Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2537

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/02/444413 / JE RK 26-150
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorg vanwege onhoudbare thuissituatie bij moeder

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een pleegzorgvoorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling. De minderjarige woont bij de moeder, die ondanks intensieve opvoedondersteuning en weekendopvang in een gezinshuis niet langer in staat is de zorg te dragen vanwege persoonlijke problematiek en emotionele overbelasting.

De kinderrechter constateert dat de moeder weliswaar haar uiterste best doet en pedagogisch verantwoord handelt, maar dat de spanningen en incidenten toenemen, wat leidt tot gedragsproblemen bij de minderjarige en risico's op hechtingsproblemen. Ook een plaatsing bij de vader is momenteel niet mogelijk vanwege diens persoonlijke problematiek en beperkt contact.

De kinderrechter wijst het verzoek toe en verleent de machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 3 maart 2026 tot 18 september 2026, de resterende duur van de ondertoezichtstelling. Tevens wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen. Er wordt benadrukt dat een plan van aanpak moet worden opgesteld om het contact tussen de minderjarige en beide ouders te waarborgen en de hechting te bevorderen.

Uitkomst: De kinderrechter verleent machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleegzorgvoorziening tot het einde van de ondertoezichtstelling vanwege onhoudbare thuissituatie bij de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444413 / JE RK 26-150
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.M.E. van Fraaijenhove van der Maas te Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.E. Voorvaart-Kuik te Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft – met instemming van alle aanwezigen – bijzondere toegang verleend aan de begeleidster van de moeder en de begeleider van de vader, beide werkzaam bij [accommodatie] , om als toehoorders bij de zitting aanwezig te zijn.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 18 september 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 18 september 2024 en tot 18 september 2025. Deze maatregel is nadien verlengd voor het laatst bij beschikking van 5 september 2025 met ingang van 18 september 2025 tot 18 september 2026.
2.4.
Bij beschikking van 12 november 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een gezinsgerichte accommodatie (gezinshuis van [accommodatie] ), voor ieder weekend van vrijdagmiddag tot zondagmiddag, met ingang van 12 november 2025 en tot 18 september 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. De GI heeft in toenemende mate zorgen over de veiligheid, de ouder-kindrelatie en het ontwikkelen van verdere problematiek van [minderjarige] . Het netwerk van de moeder is beperkt en er wordt al ingezet op traumabehandeling en zeer intensieve opvoedondersteuning voor de moeder. Sinds 12 december 2025 is er bovendien sprake van weekendopvang van [minderjarige] binnen een gezinshuis van het [accommodatie] . In tegenstelling tot wat met de weekendopvang werd beoogd is de spanning bij de moeder enkel toegenomen. De moeder wordt snel overvraagd en dit leidt tot incidenten. Het lukt de moeder, vanwege haar persoonlijke problematiek, niet om voldoende aan te sluiten bij [minderjarige] en zij is al geruime tijd onvoldoende emotioneel beschikbaar. [minderjarige] is zich daarbij steeds meer bewust van wat er speelt, hij vertoont meer gedragsproblematiek en de risico's op een gecompliceerde relatie met de moeder, met hechtingsproblemen tot gevolg, nemen steeds verder toe. De laatste weken merkt de GI dat het verblijf van [minderjarige] bij de moeder niet langer gaat. De begeleiding neemt de zorg voor [minderjarige] over en het aantrekken en afstoten van [minderjarige] richting de moeder neemt toe. Ook verweert [minderjarige] zich steeds meer tegen de begeleiding. Er is een pleeggezin gevonden in de regio en de moeder heeft afgelopen week kennisgemaakt met de pleegouders. De GI is voornemens om op korte termijn te onderzoeken hoe het contact tussen de moeder en [minderjarige] kan worden vormgegeven. Dit zal naar verwachting wekelijks zijn en onderzocht wordt of dit contact bij het pleeggezin of op een neutrale plek moet plaatsvinden. Het contact met de vader zal op dezelfde wijze als nu het geval is worden voortgezet. De logeerweekenden bij het gezinshuis zullen niet meer plaatsvinden.
