment vindt plaats in Nederland. Deze zorgregeling zal gemonitord, geëvalueerd en eventueel uitgebreid worden door de GI.

4.De (nadere) standpunten

De moeder
4.1.
Door en namens de moeder is aangegeven dat door de GI voorafgaand aan het indienen van het verzoek onvoldoende concrete stappen zijn gezet gericht op het komen tot een verbetering van de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat de GI onvoldoende heeft ondernomen om de doelen van de ondertoezichtstelling te bereiken. De nalatigheid van de GI en het ontbreken van hulpverlening hebben ertoe geleid dat de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verergerd en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verder klem zijn geraakt tussen de ouders. Dit baart de moeder ernstig zorgen. Het is de (voormalig kantoorgenoot van de) advocaat voor aanvang van de onderhavige procedure niet gelukt om de jeugdbeschermer hierover te bereiken. Inmiddels is de inzet van hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de ouders niet langer een punt van geschil tussen de moeder en de GI. De moeder begrijp dat de inzet van [psychologenpraktijk] niet mogelijk is, gelet op de ontbrekende financiering, en staat achter de inzet van [hulpverlening 1] . Wel volhardt de moeder in haar standpunt dat het op de weg van de GI ligt om de afspraken over de zorgregeling te handhaven en de vader desnoods te dwingen tot nakoming daarvan. De moeder hoort van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug dat de grootouders (vaderszijde) steeds aanwezig zijn bij de contactmomenten. Zij ervaren daarvan veel druk en het doet af aan het één-op-één contact dat zij met de vader zouden moeten hebben. De moeder ervaart dat er niet of nauwelijks wordt geluisterd naar haar zorgen. Zij wil daarbij de bevestiging vanuit de GI dat zij op dit punt regie zullen voeren. De moeder erkent dat de verantwoordelijkheid voor het stimuleren van het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader ook bij haar is gelegen, maar dit is moeilijk voor haar omdat de kinderen aangeven niet bij de vader te willen overnachten.
De GI
4.2.
Volgens de GI heeft de moeder onvoldoende geprobeerd om met de GI te overleggen over de geschilpunten. Zowel voor als na kennisname van de geschillenprocedure heeft de GI pogingen ondernomen om met de moeder in gesprek te geraken en (tot slot) met haar te bemiddelen. Hier heeft de moeder geen gebruik van gemaakt. Los hiervan heeft de moeder onvoldoende belang bij haar verzoeken. De GI vindt met de ouders dat er zo snel mogelijk hulpverlening moet worden ingezet en zij heeft zich hier ook voor ingezet. Naast de aanmelding voor [hulpverlening 2] heeft de GI, naar aanleiding van het verzoek van de moeder, de inzet van [psychologenpraktijk] overwogen en passend bevonden, maar deze zorgaanbieder wordt niet gemeentelijk gefinancierd. De GI heeft vervolgens een alternatief voorgesteld, te weten [hulpverlening 1] . De ouders staan hier achter en zijn hiervoor aangemeld. Het is de belangrijk dat zowel [hulpverlening 2] als [hulpverlening 1] snel kunnen starten. Volgens de GI houden de grootouders (vaderszijde) zich aan de afspraken zoals vastgelegd in de beschikking van 15 juli 2025, door niet ook voortdurend aanwezig te zijn als de kinderen bij de vader zijn. De GI ziet overigens ook geen (veiligheids)risico’s voor het contact met de grootouders (vaderszijde) en dit contact is door de kinderrechter ook niet (volledig) uitgesloten. Het baart de GI momenteel veel zorgen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onvoldoende emotionele toestemming ervaren vanuit de moeder om bij de vader te mogen zijn en dat de logeermomenten daardoor geen doorgang vinden. Gesprekken door de GI met de kinderen bevestigen dat zij ernstig in de knel zitten. Door de keuze bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] neer te leggen wordt onduidelijkheid gecreëerd die niet in hun belang is, niet passend is bij hun leeftijd en het loyaliteitsconflict enkel vergroot.
De vader
4.3.
