Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2539

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C/02/445197 / JE RK 26-284
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2014, die sinds november 2023 onder toezicht staat. Ondanks diverse vormen van hulpverlening zijn de zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige niet afgenomen maar juist toegenomen. Hij gaat al lange tijd niet naar school, verkeert in sociaal isolement en zijn ontwikkeling stagneert.

De moeder betwist de noodzaak van uithuisplaatsing en wijst op haar betrokkenheid en pogingen tot hulpverlening, waaronder het zoeken naar een passende zorgboerderij. Zij benadrukt de behoefte van de minderjarige aan stabiliteit en rust en verzoekt om onderzoek naar PDA-autisme. De minderjarige zelf geeft aan het verblijf in de jeugdhulpaccommodatie 'beetje leuk' te vinden, maar wil het liefst terug naar zijn moeder.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De machtiging wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 27 november 2026 en wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Er wordt tevens ingezet op herstel van het contact tussen minderjarige en moeder en onderzoek naar de ondersteuningsbehoeften van beiden.

Uitkomst: De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 27 november 2026 en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445197 / JE RK 26-284
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. T. Möller uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2026;
  • het verweerschrift van de moeder, met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026;
  • het van de GI ontvangen verslag van [accommodatie] , ontvangen op 2 maart 2026.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door mr. J.J.A. van Roessel, waarnemend advocaat voor mr. Möller;
  • een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 27 november 2025 tot 27 november 2026.
2.3.
Bij beschikking van 18 februari 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 18 februari 2026 tot 4 maart 2026.
2.4.
[minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten [accommodatie] in [plaats 1] .
2.5.
Onder aanhouding van iedere verdere beslissing is bepaald dat de GI en de ouders op de onderhavige zitting over het verzoek zullen worden gehoord.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. De GI is vanaf november 2023 betrokken bij [minderjarige] . Sindsdien zijn de zorgen niet afgenomen, maar juist toegenomen. [minderjarige] gaat al lange tijd niet naar school. Hierdoor mist hij niet alleen belangrijke lesstof, maar ook het contact met leeftijdsgenoten. Hij woont thuis bij zijn moeder en leeft in sociaal isolement. Zijn dag- en nachtritme is verstoord. Hij gamet veel. Onder andere hierdoor stagneert zijn ontwikkeling volledig. Zijn leefwereld is kleiner geworden in plaats van groter. [minderjarige] komt nauwelijks buiten en speelt vrijwel niet meer met vriendjes uit de buurt. [minderjarige] heeft een zeer betrokken moeder die het beste met hem voorheeft. Tegelijkertijd vindt zij het moeilijk als mensen om [minderjarige] heen, zoals de betrokken jeugdzorgwerker, de situatie anders inschatten dan zijzelf. Ondanks de inzet van diverse vormen van hulpverlening, zowel vrijwillig als gedwongen, is het niet gelukt de situatie te verbeteren, patronen te doorbreken of [minderjarige] meer ontwikkelkansen te bieden. Alle mogelijkheden tot verbetering zijn inmiddels uitgeput. De situatie is nu zo ernstig dat [minderjarige] ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling. De GI acht een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk, omdat het niet verantwoord was om de moeder en [minderjarige] hier vooraf bij te betrekken. Dit mede vanwege de grote onvoorspelbaarheid van de moeder. Voor haar is [minderjarige] alles, en het verlies van [minderjarige] zou een grote impact op haar hebben. De GI schatte het risico op acute onveiligheid hoog in, zonder dat daar zicht op is of bescherming tegen kan worden geboden. Daarom is een spoedmachtiging verzocht.
4.2.
