Uitspraak
2.De verzoeken
3.De beoordeling
€ 6.815,= per maand. Zij is aan haar zijde uitgegaan van een bruto WIA-uitkering van afgerond € 2.098,= bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Aan de zijde van de man is zij uitgegaan van een geschat inkomen van € 85.000,= bruto per jaar aan dga-salaris, te vermeerderen met vakantietoeslag, en een dividenduitkering van € 15.000,= per jaar.
Gelet op het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat in de zeer korte periode van vijf weken van samenleving tijdens het huwelijk de behoefte van de vrouw als gevolg van de - in duur beperkte - samenleving hoger is geworden dan haar inkomen uit hoofde van een WIA-uitkering dat zij voorafgaand aan het huwelijk ontving en nu nog steeds ontvangt. Dit leidt tot de conclusie dat de vrouw met haar huidige inkomen, en betaald werk waar zij naar solliciteert, volledig in haar behoefte kan voorzien en dat zij geen huwelijksgerelateerde behoefte heeft die dit inkomen overstijgt. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud wijst de rechtbank af.