Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2538

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/02/444505 / JE RK 26-171
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen wegens instabiele thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarigen voor de duur van een jaar en machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden bij de grootouders. De minderjarigen hebben een instabiele en onveilige thuissituatie ervaren door de persoonlijke problematiek van de ouders, waaronder verslaving en detentie.

De moeder erkent de problematiek en ondersteunt het verzoek, waarbij zij aangeeft dat zij een behandeltraject volgt en streeft naar terugplaatsing van de kinderen. De grootouders bieden een stabiele en veilige omgeving en zijn bereid de zorg op zich te nemen. De vader is niet verschenen en zijn rol blijft onduidelijk.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarigen ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulp onvoldoende is gebleken. Daarom is een ondertoezichtstelling noodzakelijk. Ook wordt de machtiging tot uithuisplaatsing toegekend om het verblijf bij de grootouders te borgen. De beschikking is direct uitvoerbaar verklaard en de beslissing wordt aangetekend in het gezagsregister.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders om hun ontwikkeling te beschermen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444505 / JE RK 26-171
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
locatie Breda,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. van Rooijen uit Tilburg,
[de grootouders mz],
hierna te noemen: de grootouders (moederszijde),
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de grootouders, bijgestaan door een tolk in de Poolse taal;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft – met instemming van alle aanwezigen – bijzondere toegang verleend aan mevrouw [tante] , de tante van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , om bij de zitting aanwezig te zijn.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. Hiervan heeft [minderjarige 1] – met bericht van afmelding van zijn tante – geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
2.3.
Sinds 2019 verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af en aan bij de grootouders moederszijde, laatstelijk sinds juni 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van negen maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

