Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene, geboren in 1941, voor de duur van zes maanden. Betrokkene verzette zich tegen het verzoek en wilde graag in haar woning blijven met thuiszorg. Diverse betrokkenen, waaronder een casemanager dementie, praktijkondersteuner huisarts, neef en mantelzorger, gaven aan dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt door haar neurocognitieve stoornis, waaronder verwaarlozing, valrisico en onveilig medicatiegebruik.
De rechtbank hield een zitting met gesloten deuren waarbij betrokkene en haar vertegenwoordigers werden gehoord. De medische verklaring bevestigde de diagnose neurocognitieve stoornis. Het gedrag van betrokkene leidde tot ernstig nadeel zoals lichamelijk letsel, psychische schade en maatschappelijke teloorgang. Betrokkene vertoonde dwaalgedrag, weigerde zorg en had een beperkt ziekte-inzicht.
De rechtbank oordeelde dat opname en verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om het ernstig nadeel te voorkomen. Minder bezwarende alternatieven waren niet beschikbaar omdat betrokkene geen dagbesteding accepteerde en thuis onvoldoende zorg kon worden geboden. De machtiging werd verleend voor zes maanden, tot 3 september 2026.