Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2584

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 april 2026
Zaaknummer
C/02/445398 / JE RK 26-325
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wegens kindermishandeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen vanwege vermoedens van kindermishandeling. Eén kind verbleef reeds op een geheime crisisplek na een eerdere beschikking. De kinderrechter voerde een zitting met gesloten deuren waarbij ook de mening van de kinderen werd gehoord.

De feiten tonen aan dat het oudste kind mishandeld is, met bevestiging van letsel door een verpleegkundige. De vader heeft toegegeven het kind eenmalig te hebben geslagen, maar ontkent ernstiger mishandeling. De situatie is zorgelijk, mede door een belaste voorgeschiedenis en mogelijke hechtingsproblematiek. De jongere kinderen verblijven nog thuis, maar de thuissituatie is gespannen en er is sprake van huiselijk geweld.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van alle drie de kinderen acuut en ernstig wordt bedreigd. Daarom wordt de voorlopige ondertoezichtstelling voor drie maanden verlengd en wordt de uithuisplaatsing van het oudste kind voor dezelfde periode gemachtigd. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er is ruimte voor hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling en machtigt de uithuisplaatsing van het oudste kind voor drie maanden wegens ernstige bedreiging van de ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445398 / JE RK 26-325
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1]
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 2]
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 2]
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. I.A.C. Cools uit Tilburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. I.A.C. Cools uit Tilburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 24 februari 2026;
  • de berichten met bijlagen van 3 maart 2026 van mr. Koop-Van Vliet;
  • het bericht met bijlage van 4 maart 2026 van mr. Koop-Van Vliet.
1.2.
Op 4 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat en een tolk [persoon 1] ;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan een stagiair vanuit de Raad, [persoon 2] .
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij de ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 februari 2026 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 24 februari 2026 tot 10 maart 2026. Tevens is bij diezelfde beschikking een machtiging verleend [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 februari 2026 tot 10 maart 2026. Het overige deel van het verzoek van de Raad is aangehouden.
2.4.
Op basis van de voorgenoemde machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [minderjarige 1] op een (geheime) crisisplek.

3.Het verzoek

3.1.
Aan de orde is het overige deel van het verzoek van de Raad om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden, te weten tot 24 mei 2026.
3.2.
Tevens is aan de orde het overige deel van het verzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden, te weten tot 24 mei 2026.
3.3.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

