Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2562

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C-02-440432 - FA RK 25-5088
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Oomes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253o BWArt. 253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot gezamenlijk gezag over minderjarige wegens onvoldoende wijziging omstandigheden

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de vader om samen met de moeder het gezag over hun minderjarige dochter te verkrijgen. De vader stelde dat de omstandigheden waren gewijzigd doordat hij recentelijk weer contact had met de dochter en betrokken wilde zijn bij haar zorg en hulpverlening. De moeder betwistte dit en wees op de langdurige periode van afwezigheid en bemoeilijking van hulpverlening door de vader.

De minderjarige zelf gaf aan eerst weer vertrouwen te willen krijgen in de vader voordat hij gezag zou krijgen. De gecertificeerde instelling (GI) ondersteunde het verzoek van de vader, stellende dat gezamenlijk gezag de betrokkenheid zou versterken. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde echter afwijzing, stellende dat het eenhoofdig gezag van de moeder recent was toegekend en dat de vader eerst zijn betrokkenheid moest bestendigen.

De rechtbank oordeelde dat ondanks recente positieve ontwikkelingen de situatie nog niet zodanig was veranderd dat het belang van het kind een wijziging van het eenhoofdig gezag rechtvaardigde. De communicatie tussen ouders was nog moeizaam en het contact tussen vader en kind broos. De rechtbank volgde het advies van de Raad en wees het verzoek af, waarbij iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.

Uitkomst: Het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over de minderjarige te verkrijgen wordt afgewezen vanwege onvoldoende wijziging van omstandigheden.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/440432 / FA RK 25/5088
datum uitspraak: 2 maart 2026
beschikking over gezag
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx,
tegen
[de vrouw]
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur,
over de minderjarige:
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011.
Informant in deze procedure is:
de Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd in Etten-Leur.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 2 oktober 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Gulickx van 15 oktober met bijlagen;
- het op 14 januari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen.
1.2.
Het verzoek is mondeling behandeld op 2 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen: partijen met hun advocaten. Ook waren een vertegenwoordiger namens de Raad en een vertegenwoordiger namens de GI aanwezig.
1.3.
[minderjarige 1] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vindt. Zij heeft de rechtbank een brief gestuurd. De inhoud van de brief is ter zitting met partijen besproken.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn van 18 augustus 2017 tot 15 januari 2019 met elkaar getrouwd geweest.
2.2.
Uit hun voorhuwelijkse relatie zijn de volgende, minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011 (hierna: [minderjarige 1] ),
- [minderjarige 2] , geboren op te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013 (hierna: [minderjarige 2] ).
2.3.
De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen hadden vanaf 16 augustus 2011 samen het
gezag over [minderjarige 1] .
2.4.
[minderjarige 1] staat sinds 23 maart 2021 onder toezicht van de GI (met uitzondering van een korte onderbreking van 23 november 2023 tot 3 april 2024). Daarnaast is [minderjarige 1] uit huis geplaatst geweest. Aanvankelijk bij grootouders vaderszijde (per 23 maart 2021), daarna bij de man (per 22 maart 2023) en vervolgens bij de vrouw (per 3 april 2024 tot en met 3 november 2024).
2.5.
Op 21 oktober 2024 heeft de kinderrechter drie beschikkingen gegeven:
- in de zaak met kenmerk C/02/424987 / FA RK 24-3450 is bepaald dat de vrouw
voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige 1] ,
- in de zaak met kenmerk C/02/427165 / JE RK 24-1761 is de beschikking van
28 april 2023 inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en is deze bepaald als volgt: “ dat er met betrekking tot [minderjarige 1] geen uitvoering wordt gegeven aan de vastgestelde co-ouderschapsregeling en dat de regie over (mogelijk) contactherstel tussen vader en [minderjarige 1] bij de GI komt te liggen, dit met inachtneming van wat in 5.5 is overwogen voor wat betreft de opbouw”,
- in de zaak met kenmerk C/02/426311 / JE RK 24-1606 is het resterende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de ouder met gezag, de moeder, voor de duur van de ondertoezichtstelling afgewezen.
2.6.
Bij tussenbeschikking van 28 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 3 oktober 2025. Laatstelijk bij beschikking van 15 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 3 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man samen met de vrouw het gezag over [minderjarige 1] zal uitoefenen.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel het verzoek af te wijzen.