Belanghebbenden
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het raadsrapport. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben jarenlang geleefd in een instabiele en onzekere opvoedsituatie bij de moeder (en de vader), waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet de basale zorg en veiligheid hebben ontvangen die zij nodig hebben. De moeder was onvoldoende (fysiek en emotioneel) beschikbaar. De moeder heeft te kampen met persoonlijke problematiek, waaronder een middelenverslaving, waarin zij herhaaldelijk is teruggevallen. De rol van de vader in de problematiek is nog onduidelijk en hier dient meer zicht op te worden verkregen. Zo zijn beide ouders recent gedetineerd geraakt in België. Het lukt de ouders niet om de verantwoordelijkheden als ouder uit te voeren en de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorop te stellen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vinden het als gevolg daarvan lastig om hun emoties te uiten en onder woorden te brengen én hun stemming kan sterk wisselen. Ook de onzekerheid over de verzorgende- en opvoedende rol en de gezondheid van de moeder leidt bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot overmatige stress en spanning, wat hen belemmert in de verschillende ontwikkelingstaken. De hulp in het vrijwillig kader heeft niet geleid tot duurzame verbetering. Daarom is het nu belangrijk dat er hulp komt binnen het gedwongen kader, waarmee moet worden geprobeerd om voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] langdurige stabiliteit te creëren. Op de momenten dat het niet goed ging met de moeder hebben de grootouders de rol van opvoeder op zich genomen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben het weliswaar goed bij de grootouders, maar de onzekerheid die zij ervaren ten aanzien van het verblijf daar moet niet te lang duren. Het is dan ook belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen negen maanden duidelijkheid krijgen over hun perspectief. Wanneer een thuisplaatsing kan worden gerealiseerd, kan er met een langer durende ondertoezichtstelling nog worden bezien hoe dit verloopt en kan de ondertoezichtstelling worden afgesloten met een warme overdracht naar eventuele vrijwillige hulpverlening.
4.2.
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek van de Raad. De moeder staat achter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders, met als doel dat er wordt gewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder. Toen het tot voorkort slecht ging met de moeder, heeft zij ervoor gekozen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders te laten verblijven. Inmiddels gaat het beter met de moeder. Haar detentie in België is haar redding geweest. Zij is daar abstinent geworden en is een behandeltraject, genaamd drugs in detentie, aangegaan. De moeder is op borgtocht vrij en terug in haar woning in [geboorteplaats] . Het is onduidelijk hoe de strafzaak van de moeder verder zal verlopen, maar de verwachting is dat zij niet opnieuw gedetineerd zal raken in België. De moeder zal de therapie ook in Nederland voortzetten en is desgewenst bereid om mee te werken aan urinecontroles. Hoewel de moeder het liefste wil dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer thuis komen wonen, ziet zij in dat zij nog een lange weg te gaan heeft. Tot die tijd is het fijn dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders kunnen verblijven. De moeder wenst met de GI in gesprek te gaan over de voorwaarden waarop zij op termijn de opvoedingstaken weer op zich kan nemen en om te komen tot een structurele (opbouwende) contactregeling. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij weten wanneer zij contact kunnen hebben met de moeder. Sinds de moeder weer in Nederland is heeft zij fijn contact gehad met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Gedurende haar detentie is ervoor gekozen om enkel telefonisch contact te hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder heeft nog contact met de vader. Zij wonen apart.
4.3.
De grootouders zijn het eens met het verzoek van de Raad. De grootouders willen het beste voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en voor de moeder. Het gaat goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders. Zij hebben daar een stabiele thuissituatie. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weten dat de situatie van de moeder nog tijd nodig heeft en dat zij eerst haar behandeling moet afronden. Zij missen de moeder en de grootouders willen dat er goed contact kan zijn tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit kan volgens de grootmoeder vooralsnog geen heel weekend zijn, zoals de moeder eerder heeft gevraagd.
Informanten
4.4.
De GI is bereid om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit te voeren en kan zich vinden in de door de Raad gestelde doelen.
4.5.
De tante is nauw betrokken bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij is aanwezig bij afspraken om voor de grootouders te vertalen. De tante hoopt dat de ouders aan zichzelf gaan werken en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uiteindelijk terug kunnen naar de moeder.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter constateert dat de moeder, de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de Poolse nationaliteit hebben. Dit brengt met zich dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
De Nederlandse kinderrechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen aangezien [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Ondertoezichtstelling
5.3.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. De kinderrechter onderschrijft daarbij de zorgen van de Raad over de (sociaal-emotionele) ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in hun leven al veel instabiliteit, onzekerheid en onveiligheid meegemaakt, als gevolg waarvan zij problemen ondervinden met het uiten van hun emoties en wisselende stemmingen laten zien. Dit baart de kinderrechter ernstig zorgen. Er zijn al verschillende wisselingen geweest van opvoeders en het lukt de ouders niet om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijvend de benodigde basale zorg en veiligheid te bieden. In de thuissituatie bij de moeder (en de vader) ontbrak het [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan structuur en regelmaat voor wat betreft de schoolgang, de woning en de persoonlijke verzorging én de moeder was onvoldoende (emotioneel en fysiek) beschikbaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit lijkt het gevolg te zijn van de aanhouden persoonlijke problematiek van de ouders. De moeder heeft te kampen met verslavingsproblematiek (heroïne) en psychische problematiek, waarin zij herhaaldelijk is teruggevallen. Ook bij de vader zijn er zorgen over verslavingsproblematiek en middelengebruik. Tot op heden is het de ouders onvoldoende gelukt om de verantwoordelijkheden als ouder adequaat uit te voeren en om keuzes te maken waarmee zij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vooropstellen.
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Ondanks de reeds betrokken hulpverlening binnen het vrijwillig kader, is het de ouders niet gelukt om de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijvend te doen wegnemen. Het stemt de kinderrechter positief dat de moeder de zorgen erkent en dat zij gedurende haar detentie opnieuw is gestart met een behandeltraject voor haar verslavingsproblematiek. Tegelijkertijd lijkt er bij de ouders sprake te zijn van een patroon ten aanzien van het accepteren en afstoten van de hulpverlening. Wanneer het beter lijkt te gaan, zijn zij geneigd om de hulpverlening af te houden. De moeder is in het verleden bovendien herhaaldelijk teruggevallen in middelengebruik. Zij is dan onbereikbaar voor de hulpverlening. Vanwege deze kwetsbare situatie, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat hulp en regie in een gedwongen kader betrokken wordt. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat de GI de komende periode zicht houdt op het welbevinden van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en regie voert over de in te zetten hulpverlening.
5.6.
Gelet op het voorgaande acht de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk. Daarbij sluit de kinderrechter zich aan bij de door de Raad in het raadsrapport geformuleerde doelen en geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een stabiele, veilige en voorspelbare opvoedsituatie waar zij rust en structuur ervaren;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren duidelijkheid over hun opvoedsituatie en toekomstperspectief, en weten welke rol hun ouders hierin spelen;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren minder stress en emotionele belasting door de situatie van hun ouders, inhoudende dat ze voldoende op de hoogte zijn van hun levensverhaal en de keuzes die hierin zijn gemaakt, als ook van de persoonlijke problematiek van hun ouders, waar zij geen schuld aan hebben en ouders ondanks deze moeilijkheden van hen houden;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen op een passende wijze hun emoties uiten;
- Het is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] duidelijk welke rol ouders spelen in hun leven.
5.7.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Nu er nog veel stappen moeten worden gezet, zal de kinderrechter het – onweersproken – verzoek toewijzen voor de verzochte duur van een jaar, omdat die termijn passend wordt geacht.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.8.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.9.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.10.
Vanwege het gebrek aan structuur, duidelijkheid en dagelijkse verzorging in de thuissituatie bij de moeder (en de vader), is in juni 2025 besloten dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opnieuw bij de grootouders verblijven. De kinderrechter vindt het knap dat de moeder inziet dat het haar niet lukte om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te bieden wat zij nodig hebben. Sinds [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders verblijven, ervaren zij rust, structuur en voorspelbaarheid in de opvoeding. De grootouders kunnen adequaat aansluiten bij de behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hebben oog voor hetgeen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben. De kinderrechter vindt het dan ook in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat hun verblijf bij de grootouders wordt geborgd. Het is van groot belang dat de ouders eerst gaan werken aan hun persoonlijke problematiek alvorens een plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hen kan worden gerealiseerd.
5.11.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter ook dit – onweersproken – verzoek toewijzen. Dit betekent dat de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders, verleent voor de duur van negen maanden. Gedurende die tijd moet er duidelijkheid komen over het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en wat ervoor nodig is om een eventuele thuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder (en de vader) te realiseren.
Gezagsregister
5.12.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
Uitvoerbaar bij voorraad
5.13.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 3 maart 2026 tot 3 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij grootouders moederszijde, met ingang van 3 maart 2026 tot 3 december 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 door mr. De Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 12 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.