4.2.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek. De moeder begrijpt weliswaar met haar verstand dat de uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] is, maar gevoelsmatig ligt dit voor haar anders. Uit de weekverslagen van de begeleiding volgt dat er ook veel goed gaat in de thuissituatie bij de moeder en dat de moeder daarbij pedagogisch verantwoord handelt richting [minderjarige] . De moeder heeft veel geduld met [minderjarige] en past toe wat zij heeft geleerd. Tegelijkertijd zijn er ook momenten dat de moeder de begeleiding vraagt om de zorg over te nemen, omdat de spanning oploopt en dit niet fijn is voor [minderjarige] . Vanwege de start van haar persoonlijke therapie, komt er bij de moeder veel los en dit kost haar veel energie. De moeder hoopt dat zij met de therapie bepaalde dingen een plek kan geven en uiteindelijk weer voldoende ruimte krijgt om de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Het is nog onbekend hoelang de therapie van de moeder zal duren. De gevraagde periode voor de machtiging tot uithuisplaatsing is in dat kader passend. Daarbij is de hoop dat er voldoende contact kan zijn tussen [minderjarige] en de moeder. [minderjarige] is nog jong en het is belangrijk dat de moeder in beeld blijft.
4.3.
Door en namens de vader is ingestemd met het verzoek. De vader ziet in dat een machtiging tot uithuisplaatsing nodig is. Voor de vader blijft het moeilijk om te begrijpen dat [minderjarige] niet bij hem kan wonen. De vader maakt zich verder zorgen om zijn eigen contactregeling met [minderjarige] en zou graag zien dat deze contactregeling verder wordt uitgebreid. Hoewel de vader zijn best doet, lukt het tot op heden niet om tot een uitbreiding van het contact te komen. Dit zorgt voor frustratie en de vader hoopt dat er de komende periode ruimte kan ontstaan voor uitbreiding van het contact, al is dat door middel van videobellen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt.
5.3.
Voorop staat dat de kinderrechter een liefdevolle moeder ziet die haar uiterste best doet voor [minderjarige] en te allen tijde probeert om de keuzes te maken die in het belang van [minderjarige] zijn. Tegelijkertijd constateert de kinderrechter dat de thuissituatie van [minderjarige] bij de moeder, ondanks de intensieve opvoedondersteuning en de deeltijdplaatsing van [minderjarige] in het weekend bij het gezinshuis, op het moment niet langer houdbaar is. De moeder werkt hard aan het oplossen van haar persoonlijke problematiek en dit vraagt veel van haar. Zij heeft meer ruimte nodig om aan zichzelf te kunnen werken en dit lukt niet zolang zij de zorg voor [minderjarige] draagt. De moeder is, vanwege haar persoonlijke problematiek, op dit moment onvoldoende (emotioneel) beschikbaar voor [minderjarige] . Door de aanhoudende spanning bij de moeder raakt zij overbelast, hetgeen leidt tot ontregelingen waar [minderjarige] getuige van is. [minderjarige] maakt deze incidenten bewust mee. De situatie is complex, omdat [minderjarige] zelf ook steeds zorgelijker gedrag laat zien (aantrekken en afstoten) en daarin een stevig beroep doet op zijn omgeving. Ondanks dat de moeder met momenten laat zien geduld en nabijheid te bieden, komt het regelmatig voor dat de zorg voor [minderjarige] uit handen moet worden genomen. Dit maakt dat de kinderrechter zich zorgen maakt over de ouder-kindrelatie tussen [minderjarige] en de moeder en in het bijzonder de hechtingsrelatie tussen hen. Het is de kinderrechter dan ook gebleken dat [minderjarige] niet langer bij de moeder kan blijven wonen. Het is knap van de moeder dat zij deze zorgen erkent en, hoe moeilijk ook, zelf inziet dat het haar op dit moment niet lukt om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. Een plaatsing van [minderjarige] bij vader behoort op het moment en onder de huidige omstandigheden, onder meer vanwege de persoonlijke problematiek van de vader en het thans beperkte begeleide contact tussen [minderjarige] en de vader, evenmin tot de mogelijkheden.
5.4.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het – onweersproken – verzoek toewijzen en de gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlenen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 18 september 2026. De kinderrechter vindt het daarbij belangrijk dat er op korte termijn een plan van aanpak wordt opgesteld waaruit volgt onder welke voorwaarden een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder kan worden gerealiseerd. Ook het contact tussen [minderjarige] en zijn beide ouders dienen hier onderdeel van te zijn. Het is belangrijk dat de hechting tussen [minderjarige] en de moeder wordt gewaarborgd. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de draagkracht van de moeder en die van [minderjarige] . Voor [minderjarige] is het met het oog op alle aankomende ingrijpende veranderingen in zijn leven daarnaast belangrijk dat er ook dingen zijn die blijven zoals hij dit gewend is. Daarom vindt de kinderrechter het belangrijk dat het contact met de vader wordt gewaarborgd op de wijze zoals dit nu wordt uitgevoerd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 3 maart 2026 tot 18 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 12 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.