4.De beoordeling

Het standpunt van de man
4.1.
De man legt aan zijn verzoek ten grondslag dat sprake is van een wijziging van omstandigheden en dat het in het belang is van [minderjarige 1] dat partijen gezamenlijk worden belast met het gezag over haar. De man voert daartoe het volgende aan. [minderjarige 1] heeft ernstige problematiek. Na afronding van het traject bij [kliniek] eind 2024 is [minderjarige 1] bij de vrouw gaan wonen. Aanvankelijk ging het goed met haar, maar inmiddels is zij teruggevallen in haar problematiek. [minderjarige 1] gaat al geruime tijd niet naar school, loopt weg van school, dreigt met suïcide en vertoont opnieuw zelfbeschadigend gedrag. Zij heeft dringend passende hulp nodig, die de vrouw op dit moment onvoldoende kan bieden. De man wil daarom nadrukkelijk betrokken worden bij de zorg en opvoeding van [minderjarige 1] , zodat de verantwoordelijkheid gezamenlijk kan worden gedragen. In eerdere procedures werd aangegeven dat de hulpverlening voor [minderjarige 1] niet voldoende van de grond kon komen omdat hij hieraan in de weg stond. Hij heeft destijds bezwaar gemaakt tegen de ingezette trajecten, omdat hij vreesde dat deze onvoldoende zouden zijn om de problematiek van [minderjarige 1] daadwerkelijk aan te pakken. Inmiddels is gebleken dat, ondanks de afronding van deze trajecten, [minderjarige 1] opnieuw in een crisissituatie verkeert.
Gezien de gewijzigde omstandigheden, waarbij de vrouw aangeeft de zorg niet meer alleen aan te kunnen en de onverminderde crisissituatie waarin [minderjarige 1] zich bevindt, wil de man voldoende en structureel betrokken worden bij het leven en de zorg van [minderjarige 1] . Hij is van mening dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat hij en de vrouw gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] uitoefenen. Alleen door gezamenlijke inzet kan de problematiek van [minderjarige 1] structureel en duurzaam worden aangepakt.
4.2.
Ter zitting heeft de man de door hem gestelde wijziging van omstandigheden nader toegelicht. Volgens de man is hij de laatste maanden meer betrokken bij het hele gezin en heeft hij het afgelopen half jaar weer contact met [minderjarige 1] . Zij appen wekelijks en zij is twee keer thee komen drinken bij hem. [minderjarige 1] heeft behoefte aan contact met hem. Dit wordt door de vrouw bevestigd. Daarnaast is zijn contact met de vrouw verbeterd. Zo hebben zij vorige week samen een goed gesprek gehad bij de GI, waarin zij samen hebben besloten dat [minderjarige 2] bij hem gaat wonen. Hij heeft inmiddels ook goed contact met de GI. Hij wil betrokken worden in de hulpverlening rondom [minderjarige 1] . Om volledig te kunnen deelnemen aan en betrokken te kunnen zijn bij (de hulpverlening voor) [minderjarige 1] , is nodig dat hij over voldoende informatie over (de hulpverlening voor) [minderjarige 1] kan beschikken. Het betreft niet alleen informatie over de hulpverlening zelf, maar ook over de resultaten van die hulpverlening en medische informatie, zoals medicijngebruik. Verder is hij van mening dat het toekennen van gezamenlijk gezag een stimulans is voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , zodat hij vol kan participeren en betrokken kan zijn.
Het standpunt van de vrouw
4.3.
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man om partijen weer gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 1] te belasten. Zij betwist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, althans van een zodanige wijziging van omstandigheden die een wijziging rechtvaardigt van de beschikking van 21 oktober 2024, waarbij zij alleen is belast met het gezag over [minderjarige 1] . Ter onderbouwing van haar verweer voert de vrouw het volgende aan. De man is tot voorkort jarenlang niet betrokken geweest bij (de ontwikkeling van) [minderjarige 1] , heeft