[minderjarige] is nu twee weken op de groep en gezien wordt dat het daar goed met hem gaat. Hij en de moeder hebben gedurende deze twee weken geen contact met elkaar gehad. De GI gaat nog wel bekijken hoe het contact weer opgestart kan worden opgestart. In de komende periode is het noodzakelijk om zicht te krijgen op wat [minderjarige] nodig heeft en op welke wijze hij het beste gestimuleerd kan worden in zijn ontwikkeling. Er moet onderzocht worden wat het met hem heeft gedaan dat zijn leefwereld al lange tijd zo beperkt is. Daarbij moet gekeken worden welke verklarende factoren er spelen bij de moeder en welke ondersteuning zij nodig heeft. Vanuit een neutrale plek kan dit beter onderzocht worden. Daarna kan worden bekeken of terugplaatsing naar huis mogelijk is en wat daarvoor nodig is. Gelet op het voorgaande verzoekt de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling.
4.3.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Zij stemt niet in met het verzoek van de GI. De moeder ziet in dat [minderjarige] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, maar zij is van mening dat er geen grond bestaat voor een machtiging tot uithuisplaatsing, laat staan een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. Het is voor de moeder onbegrijpelijk dat de GI zo’n ingrijpende en vergaande conclusie heeft getrokken zonder deze goed te onderbouwen. De Gl suggereert dat de moeder uit wanhoop wellicht zou handelen op een wijze die de veiligheid van [minderjarige] in gevaar zou kunnen brengen. De moeder betwist dit met klem. Zij zou nooit acties ondernemen die [minderjarige] in gevaar zouden kunnen brengen. Ook van de ‘grote onvoorspelbaarheid’ die wordt genoemd geen sprake. De beschuldigingen die door de GI worden gedaan zijn onjuist. Volgens de Gl zou [minderjarige] alleen nog maar contact hebben met zijn moeder en zou geen hulpverleningsinstantie meer zicht hebben op de situatie bij moeder en [minderjarige] thuis. Naar aanleiding van het rapport van [jeugdhulp] en het eindverslag van [accommodatie] is besloten dat [minderjarige] eerst zou starten op de zorgboerderij [zorgboerderij] , zodat vanuit daar in samenspraak met school en deskundigen langzaam zou kunnen worden toegewerkt naar onderwijs op school. Zowel [minderjarige] als zij wilden graag dat [minderjarige] zou beginnen bij [zorgboerderij] , maar [zorgboerderij] kon [minderjarige] , vanwege zijn kindeigenproblematiek, geen passende plek bieden. Daarom is de moeder nu bezig om [minderjarige] geplaatst te krijgen op een andere zorgboerderij.
4.4.
Hoewel [minderjarige] nog geen dagbesteding heeft, heeft de moeder niet stilgezeten. Zij heeft zelf hulpverleners benaderd en staat in contact met instanties. Op 9 maart 2026 is een gesprek gepland bij [hulpverleningsinstantie] in [plaats 2] om de situatie te bespreken. De bewering dat moeder hulpverlening van IAG niet meer zou toelaten, klopt volgens haar niet. Door haar operatie kon zij niet fysiek aanwezig zijn bij het evaluatiegesprek, maar dit vond wel telefonisch plaats en het traject is daarmee afgerond. Zij heeft de aanwijzingen van de GI opgevolgd. De eerder afgesproken lijn was starten op een zorgboerderij en daarna in overleg met deskundigen een terugkeer naar school voorbereiden; zij begrijpt niet waarom dit nu niet wordt gevolgd door de GI.
4.5.
De moeder vindt dat de GI niet in [minderjarige] belang handelt door hem, gezien zijn kindeigenproblematiek, in een jeugdhulpaccommodatie te plaatsen. [minderjarige] heeft een trage verwerking, is prikkelgevoelig en functioneert langzamer dan leeftijdsgenoten. Stabiliteit en voorspelbaarheid zijn essentieel voor zijn welzijn. Zij vreest dat een uithuisplaatsing de ontwikkelingsbedreiging vergroot. Als een uithuisplaatsing toch noodzakelijk wordt geacht, wenst zij dat [minderjarige] in een pleeggezin komt, vanwege zijn behoefte aan stabiliteit en rust in een kleinschalige, huiselijke omgeving met kennis van zijn problematiek. Recent is bij de familie van moederszijde PDA (Pathological Demand Avoidance) autisme vastgesteld, een diagnose die zij herkent bij [minderjarige] . PDA vraagt een andere begeleiding dan nu wordt geboden. Daarom wil zij dat [minderjarige] wordt onderzocht op PDA om passende ondersteuning te bieden. Dit is een minder ingrijpende maatregel dan een uithuisplaatsing en volgens de moeder in [minderjarige] belang.
4.6.
Uit het voorgaande blijkt dat er geen noodzaak om [minderjarige] uit huis te plaatsen. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen.
4.7.
[minderjarige] heeft in zijn gesprek met de kinderrechter gezegd dat het een ‘beetje leuk’ heeft op de groep, waar hij met vier andere kinderen verblijft. Hij wil het liefst terug naar moeder. Bij moeder thuis vindt hij het fijn om bij haar in bed te slapen.

