De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds 2022 onder toezicht staat en in een pleeggezin verblijft.
Tijdens de zitting op 4 maart 2026 waren de moeder, vader, pleegouders, een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming en vertegenwoordigers van de GI aanwezig. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat het over het algemeen goed gaat met de minderjarige in het pleeggezin, hoewel hij gevoelig is en behoefte heeft aan structuur en voorspelbaarheid. De ouders tonen weinig initiatief in het contact en er is geen positieve ontwikkeling in de omgang met de minderjarige.
De kinderrechter benadrukt het belang van het verbeteren van het contact tussen ouders en pleegouders, onder meer door het instellen van een groepsapp. De moeder wordt geprezen voor haar therapie-inspanningen, maar het belasten van de minderjarige met volwassenzaken wordt afgeraden. De kinderrechter wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de OTS en machtiging tot uithuisplaatsing toe en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad vanwege de noodzaak van continuïteit in de zorg.
De beslissing is op 4 maart 2026 in het openbaar uitgesproken en schriftelijk vastgelegd op 17 maart 2026. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.