de hulpverlening voor [minderjarige 1] in ernstige mate bemoeilijkt door zijn toestemming te onthouden en is langdurig uit contact geweest met de GI. De man heeft pas sinds een half jaar weer contact met [minderjarige 1] , maar dit contact is nog heel beperkt. Het gebrek aan interesse in [minderjarige 1] in het verleden, maakt ook dat [minderjarige 1] zich afvraagt of de man nu wel oprecht geïnteresseerd is in haar. Het persoonlijke traject van [minderjarige 1] bij [hulpverlening] is goed verlopen. Eind februari 2026 volgt het behandelplan en zal worden begonnen met systeemtherapie. Het herstel van [minderjarige 1] is echter nog erg broos. De man heeft geen zicht op [minderjarige 1] en voelt nog altijd niet goed aan wat zij nodig heeft. Door hem weer te belasten met het gezag is het risico te groot dat dit weer voeding geeft aan een negatieve dynamiek. Bovendien vreest de vrouw dat de man andermaal langdurig uit contact gaat waarna hulpverlening weer stagneert. Er moet nu eerst worden geïnvesteerd in het traject bij [hulpverlening] en er moet verder worden gebouwd aan een goede vertrouwensbasis tussen de man en [minderjarige 1] . De man zal moeten laten zien dat zijn motieven oprecht zijn.
4.4.
[minderjarige 1] heeft zelf ook aangegeven dat zij eerst weer vertrouwen wil hebben in de man, voordat hij weer het gezag over haar krijgt. Gelet op de voorgeschiedenis is de voorzichtige toenadering die er nu is tussen de man en [minderjarige 1] onvoldoende om hem op dit moment weer met het gezag te belasten. Om betrokken te zijn en deel te nemen aan de hulpverlening voor [minderjarige 1] is het niet nodig dat de man over alle informatie beschikt. De informatie die hij nodig heeft om betrokken te zijn, kan hij krijgen in gesprekken met de hulpverlening. Zo heeft [minderjarige 1] toestemming gegeven dat de man bij evaluatiegesprekken aanwezig mag zijn. Voor zijn betrokkenheid en deelname aan de hulpverlening is het dus niet nodig dat hij met het gezag wordt belast.
Het standpunt van de GI
4.5.
De GI ondersteunt het verzoek van de man om partijen weer gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 1] te belasten. De GI heeft de man aangeraden het verzoek in te dienen bij de rechtbank. Volgens de GI is het in het belang van [minderjarige 1] dat partijen gezamenlijk worden belast met het gezag over haar. [minderjarige 1] zoekt de laatste tijd toenadering tot de man. Zij hebben vooral contact via WhatsApp. [minderjarige 1] heeft een tijd lang aangegeven dat zij niet wil dat man betrokken wordt bij haar behandeling(en), maar later wilde zij dat wel. Haar standpunt daarover is wisselend. Als de man mede wordt belast met het gezag, kan dat voor [minderjarige 1] ook erkenning zijn dat de man er voor haar is. Het is goed voor haar om te laten zien dat de man de betrokkenheid nu heeft. De man heeft het gezag nodig om betrokkenheid te krijgen. Ook de GI merkt dat het contact met [hulpverlening] rommelig verloopt. Het is belangrijk dat de man over voldoende informatie kan beschikken om volledig betrokken te kunnen zijn bij de behandeling van [minderjarige 1] . Dit kan hij nu niet, omdat hij niet het gezag over haar heeft en daardoor niet de beschikking krijgt over alle informatie met betrekking tot die behandeling. De GI mag immers alleen de informatie met de man delen, voor zover daarvoor toestemming is gegeven door de vrouw en [minderjarige 1] .
Tot slot is van belang dat de man ook weer in contact is met de GI. De GI ervaart volledige medewerking van de man. Verder heeft er de week voor de zitting een goed gesprek plaatsgevonden tussen de man, de vrouw en de GI. In dat gesprek hebben partijen samen de keuze gemaakt dat [minderjarige 2] , voor haar rust, hoofdzakelijk bij de man zal verblijven. De GI vindt het jammer dat partijen ter zitting weer tegenover elkaar staan. Zij hebben immers laten zien dat zij er samen voor de kinderen kunnen zijn en elkaar daarin kunnen steunen.
