Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2581

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 april 2026
Zaaknummer
C/02/444910 / JE RK 26-231
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens emotioneel trauma

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2018. De minderjarige verblijft in een perspectief biedend pleeggezin sinds september 2022, waarbij de maatregelen reeds meerdere malen zijn verlengd.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar er zijn ernstige zorgen over het emotioneel welzijn van de minderjarige, die lijdt aan een hechtingstrauma richting de moeder en parentificatie. Ondanks therapie van de moeder is er onvoldoende verbetering in haar pedagogische vaardigheden en het contact met de pleegouders. De minderjarige vertoont stress- en reactief gedrag rondom contactmomenten met de moeder.

De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden verlengd voor een jaar, mede omdat het perspectief van de minderjarige bij de pleegouders ligt. Tevens wordt het belang van het verbeteren van het contact tussen moeder en pleegouders benadrukt, met een voorstel voor een groepsapp om communicatie te bevorderen. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege de noodzaak voor de ontwikkeling van de minderjarige.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444910 / JE RK 26-231
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[pleegouder 1]en
[pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de stiefvader],
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van 4 februari 2026;
  • het bericht van de GI van 24 februari 2026 met bijlage.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de stiefvader;
  • de pleegouders;
  • twee vertegenwoordigsters van de GI.
- een vertegenwoordiger van de Raad.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 20 september 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 september 2022 en tot 20 maart 2023. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 20 september 2022 en tot 20 maart 2023. De maatregelen zijn daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 5 maart 2025 met ingang van 20 maart 2025 en tot 20 maart 2026.
2.3.
[minderjarige] verblijft in een perspectief biedend pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. Bij [minderjarige] is er sprake van emotioneel trauma. Ze lijkt last te hebben van een hechtingstrauma richting de moeder; alles wat met de moeder te maken heeft of aan haar doet herinneren lijkt haar van slag te maken. Tijdens speltherapie komen elementen als parentificatie naar voren. Haar binnenwereld lijkt onveilig, haar stresssysteem verhoogd, ze is alert en haar gevoel lijkt ze af te stemmen op de ander waarbij ze goedkeuring bij de ander zoekt. Ondanks dat de moeder beter in haar vel zit door haar therapie, lukt het haar niet om goed aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Wanneer de moeder spanning/stress ervaart heeft dit weerslag op [minderjarige] . Het reactieve gedrag van [minderjarige] nadat ze de moeder of de grootouders moederszijde heeft gezien, kan een aantal dagen aanhouden. Ze valt dan slecht in slaap, huilt snel, is opstandig etc. Ook voorafgaand aan de bezoeken heeft [minderjarige] last. Als ze weet dat ze de moeder gaat zien, stopt ze met eten en ervaart ze spanning en buikpijn. Hiernaast is er geen verbetering in het contact tussen de moeder en de pleegouders. De moeder heeft hier geen behoefte aan, maar dit zou wel goed zijn voor [minderjarige] . Inmiddels is de redelijke termijn voor [minderjarige] verstreken en is een aanvraag tot een gezag beëindigende maatregel van toepassing. Er is dan ook een verzoek tot onderzoek gedaan bij de Raad. Echter zal dit niets veranderen voor de omgang tussen de moeder en [minderjarige] . Het lukt moeder tot op heden onvoldoende om haar pedagogische vaardigheden te vergroten. Het perspectief van [minderjarige] ligt dan ook bij de pleegouders.
4.2.
Door de moeder is gesteld dat het goed met haar gaat. Ze heeft therapie gehad en is nu ook gestart met PMT. Het klopt dat er geen contact is met de pleegouders, omdat dit niet mag. De moeder weet niet waar ze wonen en heeft ook geen telefoonnummer. Ze kan simpelweg geen contact met ze opnemen. De moeder zou wel graag contact willen met de pleegouders. Het zou makkelijk zijn als ze elkaar bijvoorbeeld kunnen appen, zonder dat er een tussenpersoon tussen de communicatie zit. De moeder beseft dat het voor [minderjarige] beter is dat ze bij de pleegouders woont, omdat de moeder nog niet goed voor haar kan zorgen. De moeder vindt het wel lastig dat er nu een verzoek tot onderzoek naar een gezag beëindigende maatregel ligt. Ze heeft langer de tijd nodig om aan zichzelf te werken in therapie. [minderjarige] reageert heftig op de moeder, maar dit ligt niet aan de moeder. Het ligt aan het feit dat ze overal heftig op reageert. De moeder hoopt dat [minderjarige] uiteindelijk thuis geplaatst kan worden en begrijpt dat dit niet in één keer kan, maar dat dit moet worden opgebouwd. Op dit moment kan het verzoek dan ook worden toegewezen.
