Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2533

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/02/408184 / FA RK 23-1611
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgangsregeling en vaststelling informatieregeling voor kwetsbaar kind met hechtingsproblematiek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 3 maart 2026 een verzoek van de moeder tot vaststelling van een omgangsregeling met haar zoon, die kampt met ernstige hechtings- en gedragsproblemen. De Raad voor de Kinderbescherming had geadviseerd het verzoek af te wijzen vanwege het ontbreken van een positief hulpverleningstraject van de moeder en de kwetsbaarheid van het kind.

De rechtbank bevestigde dat de moeder niet in staat is gebleken het noodzakelijke hulpverleningstraject te doorlopen, waardoor geen zicht is op haar opvoedvaardigheden en betrouwbaarheid. Gezien de ernstige problematiek van het kind achtte de rechtbank omgang niet in zijn belang en wees het verzoek af. De rechtbank benadrukte dat het contact sensitief en stabiel moet zijn, wat momenteel niet haalbaar is.

Wel stelde de rechtbank een informatieregeling vast, waarbij de vader de moeder per kwartaal via e-mail informeert over belangrijke zaken rondom het kind, zoals gezondheid en schoolprestaties. Hierbij wordt rekening gehouden met de emotionele draagkracht van het kind en wordt overleg gevoerd met de hulpverlening over het delen van informatie en foto's. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.

Uitkomst: Verzoek tot omgangsregeling afgewezen; informatieregeling vastgesteld waarbij vader moeder per kwartaal informeert.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/408184 / FA RK 23-1611
datum uitspraak: 3 maart 2026
beschikking betreffende vaststelling omgangs- en informatieregeling
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. V. de Roo te Rotterdam,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.J. Nijssen te Goes.
Ouders van de thans nog minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2007;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2009;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2014.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verdere procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 3 oktober 2024 en de daarin genoemde stukken;
- het rapport van de Raad van 5 september 2025;
- de brief van mr. De Gruijl van 19 september 2025;
- de brief van mr. Nijssen van 23 september 2025.
1.2
De verzoeken zijn nader mondeling behandeld op 29 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.

2.De nadere beoordeling

2.1
De rechtbank verwijst naar de eerder in deze procedure gegeven beschikking van 3 oktober 2024. Hierin is door de rechtbank overwogen dat de rechtbank verwacht van beide ouders dat zij, zoals door beiden is toegezegd, hun medewerking zullen verlenen aan het stappenplan dat door de Raad in zijn rapport d.d. 22 mei 2024 is opgesteld. Kort samengevat houdt dit plan in:
Stap 1: De vrouw gaat een hulpverleningstraject aan, waarbij er zicht komt op de opvoedvaardigheden van de vrouw, wat er (eventueel) nodig is om te leren aansluiten bij de specifieke opvoedbehoeften van [minderjarige 3] en in hoeverre de vrouw hierin leerbaar is. Daarbij dient er tevens zicht te komen op de betrouwbaarheid van de vrouw, gezien de hechtingsproblemen van [minderjarige 3] , en haar samenwerkingshouding met de hulpverlening.
Stap 2: Als het hulpverleningstraject positief wordt afgesloten (eventueel met een uitloop waarin de vrouw aanvullende opvoedvaardigheden aanleert), dan worden alle betrokkenen hierover geïnformeerd. Mogelijk kunnen de man en diens partner een hernieuwd vertrouwen in de vrouw verkrijgen, waarmee hun emotionele toestemming tot stand kan komen en groeien. Mocht dit niet het geval zijn, dan moet [minderjarige 3] hier zo min mogelijk last van ondervinden en is het eventueel passend om hulpverlening in te zetten ter ondersteuning van [minderjarige 3] op dit punt.
Stap 3: Vervolgens kan [minderjarige 3] worden geïnformeerd over het verzoek van de vrouw. De omgeving van [minderjarige 3] dient gedurende twee maanden te observeren hoe hij deze boodschap verwerkt en welk effect dit heeft op zijn functioneren en ontwikkeling.