Het advies van de Raad
4.6.
De Raad adviseert het verzoek van de man om partijen weer gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 1] te belasten af te wijzen. De beslissing om de vrouw alleen met het gezag te belasten is nog vrij recent (21 oktober 2024). Een dergelijke beslissing wordt niet lichtvoetig genomen. Om betrokken te zijn bij [minderjarige 1] en om betrokkenheid te tonen bij haar behandeling(en) is het niet nodig dat de man wordt belast met het gezag over [minderjarige 1] . Als de vrouw en [minderjarige 1] toestemming geven aan [hulpverlening] om de man informatie te verstrekken, is er geen belemmering voor de man om als niet gezagdragende ouder betrokken te worden en zijn bij het traject. De Raad is van mening dat de man eerst moet laten zien dat hij betrokken blijft, voordat wordt gekeken naar een wijziging in het gezag. [minderjarige 1] heeft zelf duidelijk aangegeven dat zij niet wil dat de man het gezag over haar krijgt, omdat zij niet wil dat de man volledige inzage in het hulpverleningstraject krijgt. Gezien haar leeftijd, moet ook rekening worden gehouden met haar mening.
De overwegingen van de rechtbank
4.7.
Ingevolge artikel 1:253o van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast, gegeven ingevolge het bepaalde in de paragrafen 1, 2 en 2a van deze titel en het bepaalde in artikel 253n van dit boek, op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechtbank worden gewijzigd op grond dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan of dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. In geval van een wijziging van omstandigheden, moet de situatie sinds de uitspraak van de rechter zodanig zijn veranderd dat het niet langer in het belang van het kind is om het eenhoofdig gezag te handhaven.
4.8.
Voorop gesteld wordt dat het verzoek is ingediend een jaar nadat bij beschikking van 21 oktober 2024 het gezag over [minderjarige 1] aan de vouw alleen is toegekend. Uit de beschikking van 21 oktober 2024 volgt, samengevat, dat de GI destijds, ondanks meerdere pogingen daartoe, niet in samenwerking met de man kwam en dat de man niet meewerkte aan, en geen toestemming gaf voor, de benodigde hulpverlening voor [minderjarige 1] . Een (begin van een) samenwerking tussen de man en de vrouw kwam niet van de grond. Ook was er al langere tijd geen contact meer geweest tussen [minderjarige 1] en de man. [minderjarige 1] wilde geen contact met de man en de man ondernam zelf ook geen pogingen om met [minderjarige 1] in contact te komen.
4.9.
In de beschikking van 28 maart 2025, waarin de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is verlengd tot 3 oktober 2025, is onder meer overwogen dat [minderjarige 1] en de man nog steeds geen contact hadden met elkaar en dat de man nog steeds geen medewerking heeft willen verlenen en niet in contact heeft willen treden met de GI.
4.10.
In de beschikking van 15 oktober 2025, waarin de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is verlengd tot 3 april 2026, is onder meer overwogen dat [minderjarige 1] nog steeds klem zit tussen de ouders. De verstandshouding tussen de ouders kenmerkte zich door onderling wantrouwen en moeizame communicatie. [minderjarige 1] had daar last van. Verder is overwogen dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat de ouders zich op de toekomst gaan richten, waarvoor in ieder geval nodig is dat zowel de man als de vrouw zich committeren aan het systemische traject bij [hulpverlening]. Daarbij is benadrukt dat - om je te kunnen committeren aan een traject - je ook informatie nodig hebt over wat dat traject
inhoudt en hoe dat verloopt. De kinderrechter zag daarin een rol voor de GI.
4.11.
