De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 3 maart 2026 een verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling met haar zoon, die kampt met ernstige hechtings- en gedragsproblemen. De Raad voor de Kinderbescherming had geadviseerd het verzoek af te wijzen vanwege het ontbreken van een positief hulpverleningstraject van de moeder en de kwetsbaarheid van het kind.
De rechtbank bevestigde dat de moeder niet in staat is gebleken het noodzakelijke hulpverleningstraject te doorlopen, waardoor geen zicht is op haar opvoedvaardigheden en betrouwbaarheid. Gezien de ernstige problematiek van het kind achtte de rechtbank omgang niet in zijn belang en wees het verzoek af. De rechtbank benadrukte dat het contact sensitief en stabiel moet zijn, wat momenteel niet haalbaar is.
Wel stelde de rechtbank een informatieregeling vast, waarbij de vader de moeder per kwartaal via e-mail informeert over belangrijke zaken rondom het kind, zoals gezondheid en schoolprestaties. Hierbij wordt rekening gehouden met de emotionele draagkracht van het kind en wordt overleg gevoerd met de hulpverlening over het delen van informatie en foto's. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.