5.De beoordeling

Spoedbeslissing zonder horen
5.1.
Bij beschikking van 18 februari 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 18 februari 2026 tot 4 maart 2026, zonder voorafgaand verhoor van de GI, de ouders en [minderjarige] . De GI, de ouders en [minderjarige] zijn thans in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. Alleen de vader heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Op de zitting zijn geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot herroeping van de eerder afgegeven spoedbeslissing. Daarom wordt de spoedbeslissing van 18 februari 2026 in stand gelaten.
5.2.
Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting van heden, 3 maart 2026
Wettelijk kader
5.3.
Op basis van artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt het volgende. De GI is sinds november 2023 betrokken bij [minderjarige] . Ondanks de ondertoezichtstelling zijn de zorgen over hem niet afgenomen, maar juist toegenomen. Uit een psychologisch onderzoek van [jeugdhulp] blijkt dat [minderjarige] autistisch is en een ontwikkelingsachterstand heeft. Zijn gevoeligheid voor prikkels en trage verwerkingssnelheid maken dat hij snel overprikkeld raakt. Het afgelopen jaar heeft [minderjarige] daarom zeer beperkt onderwijs gevolgd. Sinds de kerstvakantie 2025 gaat hij helemaal niet meer naar school, omdat zijn moeder van mening is dat de school onvoldoende rekening houdt met zijn beperkingen.
5.5.
De kinderrechter deelt de zorgen over [minderjarige] . Doordat [minderjarige] niet naar school gaat, verkeert hij in sociaal isolement. Hij verblijft veelal thuis, waardoor hij geen of nauwelijks contact heeft met leeftijdsgenoten. Spelen met andere kinderen komt nauwelijks voor. Thuis slaapt hij bij de moeder in bed. Zijn leefwereld is heel klein geworden en zijn ontwikkeling stagneert. Gedurende de afgelopen periode van de ondertoezichtstelling zijn de zorgen juist toegenomen. Hoewel de moeder bereid is om mee te werken op haar eigen manier, zoals ook wordt erkend door de GI, is ondanks de inzet van de hulpverlening en het zoeken naar mogelijkheden geen vooruitgang zichtbaar. Dit betekent niet dat dit aan de moeder of aan [minderjarige] ligt, maar dat er nu wel verandering nodig is om [minderjarige] de kans te geven zich weer goed te ontwikkelen. De verwachting is dat hij bij verblijf elders, ondanks zijn beperkingen, beter in zijn ontwikkeling zal worden gestimuleerd.
5.6.
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De machtiging tot uithuisplaatsing zal worden toegewezen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 27 november 2026.
5.7.
De kinderrechter begrijpt dat dit voor zowel [minderjarige] als de moeder een zeer moeilijke beslissing is. Er moet door de GI zo snel mogelijk worden ingezet op het herstel van het contact tussen [minderjarige] en de moeder. In de komende periode is het belangrijk om goed te onderzoeken wat [minderjarige] precies nodig heeft en hoe hij het beste in zijn ontwikkeling kan worden gestimuleerd. Ook moet worden bekeken welke ondersteuning de moeder nodig heeft. Binnen dit proces dient tevens te worden bekeken hoe en wanneer terugplaatsing naar huis zal plaatsvinden.
5.8.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 4 maart 2026 tot 27 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.