Uit voorgaande beschikkingen blijkt dat tot voorkort de omstandigheden waaronder het gezag aan de vrouw alleen is toegekend nog onverminderd in stand waren. Hoewel recent een aantal veranderingen heeft plaatsgevonden, is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment nog geen sprake van een zodanige wijziging van omstandigheden dat het niet langer in het belang van [minderjarige 1] is om het eenhoofdig gezag te handhaven. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de man in het recente verleden langdurig geen contact heeft gehad met [minderjarige 1] , langdurig uit contact is geweest met de GI en er lange tijd een slechte verstandhouding tussen hem en de vrouw is geweest. Er is de afgelopen jaren veel gebeurd en er zijn nog steeds zorgen over [minderjarige 1] wat de situatie ook kwetsbaar maakt. Sinds een half jaar is er weer wat contact tussen [minderjarige 1] en de man. Het contact is echter nog beperkt en het herstel van de vertrouwensband tussen [minderjarige 1] en de man is nog erg broos. Daarbij heeft [minderjarige 1] zelf aangegeven dat zij niet wil dat de man (op dit moment) het gezag over haar krijgt, omdat zij niet wil dat de man over alle informatie met betrekking tot de hulpverlening kan beschikken. Ook maakt één enkel goed gesprek tussen partijen (in aanwezigheid van de GI) nog niet dat kan worden gesproken van een bestendige lijn van goede samenwerking tussen partijen als ouders van [minderjarige 1] . De communicatie tussen partijen zal dusdanig moeten verbeteren dat zij, ook in de toekomst, in staat zijn om samen afspraken te maken althans samen tot beslissingen in het belang van [minderjarige 1] te komen. Verder zal het contact tussen de man en de GI en zijn betrokkenheid bij de behandeling van [minderjarige 1] bestendigd dienen te worden.
4.12.
De rechtbank benadrukt dat het gegeven dat de man weer in contact is met [minderjarige 1] en de GI en dat er positieve stappen worden gezet in de samenwerking tussen partijen als ouders een grote stap in de goede richting is. Het is heel belangrijk voor (de ontwikkeling van) [minderjarige 1] en voor haar relatie met de man, dat de man in contact blijft met [minderjarige 1] (op haar tempo) en dat hij zijn betrokkenheid bij haar en haar hulpverleningstraject(en) blijft laten zien. Alleen op die manier zal het vertrouwen van [minderjarige 1] (en de vrouw) in de (oprechtheid van) de betrokkenheid van de man kunnen groeien. Dit maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het gezag nu – opnieuw – gewijzigd moet worden. Hierin volgt de rechtbank het advies van de Raad. De rechtbank acht het niet noodzakelijk dat de man het gezag heeft over [minderjarige 1] en ook niet dat hij moet kunnen beschikken over alle informatie met betrekking tot de hulpverlening, om betrokken te worden en om betrokkenheid te tonen bij die hulpverlening. Zoals in de beschikking van 15 oktober 2025 is overwogen, heeft de man wel informatie nodig over wat het hulpverleningstraject inhoudt en hoe dat verloopt. Dat kan worden bereikt door het verstrekken van algemene informatie over het betreffende hulpverleningstraject, inzage in het behandelplan en de aanwezigheid van de man bij evaluatiegesprekken (waarvoor de vrouw en [minderjarige 1] ook al toestemming hebben gegeven).
4.13.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zich geen zodanige wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan dat het niet langer in het belang van [minderjarige 1] is om het eenhoofdig gezag van de vrouw te handhaven. Dit betekent dat het verzoek van de man zal worden afgewezen.
4.14.
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over (een van) hun kind(eren) gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

5.De beslissing

De rechtbank
wijst het verzoek van de man af;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.