4.3.
Door de stiefvader is gesteld dat hij [minderjarige] momenteel één keer in de zes weken ziet. Hij gaat samen met de moeder naar de bezoeken. Dit verloopt goed en [minderjarige] laat zien dat ze blij is.
4.4.
Door de pleegmoeder is gesteld dat het goed gaat met [minderjarige] . De pleegouders hebben steun vanuit [hulpverlening] en vanuit de GI wanneer dit nodig is. De pleegmoeder vindt dat het verzoek van de GI moet worden toegewezen. Het gaat niet alleen om de situatie van de moeder die verbeterd moet worden, maar ook [minderjarige] vraagt meer opvoedvaardigheden van de pleegouders dan een gemiddeld kind.
4.5.
Door de pleegvader is gesteld dat het goed gaat met [minderjarige] bij de pleegouders thuis. [minderjarige] laat steeds meer veerkracht zien. Bepaalde situaties blijven moeilijk voor haar en hier reageert ze op, maar de pleegouders proberen haar hier zoveel mogelijk in te ondersteunen. Het verzoek dient te worden toegewezen.
4.6.
Door de Raad is gesteld dat ze het verzoek tot onderzoek naar een gezag beëindigende maatregel gaan uitvoeren. Er is een wachtlijst, dus het zal nog zes maanden duren voordat de Raad dit onderzoek kan starten. De Raad heeft gelezen dat de moeder niet altijd op een passende wijze aan kan sluiten bij [minderjarige] en dat [minderjarige] heftig kan reageren voor en na het contact met de moeder. Ook is er nog geen verbetering in het contact tussen de moeder en de pleegouders. [minderjarige] kan momenteel niet thuis wonen en zit op haar plek in het pleeggezin. Deze plek moet gewaarborgd blijven. Hiernaast vindt de Raad het belangrijk dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over haar perspectief. De Raad gunt het [minderjarige] dat ze mag opgroeien in het pleeggezin en dat ze goed contact heeft met haar ouders. Het verzoek dient dan ook te worden toegewezen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader verlenging ondertoezichtstelling
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Wettelijk kader verlenging machtiging uithuisplaatsing
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de zorgen omtrent [minderjarige] nog steeds aanwezig zijn. Er is sprake van emotioneel en hechtingstrauma richting de moeder, er is sprake van parentificatie en haar binnenwereld lijkt onveilig voor haar te zijn. De kinderrechter vindt het goed van de moeder dat ze therapie aangaat en geeft haar hier dan ook een compliment voor. Echter is ook gebleken dat het de moeder niet lukt om op een passende wijze bij [minderjarige] aan te sluiten. Ook maakt de kinderrechter zich zorgen om het gedrag dat [minderjarige] voor en na een bezoek met de moeder en de stiefvader laat zien. Hij vindt het dan ook belangrijk dat de GI blijft monitoren om zo in te schatten of de frequentie van het contact tussen de moeder en [minderjarige] nog wel in het belang van [minderjarige] is. Daarbij is er nog steeds geen verbetering in het contact tussen de pleegouders en de moeder. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat dit contact er wel gaat komen, zeker nu de moeder tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat ze hiervoor open staat. De GI dient hier dan ook mee aan de slag te gaan door bijvoorbeeld een groepsapp in te stellen, waarin zowel de moeder, de stiefvader, de pleegouders als de jeugdbeschermer zit. Op deze manier zijn de lijntjes kort en kan de band tussen de pleegouders en de moeder verbeteren. Dit alles ten behoeve van [minderjarige] . Momenteel is er gezien het bovenstaande nog regie nodig in het dwangkader en de kinderrechter zal het - onweersproken - verzoek van de GI dan ook toewijzen. De kinderrechter merkt hierbij ten overvloede op dat wat er uit het onderzoek van de Raad komt ten aanzien van de gezag beëindigende maatregel geen invloed heeft op het contact dat er tussen de moeder en [minderjarige] en de pleegouders en de moeder moet zijn.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 20 maart 2026 en tot 20 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 20 maart 2026 en tot 20 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint, griffier, en op schrift gesteld
op 17 maart 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.