Stap 4: Het contact kan dan langzaam opgebouwd worden. Eerst via het sturen van kaartjes, telefonische en videobelgesprekken en waarbij [minderjarige 3] wordt ondersteund door zijn pleegouders en de vrouw door een professional. Zodra dit goed loopt, kunnen onder begeleiding van hulpverlening persoonlijke contactmomenten plaatsvinden.
2.2
In voornoemde beschikking heeft de rechtbank overwogen dat het noodzakelijk is dat het voornoemde stappenplan wordt gemonitord door een in te zetten casusregisseur, die daarbij de belangen van [minderjarige 3] kan behartigen, de benodigde hulpverlening inzet en samen met de ouders en pleegouders besluiten neemt vanuit het belang van [minderjarige 3] . Van partijen wordt verwacht dat zij met voornoemde hulpvraag zich zullen richten tot het zorgloket van de gemeente waarin de ouder met gezag woonachtig is, in dit geval die van de man. Ook is middels voornoemde beschikking de Raad verzocht om uiterlijk op 8 juli 2025 de rechtbank te voorzien van een update omtrent de stappen die zijn bereikt met daaraan gekoppeld een advies ten aanzien van de nog voorliggende verzoeken.
2.3
In afwachting van het verloop van voornoemd stappenplan heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken van de vrouw aangehouden tot 8 juli 2025 pro forma, in afwachting van het verloop van het in te zetten stappenplan en het bericht van de Raad en partijen over het verdere procesverloop.
De standpunten
2.4
Uit het aanvullend rapport van 5 september 2025 van de Raad blijkt dat uit het onderzoek dat de Raad heeft verricht naar voren komt dat het de vrouw niet gelukt is een hulpverleningstraject aan te gaan. De vrouw begrijpt onvoldoende waarom het traject voor haar en haar zoon van belang is. Ook ervaart de vrouw weinig motivatie om zich in te zetten voor het traject. Uit de informatie van de man, pleegouders en pleegzorg komt naar voren dat de kwetsbaarheden van [minderjarige 3] op de voorgrond blijven staan en dat het wisselend
met hem gaat. [minderjarige 3] is inmiddels aangemeld bij gespecialiseerde hulpverlening voor zijn hechtings- en traumaproblematiek. [minderjarige 3] is een jongen die reeds op jonge leeftijd ingrijpende levensgebeurtenissen heeft meegemaakt en op allerlei levensdomeinen kwetsbaarheden ervaart, wat een beperkte draagkracht en sterk verminderde veerkracht tot gevolg heeft.
De vrouw is een kwetsbare vrouw die in haar leven veel ingrijpende levensgebeurtenissen heeft doorgemaakt, waarbij haar draagkracht verminderd is. De vrouw heeft een intakeproces voor een hulpverleningstraject doorlopen, waarbij er bij haar onvoldoende emotieregulatie, moeizame samenwerking met hulpverlening en geringe motivatie is gezien. Dit betekent dat er een beperkt en negatief zicht is ontstaan op de opvoedvaardigheden van de vrouw en
haar vermogen om vaardigheden aan te leren om adequaat te kunnen aansluiten bij de specifieke opvoedbehoeften van [minderjarige 3] . Tevens is er een beperkt en negatief zicht ontstaan op de vraag in hoeverre de vrouw hierin leerbaar is en op de betrouwbaarheid van de vrouw (daar het voor [minderjarige 3] nodig is dat hij kan vertrouwen op zijn moeder, zeker gezien zijn hechtingsproblemen) alsmede op de samenwerkingshouding van de vrouw met hulpverlening. De Raad vindt een omgangsregeling niet haalbaar, nu de vrouw niet heeft laten zien datgene te kunnen bieden wat voor [minderjarige 3] essentieel is in een mogelijke omgangsregeling. Het lukt de vrouw onvoldoende het belang van [minderjarige 3] voorop te zetten en stabiliteit en continuïteit aan [minderjarige 3] te bieden. De Raad is van mening dat [minderjarige 3] niet overvraagd en/of overbelast mag worden met een omgangsregeling waarbij stabiliteit en continuïteit niet voorop staan en waarbij hij geconfronteerd wordt met onvoldoende emotie regulatie, onvoldoende betrouwbaarheid en sensitiviteit tot hetgeen wat hij al meemaakte in zijn jonge leven tot nu toe. Hierdoor kan zijn (kwetsbare) ontwikkeling verder beschadigd raken. De Raad adviseert