De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleegzorgvoorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling. De minderjarige woont bij de moeder, die ondanks intensieve opvoedondersteuning en weekendopvang in een gezinshuis niet langer in staat is de zorg te dragen vanwege persoonlijke problematiek en emotionele overbelasting.
De kinderrechter constateert dat de moeder weliswaar haar uiterste best doet en pedagogisch verantwoord handelt, maar dat de spanningen en incidenten toenemen, wat leidt tot gedragsproblemen bij de minderjarige en risico's op hechtingsproblemen. Ook een plaatsing bij de vader is momenteel niet mogelijk vanwege diens persoonlijke problematiek en beperkt contact.
De kinderrechter wijst het verzoek toe en verleent de machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 3 maart 2026 tot 18 september 2026, de resterende duur van de ondertoezichtstelling. Tevens wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen. Er wordt benadrukt dat een plan van aanpak moet worden opgesteld om het contact tussen de minderjarige en beide ouders te waarborgen en de hechting te bevorderen.