De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen, geboren in 2011, 2013 en 2014, die bij hun moeder wonen. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot 14 maart 2026.
De gecertificeerde instelling stelt dat de kinderen nog steeds ernstig worden belast door de complexe scheiding en spanningen tussen de ouders. Contact tussen de kinderen en de vader verloopt moeizaam, waarbij twee kinderen geen contact meer willen en het contact van het derde kind onder druk staat. Hulpverlening is ingezet, maar heeft onvoldoende effect. De vader houdt zich niet aan afspraken en de moeder heeft moeite haar emoties buiten de kinderen te houden.
De kinderrechter oordeelt dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet met vrijwillige hulp kan worden weggenomen en dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft. De verlenging wordt daarom voor een jaar toegekend, met het oog op het traject bij een psychologenpraktijk en het opstellen van een ouderschapsplan. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.