ECLI:NL:RBZWB:2026:254

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
02-164952-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en brandstichting met explosiegevaar in Middelburg

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 28 mei 2025 in Middelburg een poging tot doodslag heeft gepleegd door een Cobra 6 aan te steken en deze op een vol terras te gooien, met als gevolg dat een persoon, [slachtoffer 1], gewond raakte. De verdachte heeft ook brand gesticht in zijn appartement door twee Cobra's 6 aan te steken, wat leidde tot een grote brand en ontploffingen die gemeen gevaar voor goederen en personen veroorzaakten. De rechtbank oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer 1] en dat hij zich schuldig had gemaakt aan brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen. De officier van justitie had een gevangenisstraf van 36 maanden geëist, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht. De rechtbank volgde deze eis en legde de verdachte een gevangenisstraf op van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot schadevergoeding aan de benadeelde partijen, waaronder [slachtoffer 1] en een andere benadeelde partij, voor de geleden schade door de gepleegde feiten.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-164952-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 januari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de basisregistratie personen op [adres 1] ,
raadsvrouw mr. J.E. de Glopper, advocaat te Goes.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. F.M. van Peski en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1. heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere personen die zich op terrassen aan de Markt in Middelburg bevonden, van het leven te beroven door een Cobra 6 aan te steken en op een terras te gooien met veel terrasbezoekers in de omgeving;
2. zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag van [slachtoffer 1] .
Ten aanzien van feit 2 acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in zijn appartement twee Cobra’s, type 6, heeft aangestoken en daardoor brand en/of een ontploffing heeft veroorzaakt met gemeen gevaar voor goederen en voor personen. Zij acht bewezen dat verdachte daarbij voorwaardelijk opzet heeft gehad. Ook acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op een vol terras een Cobra 6 heeft aangestoken en die in de richting van een nabijgelegen vol terras heeft gegooid, waardoor [slachtoffer 1] de brandende Cobra 6 op zijn schoot heeft gekregen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om verdachte vrij te spreken van feit 1, omdat er geen sprake is van opzet op de dood van een of meerdere personen. Voor zover impliciet een poging tot zware mishandeling ten laste is gelegd, kan daarvan wel tot een bewezenverklaring worden gekomen.
Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat verdachte een ontploffing teweeg heeft gebracht aan de Markt te Middelburg, waardoor gemeen gevaar voor goederen en personen is ontstaan. Ten aanzien van de brandstichting dan wel het teweegbrengen van een ontploffing in het appartement aan [adres 2] is zij van mening dat het proces-verbaal van bevindingen op pagina 39 van het einddossier niet als bewijs kan worden gebezigd en moet worden uitgesloten, omdat verdachte niet de cautie is gegeven. Er is onvoldoende wettig bewijs voor de verdenking van brandstichting dan wel teweegbrengen van een ontploffing in het appartement. Er is ook onvoldoende overtuigend bewijs. Zij verzoekt verdachte daarom vrij te spreken van de brandstichting dan wel het teweegbrengen van een ontploffing in het appartement.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van feiten 1 en 2
Vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast. Verdachte had in zijn appartement aan [adres 2] vuurwerk, te weten drie Cobra’s 6. In de avond van 28 mei 2025 heeft hij twee Cobra’s 6 aangestoken in zijn appartement, waardoor daar twee brandhaarden zijn ontstaan en het appartement geheel is uitgebrand. Buurtbewoners in nabijgelegen appartementen en woningen werden opgeschrikt door twee knallen en moesten als gevolg van de brand hun woning verlaten. Verdachte heeft zijn appartement via het dak verlaten en is vervolgens naar de terrassen op de Markt te Middelburg gelopen. Hij is op het terras van [café 1] aan een tafel gaan zitten, waar al drie personen, waaronder [slachtoffer 2] , zaten. Vervolgens heeft verdachte uit zijn jaszak een Cobra 6 gepakt, deze in de brandende kaars die op de tafel stond, gehouden, is opgestaan, hield de brandende Cobra 6 nog even in zijn hand en gooide deze toen in de richting van terrassen, waar zich veel bezoekers bevonden. De brandende Cobra 6 is via een parasol naar beneden gevallen op de schoot van [slachtoffer 1] , die op het terras van [café 2] zat, waarna [slachtoffer 1] die Cobra 6 van zijn schoot wegveegde en deze vervolgens kort daarna op enkele meters afstand van hem is afgegaan.
Ten aanzien van feit 1 – poging tot doodslag?
Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is sprake als verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het mogelijke gevolg heeft aanvaard. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) volgt dat bij (vrijwel) direct contact van Cobra 6 met bijvoorbeeld het hoofd, de nek of de romp van een onbeschermd persoon er gevaar voor dodelijk letsel ontstaat. Gebleken is dat de brandende Cobra 6 terecht is gekomen op de schoot van [slachtoffer 1] , een onderdeel van het lichaam dat zich in ieder geval vlakbij de romp bevindt.
Niet is gebleken dat verdachte vol opzet had op het doden van [slachtoffer 1] . De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Door een Cobra 6 op een vol terras aan te steken en te gooien in de richting van volle terrassen met personen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze Cobra 6 in de nabijheid van personen, in dit geval [slachtoffer 1] die de Cobra 6 op zijn schoot kreeg, tot ontploffing zou komen en dat diegene hierbij dodelijk letsel zou oplopen.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] en/of een of meer andere personen, omdat daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.
Ten aanzien van feit 2 – brandstichting en/of het teweegbrengen van ontploffingen?
Gelet op de verklaring van verdachte dat hij kaarsen en Cobra’s heeft aangestoken in zijn appartement, omdat het uit was gegaan met zijn vriendin, is de rechtbank van oordeel dat verdachte vol opzet heeft gehad op brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen in zijn appartement. Op basis van de bewijsmiddelen staat ook vast dat door de ontstane brand gemeen gevaar voor goederen in het appartement van verdachte en gemeen gevaar voor (aangrenzende) appartementen en woningen te duchten was en dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen aanwezig in of rondom aangrenzende appartementen te duchten was.
Ten aanzien van het tweede deel van feit 2, het teweegbrengen van een ontploffing aan de Markt, is de rechtbank, gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de overige stukken in het dossier, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte aan de Markt te Middelburg een ontploffing teweeg heeft gebracht door een Cobra 6 aan te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
op 28 mei 2025 te Middelburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven,
- een Cobra 6 heeft aangestoken en in aanraking heeft gebracht met open vuur en
- vervolgens deze Cobra 6 in de richting van terrassen heeft gegooid, met veel terrasbezoekers in de omgeving, waaronder die [slachtoffer 1]
,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
op 28 mei 2025 te Middelburg, opzettelijk meermalen brand heeft gesticht en ontploffingen teweeg heeft gebracht, immers heeft verdachte
opzettelijk brand gesticht in een appartement aan [adres 2] door open vuur in aanraking te brengen met
twee Cobra’s6
entot ontploffing heeft gebracht
,ten gevolge waarvan meerdere goederen in voornoemd appartement geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen in voornoemd appartement en aangrenzende appartementen en woningen, en
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten voor personen aanwezig in of rondom aangrenzende appartementen, te duchten was,
en vervolgens aan de Markt te Middelburg een ontploffing teweeg heeft gebracht, immers heeft verdachte een Cobra 6 aangestoken
entot ontploffing gebracht en na het aansteken voornoemde Cobra 6 gegooid in de richting van terrassen aan de Markt, met veel terrasbezoekers in de omgeving, waaronder
[slachtoffer 1],
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor meubilair op het terras en panden rondom voornoemde terrassen en
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten voor personen aanwezig op
voornoemde terrassen, te duchten was
.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering in haar rapport van december 2025 zijn geadviseerd. Zij vordert daarnaast de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt in de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte al 42 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met zijn blanco strafblad en met het feit dat de feiten zijn ingegeven door zijn persoonlijke omstandigheden. Gelet op de bevindingen van de psychologen, die behandeling noodzakelijk achten voor de klachten waarmee verdachte kampt en kampte, en het advies van de reclassering, verzoekt de verdediging dat verdachte niet opnieuw naar de gevangenis moet. Zij verzoekt om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen en eventueel een onvoorwaardelijke taakstraf en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Zij kan zich vinden in de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht. Ten aanzien van de toerekenbaarheid van de feiten aan verdachte stelt de verdediging dat de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend, maar het dossier geeft wel aanleiding om vraagtekens te plaatsen bij de psychische gesteldheid van verdachte ten tijde van de feiten. Er moet ook rekening worden gehouden met de vraag in hoeverre de ontsporing in het handelen van verdachte op 28 mei 2025 voor hem voorzienbaar was.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee zeer ernstige en gevaarlijke strafbare feiten.
