ECLI:NL:RBZWB:2026:2561

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
26/351
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning bedrijfsbebouwing afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena om een omgevingsvergunning te verlenen voor bedrijfsbebouwing op een locatie naast een adres in een plaats. Het verzoek is ingediend tijdens de bezwaarprocedure tegen deze vergunning.

De vergunninghouder heeft schriftelijk verklaard dat de bouwwerkzaamheden niet eerder zullen starten dan zes weken na de beslissing op de bezwaren. Hierdoor is er geen directe dreiging van uitvoering tijdens de bezwaarprocedure. De voorzieningenrechter heeft verzoekers gevraagd het spoedeisend belang nader toe te lichten, maar zij konden geen zodanige omstandigheden aandragen die een voorlopige voorziening rechtvaardigen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is en dat het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Er wordt geen inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit gegeven, en verzoekers kunnen een nieuw verzoek indienen als zich nieuwe omstandigheden voordoen.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Er volgt geen proceskostenveroordeling en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/351

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] , [verzoeker 6] en [verzoeker 7], uit [plaats] , verzoekers
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, het college.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen aan vergunninghouder voor het realiseren van bedrijfsbebouwing op de locatie naast [adres] in [plaats] .
1.1.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.3.
Met het bestreden besluit van 15 december 2025 heeft het college de door vergunninghouder aangevraagde omgevingsvergunning aan hem verleend. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
2.1.
Vergunninghouder heeft schriftelijk verklaard dat de bouwwerkzaamheden niet eerder worden gestart dan zes weken nadat het college een beslissing op de ingediende bezwaren tegen de omgevingsvergunning heeft genomen. Dit betekent dat de bedrijfsbebouwing gedurende de bezwaarprocedure niet zal worden gerealiseerd.
2.2.
De griffier heeft verzoekers namens de voorzieningenrechter verzocht om kenbaar te maken of dit aanleiding gaf om het verzoek in te trekken dan wel om nader toe te lichten wat het spoedeisend belang is.
2.3.
Verzoekers hebben aangegeven dat zij het verzoek om voorlopige voorziening niet willen intrekken. De brief van de vergunninghouder bevat slechts een toezegging en die biedt naar hun mening geen juridisch bindende garantie dat niet eerder met de bouwwerkzaamheden wordt gestart. Daarnaast hebben verzoekers nog steeds twijfel over de rechtmatigheid van de verleende vergunning.
2.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er hangende dit bezwaar geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat vergunninghouder zijn toezegging geen gestand zal doen. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Aan een voorlopig rechtmatigheidsoordeel wordt door de voorzieningenrechter niet toegekomen vanwege het ontbreken van een actueel spoedeisend belang, anders dan het oordeel dat geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit.
2.5.
Verzoeker kan een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening indienen zodra er zich nieuwe of andere omstandigheden voordoen die het treffen van een voorlopige voorziening mogelijk maken.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Er volgt daarom ook geen proceskostenveroordeling en verzoekers krijgen het griffierecht niet terug.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 3 april 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.