Standpunt van de Raad
4.1.
De Raad legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. [minderjarige 1] heeft op school onder andere aangegeven dat zij mishandeld is. Hier is vervolgens op adequaat op gereageerd, door [minderjarige 1] te laten onderzoeken door een verpleegkundige. Het letsel bij [minderjarige 1] leek volgens de verpleegkundige te bevestigen wat [minderjarige 1] heeft verteld. Het lukte vervolgens niet goed om in samenwerking te komen met de ouders, omdat zij de situatie heel moeilijk vonden. Daarnaast heeft een dergelijk incident eerder al plaatsgevonden, namelijk in 2021, toen [minderjarige 1] ook aan had gegeven thuis mishandeld te worden. De Raad betreurt het dat er destijds niet beter ingestoken is op [minderjarige 1] vanuit de hulpverlening. Gelet op de voorgenoemde zorgen, kan [minderjarige 1] momenteel niet naar huis. Er dient zicht te komen op [minderjarige 1] en hoe de huidige situatie is ontstaan. Ook is de plaatsing van [minderjarige 1] momenteel nog geheim en dient er zorgvuldig gekeken te worden hoe het contact tussen [minderjarige 1] en de ouders hersteld kan worden, voordat [minderjarige 1] eventueel weer naar huis zou kunnen gaan. Daar is voldoende tijd voor nodig en de verwachting is dat dit niet binnen een maand zal plaatsvinden. De Raad verzoekt daarom een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie maanden.
4.2.
Verder verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 3] momenteel nog bij de ouders. Een voorlopige ondertoezichtstelling is ook nodig voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , omdat zij momenteel nog bij de ouders verblijven en er zicht dient te komen op hun situatie. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] waren namelijk aanwezig in een thuissituatie waarin sprake is geweest van huiselijk geweld. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dienen mee te worden genomen in het verdere onderzoek naar de situatie. Daarbij is noodzakelijk dat er zicht komt op de thuissituatie en dat er gekeken wordt wat er nodig is aan hulpverlening binnen het gezin. Hiervoor is meer nodig dan enkel een forensisch onderzoek bij de kinderen. Ook dient de GI toezicht te houden op de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tijdens het verdere onderzoek. Daar is ook voldoende tijd voor nodig, waardoor de Raad ook voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een voorlopige ondertoezichtstelling verzoekt voor de duur van drie maanden.
Mening van de kinderen
4.3.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter vertelde [minderjarige 1] dat zij op school heeft verteld dat zij thuis geslagen zou zijn. Vervolgens is [minderjarige 1] meegenomen naar Sterk Huis. [minderjarige 1] is onderzocht door een verpleegkundige en die heeft het letsel van [minderjarige 1] bevestigd. Het is de tweede keer dat [minderjarige 1] bij Sterk Huis verblijft. Eerder in 2021 heeft [minderjarige 1] daar verbleven, waarna zij weer naar huis is gegaan en het mishandelen weer is begonnen. [minderjarige 1] wil de komende tijd niet meer naar huis. Zij wil bij Sterk Huis blijven.
4.4.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter vertelde [minderjarige 2] dat zij niet precies wist waarom zij een gesprek had met de kinderrechter. [minderjarige 2] wist enkel dat [minderjarige 1] momenteel niet thuis woont, maar [minderjarige 2] weet niet waarom dat is. [minderjarige 2] gaf haar leven momenteel het cijfer negen. Voor school gaf zij het cijfer acht en haar ouders geeft zij het cijfer tien. Verder gaf [minderjarige 2] aan dat haar ouders mogelijk wel hulp nodig hebben, maar zij wist niet precies waarvoor, mogelijk iets in verband met [minderjarige 1] . Ook vertelde [minderjarige 2] dat haar band met [minderjarige 1] wisselend is, maar dat zij [minderjarige 1] wel mist. Met [minderjarige 3] gaat het verder goed.
Standpunt van de ouders
4.5.
Door en namens de ouders is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. Een vader van een klasgenoot van [minderjarige 1] had de vader benaderd over het gedrag van [minderjarige 1] richting haar klasgenoot. De vader heeft [minderjarige 1] hiermee geconfronteerd, echter bleef [minderjarige 1] liegen en ontkennen. Vervolgens heeft de vader op de telefoon van [minderjarige 1] gekeken, waar hij veel pornografische afbeeldingen aantrof. Ook zag de vader dat [minderjarige 1] op een vervelende en dwingende manier contact had met haar klasgenoot. Uiteindelijk heeft de vader [minderjarige 1] met zijn hand op haar benen geslagen. De vader betreurt het dat hij [minderjarige 1] heeft geslagen en geeft aan dat hij dat absoluut niet had moeten doen. Het is onduidelijk of wat [minderjarige 1] zegt volledig klopt. De vader ontkent dat hij [minderjarige 1] met lepels heeft geslagen of in haar gezicht heeft geslagen. Eerder heeft de Raad al vastgesteld dat er sprake is van zorgelijk gedrag bij [minderjarige 1] , waaronder hechtingsproblematiek en mogelijk trauma. Ook is toen vastgesteld dat er geen sprake is van structurele mishandeling. Het is jammer dat er destijds geen hulpverlening is ingezet. De ouders hebben namelijk altijd open gestaan voor hulpverlening. Toen het incident op school gebeurd was, heeft de vader een Nederlandse familie gevraagd om mee te gaan naar school ter ondersteuning. De moeder was daar niet bij aanwezig.
4.6.
Vervolgens moesten de ouders allerlei formulieren ondertekenen voor de onderzoeken van de kinderen, maar dat weigerden de ouders zonder een vertaling van de formulieren. De kinderen mogen echter wel onderzocht worden. De ouders hebben niets te verbergen en het gaat goed thuis. Doordat de ouders meewerken, is het de vraag of de spoedmaatregelen op de juiste gronden zijn verleend. De advocaat verzoekt primair de maatregelen ten aanzien van [minderjarige 1] te verlengen voor maximaal een maand. De advocaat acht het van belang dat er binnen een maand duidelijkheid komt over de thuissituatie en het accepteren van hulpverlening vanuit de ouders. Ook dienen de kinderen gezien te worden door het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) en moet de komende maand duidelijk worden of [minderjarige 1] naar huis kan of niet. Ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verzoekt de advocaat het verzoek tot een voorlopige ondertoezichtstelling af te wijzen, omdat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en de ouders open staan voor hulpverlening.
Standpunt van de GI
4.7.
De GI sluit aan bij het standpunt van de Raad. Er is sprake van een zorgelijke situatie, met name ten aanzien van [minderjarige 1] . Er zijn enorm veel zorgen naar voren gebracht, zoals de zorgelijke voorgeschiedenis van [minderjarige 1] en de zorgen over hechtingsproblematiek. De GI wil meer zicht krijgen op [minderjarige 1] . Hiervoor dient [minderjarige 1] geobserveerd te worden bij Sterk Huis, waarna er diagnostiek en behandeling kan plaatsvinden. Daarnaast acht de GI het van belang dat er zicht komt op het systeem en dat er systemische hulpverlening wordt ingezet. Daarbij worden zowel de ouders als [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] meegenomen. Zonder een voorlopige ondertoezichtstelling ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kan de GI onvoldoende onderzoek doen naar hun situatie en eventuele zorgen en kunnen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onvoldoende worden meegenomen in de hulpverlening. Verder is een duur van een maand te kort voor de maatregelen, omdat er onderzoek moet worden gedaan, hulpverlening moet worden ingezet en de situatie gemonitord moet worden.