In de late avond van 28 mei 2025, toen een aantal buurtbewoners al lag te slapen, heeft verdachte twee Cobra’s 6 in zijn appartement aangestoken, waardoor in zijn appartement brand is ontstaan en ten gevolge waarvan er veel schade aan zijn appartement en aan het pand waar dit appartement zich in bevond, is ontstaan. Bovendien is er ook schade ontstaan door de bluswerkzaamheden. Als gevolg van het opschrikken van de twee knallen van de Cobra’s 6 en de brand, is bij bewoners in hetzelfde pand paniek ontstaan.
Zij moesten als gevolg hiervan hun woning, een plek die voor hen veilig zou moeten zijn, verlaten. Vervolgens heeft verdachte op dezelfde avond op een vol terras een Cobra 6 aangestoken en richting volle terrassen gegooid. De brandende Cobra 6 is op de schoot van [slachtoffer 1] terechtgekomen. Door dit handelen heeft verdachte geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Van het geluid dat bij de ontploffing van dit vuurwerk is vrijgekomen, ondervindt [slachtoffer 1] nog steeds de gevolgen. Dat dit niet veel ernstiger is afgelopen – [slachtoffer 1] had hierdoor zijn leven kunnen verliezen – is niet aan verdachte te danken. Verdachte heeft op geen enkele manier rekening gehouden met het gevaar dat zijn handelen, onder andere voor [slachtoffer 1] heeft opgeleverd. Uit de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring volgt dat de impact voor [slachtoffer 1] enorm is. Ook blijkt uit het dossier dat verdachte de openbare orde flink heeft verstoord. Op de terrassen aan de Markt te Middelburg bevond zich een groot aantal mensen, waaronder grote paniek is ontstaan.
Feiten als deze veroorzaken daarbij ook gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.
Eendaadse samenloop
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, tussen het teweegbrengen van de ontploffing aan de Markt te Middelburg (onderdeel van feit 2) en de poging tot doodslag (feit 1).
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank slaat acht op het rapport van de reclassering van december 2025. De reclassering heeft geconcludeerd dat de risico’s op recidive en op letselschade als laag worden geschat, zolang de lopende voorwaarden van kracht blijven en hiermee vanuit het gedwongen kader wordt ingezet op controle en het toewerken naar gedragsverandering. Zonder deze voorwaarden voorziet zij dat de risico’s toenemen, vooral als verdachte zou terugvallen in middelengebruik en hij zich onttrekt aan behandeling.
Geadviseerd is bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, gedragsinterventie middelengebruik, een drugsverbod en meewerken aan middelencontrole. Ook is de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en van het reclasseringstoezicht geadviseerd. De kans op een misdrijf met schade voor personen is volgens de reclassering namelijk groot.
Uit het NIFP-trajectconsult van 23 juni 2025 blijkt dat de psycholoog geen aanwijzingen ziet voor psychotische problematiek, een stemmingsstoornis, angststoornis of een intellectuele beperking bij verdachte. Er worden wel aanwijzingen gezien voor problematisch cocaïnegebruik en ADHD. Dit heeft niet geleid tot het plegen van de strafbare feiten. De begane feiten zijn sterk situationeel bepaald.
Uit het NIFP-voorgeleidingsconsult van 6 november 2025 blijkt dat de psycholoog heeft geconcludeerd dat er geen sprake was van een delirium voorafgaand aan de feiten. Een delier treedt vaak op na onthouding van een middel, waarvan ook geen sprake was voorafgaand aan de feiten, een feit waar verdachte anamnestisch niet mee bekend is en waarvan de aanloop sterk situationeel is bepaald.
De rechtbank ziet op basis van genoemde bevindingen geen aanleiding om aan te nemen dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van de feiten sprake was van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Zij is dan ook van oordeel dat de feiten volledig aan verdachte zijn toe te rekenen.
De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij al aan de slag is gegaan om te werken aan zijn persoonlijke problemen en aan zijn drugsprobleem.
Straf
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is. Deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf vormt een stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (dergelijke) strafbare feiten te plegen en maakt het stellen van bijzondere voorwaarden mogelijk. De rechtbank ziet aanleiding de door de reclassering geadviseerde voorwaarden aan de voorwaardelijke straf te verbinden en ook het reclasseringstoezicht op te leggen.
In deze straf is voldoende rekening gehouden met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] (feiten 1 en 2)
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 2.600,00, bestaande uit een bedrag van € 100,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten en zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist.
Immateriële schade
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij stelt gehoorschade te hebben opgelopen. De verdediging betwist deze schade, omdat er geen medische onderbouwing is. Uit het rapport van het NFI volgt dat een knal van een Cobra tot tientallen meters tot (tijdelijke) gehoorschade kan leiden. Gelet hierop is de gehoorschade van de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt verder vast dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Gelet op alle omstandigheden acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 2.500,00 billijk en daarom toewijsbaar.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gehele vordering toewijzen.