het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een omgangsregeling af te wijzen. De Raad adviseert het verzoek tot het vaststellen van een informatieregeling toe te wijzen. Gedacht kan worden aan een regeling waarbij de man de vrouw maandelijks per e-mail een update geeft over [minderjarige 3] , alsmede dat hij elke maand een recente goed gelijkende kleurenfoto van [minderjarige 3] aan haar stuurt. Tijdens de zitting voert de Raad nog aan dat de Raad ziet dat de vrouw graag contact met [minderjarige 3] wil maar dat er bij haar sprake is van onmacht en geen onwil. [minderjarige 3] is een beschadigd kind met hechtingsproblematiek en forse gedragsproblematiek en als er dan wordt gedacht aan enige vorm van contact dan moet dat contact heel sensitief, voorzichtig en traumagevoelig zijn. De vrouw is niet in staat een dergelijk contact tot stand te brengen en ook de draagkracht van [minderjarige 3] is hiervoor te beperkt. Met betrekking tot de informatieregeling voert de Raad aan dat de hulpverlening die inmiddels voor [minderjarige 3] is gestart wellicht een rol kan spelen bij het uitvoeren van een informatieregeling. Misschien kan de betrokken hulpverlening beoordelen of het voor [minderjarige 3] passend is dat informatie wordt gedeeld.
2.5
In de brief van 19 september 2026 heeft mr. De Gruijl de rechtbank namens de vrouw bericht dat de vrouw zich niet kan vinden in het advies van de Raad. Het is niet juist dat de vrouw een beperkt inzicht heeft in de noodzaak van een hulpverleningstraject. De vrouw wil graag een kans krijgen om te laten zien dat ze openstaat voor hulpverlening en ze hoopt alsnog te komen tot een oplossing waarbij zij wel onderdeel kan uitmaken van het leven van [minderjarige 3] . Tijdens de zitting wordt nog door en namens de vrouw naar voren gebracht dat ze het gevoel heeft dat er niet naar haar geluisterd is door de Raad omdat ze wel degelijk met de hulpverlening in gesprek is gegaan maar dit niet in het raadsrapport is opgenomen. De vrouw vindt dat zij ten onrechte de kans niet heeft gekregen om te laten zien dat ze er alles aan wilt doen om [minderjarige 3] te kunnen zien. Zij zou graag alsnog het stappenplan uit de beschikking van 3 oktober 2024 willen doorlopen teneinde toe te werken naar een mogelijke omgangsregeling. De informatieregeling kan in ieder geval wel al worden vastgelegd.
2.6
In de brief van 23 september 2026 heeft mr. Nijssen de rechtbank namens de man bericht dat de man het eens is met het advies van de Raad om het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling af te wijzen. Contact tussen de vrouw en [minderjarige 3] is in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige 3] . De man wil ook dat het verzoek tot het vaststellen van een informatieregeling wordt afgewezen nu informatie verstrekken over [minderjarige 3] terwijl [minderjarige 3] geen contact met de vrouw wil in strijd met zijn zwaarwegende belangen is. Tijdens de zitting wordt nog door en namens de man aangevoerd dat de vrouw al meerdere keren de mogelijkheid heeft gekregen om te laten zien dat ze bereid is hulpverlening aan te gaan maar dat is gebleken dat dit niet is gelukt. De man vindt het niet in het belang van [minderjarige 3] om de vrouw nu weer een kans te geven het stappenplan te volgen. Omgang tussen de vrouw en [minderjarige 3] is niet in het belang van [minderjarige 3] en het verzoek van de vrouw tot omgang moet dan ook worden afgewezen. De man is het niet eens met het advies van de Raad ten aanzien van de informatieregeling. Een informatieregeling zal een negatieve weerslag op [minderjarige 3] hebben wat weer leidt tot een negatieve impact op het pleeggezin. [minderjarige 3] reageert heel heftig als hij iets hoort wat over zijn biologische moeder gaat en de man vreest dan ook dat [minderjarige 3] nog meer ontregelt als hij weet of merkt dat er informatie over hem met de vrouw wordt gedeeld, laat staan een foto. De man verzoekt dan ook het verzoek tot vaststelling van een informatieregeling af te wijzen.