Door en namens de vader is toegelicht dat de vader bereid is om overal zijn medewerking aan te verlenen. De vader kan dan ook achter de voorgestelde hulpverleningstrajecten voor de ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan. De vader deelt de vermeende zorgen van de moeder over het contact tussen de vader en de kinderen niet: deze zijn nimmer onderbouwd, bewezen of door anderen waargenomen. Volgens de vader zorgt hij voor voldoende één-op-één tijd met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze contactmomenten verlopen ook fijn. Anders dan de moeder zich voorstelt, zijn de grootouders (vaderszijde) niet steeds ook aanwezig als hij met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. De vader erkent wel dat de grootouders (vaderszijde) de afgelopen bezoekmomenten meer aanwezig zijn geweest. Dit komt omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van de moeder niet langer bij de vader mogen logeren en hij – om die reden – geen alternatieve accommodatie voor de grootouders (vaderszijde) heeft gerealiseerd. Het is voor de vader belangrijk dat de logeermomenten op korte termijn weer doorgang zullen vinden, maar het ontbreekt aan emotionele toestemming door de moeder. De overdracht is al belastend omdat door de moeder wordt aangegeven dat het overnachten bij de vader niet door hoeft te gaan. De vader kiest er daarbij voor om geen discussie te voeren met de moeder in het bijzijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader hoopt dat de kinderen mogen ervaren dat zij bij hem mogen zijn en het fijn mogen hebben. Zodra de logeermomenten weer doorgang vinden, zal de vader twee aparte accommodaties huren.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter constateert dat de vader afkomstig is uit en woonachtig is in Groot-Brittannië. Dit brengt met zich dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
De Nederlandse kinderrechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen aangezien [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Juridisch kader
5.3.
In artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is opgenomen dat geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, aan de kinderrechter kunnen worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van, in dit geval de moeder, een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Zij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.
Gerechtvaardigd beroep op geschillenregeling?
5.4.
Voorop staat dat de geschillenregeling bedoeld is als vangnet, en dus als uiterste middel, voor geschillen die niet op een andere wijze kunnen worden beslecht, zoals door middel van een andere procedure of door middel van onderling overleg. Van partijen mag dan ook worden verwacht dat zij, voordat zij zich tot de kinderrechter wenden, eerst zelf inspanningen verrichten om tot een vergelijk te komen en dat deze inspanningen redelijk en aantoonbaar zijn. De kinderrechter stelt op grond van de stukken en de mondelinge toelichting vast dat in het midden ligt of de moeder voorafgaand aan het starten van de procedure voldoende heeft geprobeerd om met de GI tot een vergelijk te komen. Ondank de gestelde inspanningen door de (voormalig kantoor genoot van de) advocaat blijkt immers ook dat de GI aan de moeder, zelfs na kennisname van de geschillenprocedure, mogelijkheden is geboden om in gesprek te gaan over de zorgen en de ingezette hulpverlening. Pogingen elkaar te spreken hebben elkaar mogelijk gekruist en/of zijn om onduidelijke redenen niet aangegrepen. Wat hier ook van zij, zal de kinderrechter het geschil op gelijkluidend verzoek van partijen alsnog in volle omvang toetsen en daarbij eerst bemiddeling beproeven. Het belang van de kinderen, bij het doorbreken van de impasse, staat daarbij voorop.
I.
Geschilpunt t.a.v. de uitvoering van de zorgregeling
5.5.
Voor zover de kinderrechter het verzoek van de moeder begrijpt verwacht de moeder een actievere houding van de GI in het handhaven van de afspraken tussen de ouders die zien op de afwezigheid van de grootouders (vaderszijde) bij de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.6.
Vast staat dat de moeder, de vader en de GI niet van mening verschillen over het feit dat er contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet plaatsvinden. Daarnaast is voor alle partijen duidelijk wat de rechtbank hierover in de beschikkingen van 7 juli 2025 (ondertoezichtstelling) en 15 juli 2025 (echtscheidingsbeschikking) heeft overwogen en bepaald. Het uitgangspunt van de zorgregeling is dat er voldoende 1 op 1 contact tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Een bepaalde mate van contact tussen de grootouders (vaderszijde) en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is daarbij niet uitgesloten, en bovendien in het belang van de kinderen, als dit maar geen afbreuk doet aan de rol van de vader en het bevorderen van de band tussen hem en de kinderen. De ouders hebben dit na te leven en te steunen. Anders dan namens de moeder (enkel) is gesteld, is het de kinderrechter niet althans onvoldoende gebleken dat de zorgregeling op dit specifieke punt onvoldoende wordt nageleefd. Noch is gebleken waar de zorgen van de moeder dan concreet in zijn gelegen . Blijkens de toelichting van de vader en de informatie van de GI, is er voldoende één-op-één tijd tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.8.
De kinderrechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het de kinderen aan emotionele toestemming van de moeder ontbreekt. Hoewel dit buiten het geding is gelegen, is ter zitting nog gesproken over het feit [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ten gevolge hiervan, niet meer bij de vader overnachten. Door zorgen in te vullen en de keuze neer te leggen bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , komen zij echter nog verder klem te zitten. De situatie baart de kinderrechter veel zorgen. Zoals ter zitting besproken, verwacht de kinderrechter dat de moeder per omgaande uitvoering geeft aan de door de rechtbank vastgelegde zorgregeling, waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het weekend dat zij contact hebben met de vader ook bij de vader logeren. De vader heeft toegezegd weer zorg te zullen dragen voor twee verschillende accommodaties. Door de vader is bovendien toegezegd zorg te zullen (blijven) dragen voor voldoende één-op-één contact tussen hem en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inhoudende dat de grootouders (vaderszijde) niet de gehele dag bij de contactmomenten aanwezig zijn. Contact tussen de grootouders (vaderszijde) en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijft daarbij in de omgangsweekenden echter niet geheel uitgesloten. De GI is bereid om erop toe te zien dat dit het geval is en blijft.
5.9.
De kinderrechter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om op dit geschilpunt te beslissen en zal het verzoek van de moeder op dit onderdeel afwijzen.
II.
Geschilpunt t.a.v. de inzet van hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en ouders
5.10.
De kinderrechter stelt vast dat de GI, na kennis te hebben genomen van dit geschilpunt, alsnog de inzet van [psychologenpraktijk] heeft overwogen en daar vervolgens een aanmelding heeft gedaan. Voorafgaand aan de nadere mondelinge behandeling is echter gebleken dat de inzet van [psychologenpraktijk] niet wordt gefinancierd vanuit de gemeente. Een hulpverleningstraject bij deze zorgaanbieder behoort daardoor niet langer tot de mogelijkheden. Door de GI is daarom [hulpverlening 1] voorgesteld als alternatief. Zowel de moeder als de vader hebben voorafgaand aan de zitting met de GI besproken dat zij achter de hulpverlening van [hulpverlening 1] kunnen staan. De aanmelding bij deze zorgaanbieder is inmiddels ook in orde gemaakt door de GI. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt daarnaast nog steeds ingezet op hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn hiervoor al aangemeld en het is nu aan de moeder om alsnog
op zeer korte termijnhet initiatief te nemen ten behoeve van het inplannen van een intakegesprek.
5.11.
Nu zowel de GI als de ouders het eens zijn over de betrokken hulpverlening, stelt de kinderrechter vast dat hierover niet langer een geschil bestaat en dat de moeder geen belang meer heeft bij een beslissing op haar verzoek op dit punt. Zij zal het verzoek daarom, ook op dit onderdeel, afwijzen.
Ten overvloede
5.12.
Tot slot merkt de kinderrechter wellicht ten overvloede nog op dat partijen nodeloos in een procedure verzeild lijken te zijn geraakt. Dit is niet helpend in het verbeteren van de onderlinge strijd en evenmin in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter hoopt dan ook dat hierna een andere weg kan worden ingeslagen en dat het de ouders en de GI lukt om tot een gedegen samenwerking te komen. De kinderrechter doet een dringend beroep op de ouders om zich de komende periode in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te zullen inzetten voor de nu ingezette hulpverleningstrajecten en het nakomen van de zorgregeling om zo tot een verbetering van de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te komen.
Conclusie
5.13.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de moeder op beide geschilpunten afwijzen.
5.14.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. De Jong, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).