[benadeelde partij] (feit 2)
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 2.695,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dat betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde herstelkosten voor het tapijt in het trappenhuis ten bedrage van € 1.936,00 acht de rechtbank toewijsbaar. De verdediging heeft deze schade betwist door aan te voeren dat deze kosten niet daadwerkelijk zijn gemaakt. Echter, het is niet van belang of de benadeelde partij het tapijt heeft hersteld of zal laten herstellen. Het is aan de benadeelde partij wat hij met zijn schadevergoeding doet.
Ook de door de benadeelde partij gevorderde kosten die zien op tijdelijke huisvesting van een onderbewoner acht de rechtbank toewijsbaar.
De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd dat hij de onderbewoner na een aantal dagen moest huisvesten omdat diegene niet meer bij kennissen terechtkon. Door de verdediging is onvoldoende gemotiveerd gesteld dat er een schadebeperkingsplicht aan de zijde van de benadeelde partij is geschonden. De verdediging heeft bijvoorbeeld niet onderbouwd dat er die data goedkopere kamers beschikbaar waren.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gehele vordering toewijzen.
Ten aanzien van de benadeelde partijen
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen bedragen toewijzen vanaf 28 mei 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 57, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: poging tot doodslag;
feit 2: opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan
gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een
ander te duchten is, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden, waarvan 12 (twaalf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Emergis verslavingsreclassering op het adres Vrijlandstraat 33, 4337 EA Middelburg (0113-267290). Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* dat verdachte zich laat behandelen door de Forensische Zorg Zeeland van Emergis of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandelingen zijn reeds gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
* dat verdachte actief deelneemt aan de gedragsinterventie Leefstijl 24/7 of een andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
* dat verdachte geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
* dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- stelt vast dat
van rechtswege de volgende voorwaardengelden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Dadelijke uitvoerbaarheid
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Benadeelde partijen
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feiten 1 en 2) van
€ 2.600,00, waarvan € 100,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 1] , € 2.600,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 26 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] (feit 2) van
€ 2.695,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij] , € 2.695,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 26 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. G.H. Nomes en
mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier, en is
uitgesproken ter openbare zitting op 22 januari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks de periode van 28 mei 2025 te Middelburg
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere
personen die zich op of rondom meer of een terrassen aan de Markt bevonden
van het leven te beroven,
- een Cobra 6, in ieder geval een stuk zwaar (illegaal) vuurwerk, heeft aangestoken
en/of in aanraking heeft gebracht met open vuur en/of
- ( vervolgens) deze Cobra 6, in ieder geval een stuk zwaar (illegaal) vuurwerk, in de
richting van een of meerdere personen op voornoemde terrassen heeft gegooid,
althans op een terras heeft gegooid met veel terrasbezoekers in de omgeving,
waaronder die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of een of meerdere andere personen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2.
hij, op of omstreeks 28 mei 2025 te Middelburg,
opzettelijk
meermalen althans eenmaal brand heeft gesticht en/of ontploffingen(en) teweeg
heeft gebracht, immers heeft verdachte
opzettelijk brand gesticht in een appartement aan [adres 2]
door open vuur in aanraking te brengen met een Cobra 6, in ieder geval
een stuk zwaar (illegaal) vuurwerk, althans een explosief aangestoken, in elk geval
tot ontploffing heeft gebracht
ten gevolge waarvan meerdere goederen in voornoemd appartement geheel of
gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen in voornoemd appartement en/of een of meerdere
(aangrenzende) appartementen en/of woningen, in elk geval gemeen gevaar voor
goederen en/of
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten voor personen
aanwezig in of rondom aangrenzende appartementen, te duchten was,
en/of (vervolgens) aan de Markt te Middelburg een ontploffing te weeg heeft
gebracht, immers heeft verdachte
een Cobra 6, in ieder geval een stuk zwaar (illegaal) vuurwerk, althans een explosief
aangestoken, in elk geval tot ontploffing heeft gebracht
en na het aansteken voornoemde Cobra 6 heeft gegooid in de richting van een of
meerdere personen op een of meer terrassen aan de Markt, althans op het terras
heeft gegooid met veel terrasbezoekers in de omgeving, waaronder die [slachtoffer 1]
en/of die [slachtoffer 2] en/of een of meerdere andere personen
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor meubilair op het terras en/of panden
rondom voornoemde terrassen, en/of
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten voor personen
aanwezig op voornoemd terras, te duchten was;
( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
)