5.De nadere beoordeling

De spoedbeslissing
5.1.
De kinderrechter dient, na het horen van de betrokkenen, te beoordelen of zich feiten en/of omstandigheden voordoen die er toe moeten leiden dat de spoedbeslissing van 24 februari 2026 moet worden herroepen.
5.2.
Bij voornoemde beschikking van 24 februari 2026 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 24 februari 2026 tot 10 maart 2026. Tevens is bij diezelfde beschikking een machtiging verleend [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 24 februari 2026 tot 10 maart 2026. Die beslissing is gegeven zonder daaraan voorafgaand horen van partijen. Het verzoek is verder aangehouden tot de zitting van 4 maart 2026. Tijdens de zitting zijn de belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de beslissing van 24 februari 2026 zou moeten worden herroepen. Op dat moment werd aan de gronden voor de maatregelen voldaan en de beslissing is op de juiste wijze genomen.
5.3.
Nu de kinderrechter hierna zal beslissen op het reguliere verzoek tot een machtiging om [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek om een spoedmachtiging te verlenen, afwijzen.
De voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1]
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is voldaan (artikel 1:257 Burgerlijk Pro Wetboek, hierna BW). Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] uit huis wordt geplaats (artikel 1:265b, eerste lid, BW). De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.5.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht blijkt dat er veel zorgen zijn rondom [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt en er is sprake van een belaste voorgeschiedenis. Er zijn zorgen over mogelijke hechtingsproblematiek en/of trauma bij [minderjarige 1] . Wat [minderjarige 1] heeft verteld over de situatie verschilt veel van wat de ouders daarover vertellen. [minderjarige 1] heeft namelijk aangegeven een vuist op haar neus te hebben gehad, met een houten lepel tegen haar mond te zijn geslagen en te zijn vastgebonden met een touw. De vader geeft aan dat hij [minderjarige 1] enkel eenmalig op haar benen heeft geslagen met zijn hand. Hoewel de vader aangeeft dat het hem enorm spijt, staat wel vast dat de vader [minderjarige 1] heeft geslagen. Er moet onderzocht worden waarom dit is gebeurd en hoe er kan worden voorkomen dat het nogmaals gebeurd. Ook indien blijkt dat [minderjarige 1] niet geheel de waarheid heeft gesproken, dient te worden onderzocht waar deze uitspraken van [minderjarige 1] vandaan komen. De uitspraken van [minderjarige 1] zijn namelijk hoe dan ook zorgelijk. Gelet op de zorgen is het op dit moment niet mogelijk voor [minderjarige 1] om thuis te wonen. In verband met de veiligheid van [minderjarige 1] acht de kinderrechter het daarom van belang dat [minderjarige 1] de komende tijd bij Sterk Huis blijft. Hoewel de ouders aangeven open te staan voor de hulpverlening, acht de kinderrechter hen op dit moment niet in staat om zelfstandig de zorgen rondom de ontwikkeling van [minderjarige 1] weg te nemen. De kinderrechter acht het van belang dat er de komende periode zicht komt op [minderjarige 1] , door middel van observatie bij Sterk Huis en vervolgens diagnostiek en behandeling. Daarnaast dient er zorgvuldig gekeken te worden of en hoe het contact tussen [minderjarige 1] en de ouders mogelijk hersteld kan worden. Ook dient er gekeken te worden welke hulpverlening er noodzakelijk is voor [minderjarige 1] en de ouders.
5.6.
Gelet op de verwachte tijd die hiervoor noodzakelijk is, stelt de kinderrechter [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht met ingang van 10 maart 2026 tot 24 mei 2026. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen met ingang van 10 maart 2026 tot 24 mei 2026.
De voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
5.7.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is voldaan (1:257 BW). Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.8.
Hoewel er vanuit [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geen signalen komen dat er sprake is van kindermishandeling, is de huidige situatie ook van invloed op de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven namelijk in een thuissituatie, waarin sprake is geweest van huiselijk geweld vanuit de vader richting [minderjarige 1] . De huidige situatie rondom [minderjarige 1] , met name haar uithuisplaatsing, zorgt voor onzekerheid en spanning binnen het gezin. De kinderrechter stelt daarmee vast dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] acuut en ernstig wordt bedreigd. Er is momenteel onvoldoende zicht op de thuissituatie en daarmee de zorgen rondom [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , ook gelet op het feit dat de verhalen vanuit de kinderen zo sterk uiteenlopen. De kinderrechter acht het van belang dat de Raad onderzoek doet naar de thuissituatie en zicht krijgt op de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Ook acht de kinderrechter het van belang dat er hulpverlening kan worden ingezet binnen het systeem, indien dat noodzakelijk wordt geacht. Zonder een voorlopige ondertoezichtstelling ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kan de GI onvoldoende onderzoek doen naar hun situatie en eventuele zorgen en kunnen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onvoldoende worden meegenomen in de hulpverlening. De kinderrechter acht het echter van belang dat er ook ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onderzoek wordt gedaan en hulpverlening wordt ingezet.
5.9.
Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht met ingang van 10 maart 2026 tot 24 mei 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.11.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 10 maart 2026 tot 24 mei 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 maart 2026 tot 24 mei 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.