De inhoudelijke beoordeling
Omgangsregeling
2.7
De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een omgangsregeling moet worden afgewezen. [minderjarige 3] is een kind met forse hechtings- en gedragsproblematiek. Contact met [minderjarige 3] zou sensitief, voorzichtig en traumagevoelig moeten zijn er en zal dan sprake moeten zijn van continuïteit en stabiliteit in het contact. De rechtbank acht de vrouw daartoe niet in staat en licht dat als volgt toe. In de beschikking van 3 oktober 2024 is het stappenplan opgenomen dat de Raad heeft opgesteld in diens rapport van 22 mei 2024. Door het volgen van dit stappenplan zou nauwgezet en met kleine stappen kunnen worden toegewerkt naar, onder begeleiding, contactmomenten tussen de vrouw en [minderjarige 3] , maar alleen indien het belang van [minderjarige 3] daarbij gebaat is en het geen negatief effect heeft op zijn functioneren en ontwikkeling. Gebleken is dat het de vrouw niet is gelukt om de eerste stap uit het stappenplan positief te zetten. Die stap hield in dat de vrouw een hulpverleningstraject zou aangaan waarbij er zicht zou komen op haar opvoedvaardigheden. Een dergelijk traject is niet opgestart. De vrouw en de procesregisseur van de gemeente verschillen van visie over de reden waarom het hulpverleningstraject niet is opgestart. Feit is wel dat er geen zicht is gekomen op de opvoedvaardigheden van de vrouw. Onder die omstandigheden vindt de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige 3] om een omgangsregeling vast te stellen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat enige vorm van contact met de vrouw in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige 3] . De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen. De rechtbank zal dan ook niet de beslissing op het verzoek van de vrouw opnieuw aanhouden. Onderhavige procedure loopt al geruime tijd en de rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige 3] dat de procedure tot een einde komt.
Informatieregeling
2.8
De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank begrijpt het belang van de vrouw om te weten hoe het met [minderjarige 3] gaat nu er geen omgang tussen haar en [minderjarige 3] plaatsvindt. De rechtbank begrijpt echter ook het standpunt van de man dat, als er informatie over [minderjarige 3] moet worden gedeeld, dat op een wijze gebeurt die niet belastend voor [minderjarige 3] is. De rechtbank volgt daarom het advies van de Raad en zal een informatieregeling vastleggen die inhoudt dat de man de vrouw eens per kwartaal via e-mail op de hoogte zal brengen met betrekking tot belangrijke aangelegenheden over [minderjarige 3] , èn waarbij de man met de hulpverlening zal overleggen of [minderjarige 3] van het delen van deze informatie op de hoogte moet worden gesteld. Zolang [minderjarige 3] niet weet dat er informatie over hem wordt gedeeld zal de man geen foto van [minderjarige 3] met de vrouw delen. De man zal bij de informatie die hij over [minderjarige 3] aan de vrouw deelt alleen een foto van [minderjarige 3] toevoegen als [minderjarige 3] daar zelf van op de hoogte is en als [minderjarige 3] het daar ook mee eens is. Het is aan de man om met de hulpverlening te bespreken of en zo ja wanneer [minderjarige 3] op de hoogte kan worden gebracht van het bestaan van voornoemde informatieregeling.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.9
De rechtbank zal de beslissing omtrent de informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat deze beslissing moet worden gevolgd ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de man de vrouw éénmaal per kwartaal schriftelijk informeert over belangrijke gebeurtenissen rondom [minderjarige 3] , waarbij informatie wordt gegeven over zijn (eventuele) schoolprestaties, gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten en waarbij geldt hetgeen is overwogen in r.o. 2.8;
3.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.