Partijen, ouders van een minderjarige geboren in 2018, oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. De vrouw verzoekt de rechtbank om het gezag aan haar toe te wijzen en een duidelijke verdeling van vakanties en feestdagen vast te stellen. Zij stelt dat de man onvoldoende communiceert, waardoor de ontwikkeling en zorg van het kind worden belemmerd.
De man betwist dat het gezamenlijk gezag moet worden gewijzigd en erkent dat de communicatie beter kan, maar benadrukt het belang van gezamenlijke besluitvorming. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert het gezamenlijk gezag te handhaven.
De rechtbank overweegt dat de omstandigheden sinds de eerdere beschikking niet zodanig zijn veranderd dat het gezag moet worden gewijzigd. Wel is er overeenstemming bereikt over een gedetailleerde zorgregeling voor vakanties en feestdagen, die de rechtbank vaststelt. Tevens zijn afspraken gemaakt over de communicatie tussen partijen.
De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst overige verzoeken af. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.