Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2586

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 april 2026
Zaaknummer
C/02/444319 / JE RK 26-131
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens onopgeloste omgangsregeling en ontwikkelingsbedreiging minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant verzoekt om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2016, die woont bij zijn moeder. De vader en moeder zijn niet in staat om samen tot een passende omgangsregeling te komen, mede door de complexe persoonlijke omstandigheden van de vader en het overlijden van diens partner.

De kinderrechter neemt mee dat de minderjarige aanvankelijk niet bij de vader wilde overnachten, maar recentelijk heeft aangegeven dit wel te willen. De GI heeft hulpverlening ingezet en wil onderzoeken of de wens van de minderjarige authentiek is en of de opvoedsituatie bij de vader geschikt is. De afstand tussen de ouders en de gezondheidsproblemen van de vader bemoeilijken de omgang.

De moeder onderschrijft de noodzaak van verlenging vanwege het verdriet van de minderjarige en de wisselende wensen omtrent overnachtingen. De vader is bereid meer nabijheid te zoeken en wil een omgangsregeling met overnachtingen en beeldbelcontact.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door de langdurige strijd tussen ouders en het ontbreken van een passende omgangsregeling. Vrijwillige hulpverlening is onvoldoende omdat ouders niet in staat zijn tot overleg. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor een jaar en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd voor de duur van een jaar wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en het ontbreken van een passende omgangsregeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444319 / JE RK 26-131
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Tilburg ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.C. Hissink uit Tilburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026;
  • het e-mailbericht van de moeder van 3 maart 2026, met daarin de reactie van [minderjarige] op de uitnodiging voor het kindgesprek;
  • het e-mailbericht van de vader van 3 maart 2026, met het verzoek om digitaal bij de zitting aan te sluiten.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader (via Teams);
- de vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft kort samengevat wat [minderjarige] over het verzoek tegen zijn moeder heeft verteld en [minderjarige] per e-mail van 2 maart 2026 aan de kinderrechter heeft bericht. De aanwezigen hebben hierop mogen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 26 juni 2025 heeft het gerechtshof het volgende bepaald:
‘wijzigt de omgangsregeling zoals vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Zeeland-
West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 juni 2023 en stelt vast dat [minderjarige] en de vader
vanaf 28 juni 2025 omgang met elkaar hebben een keer per twee weken op (in beginsel)
zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur. Hierbij wordt [minderjarige] de ene keer door de vader thuis
om 10.00 uur opgehaald en thuis teruggebracht om 16.00 uur. De andere keer brengt de
moeder [minderjarige] om 10.00 uur bij de vader, en haalt zij [minderjarige] om 16.00 uur bij de vader op.
Wanneer de vader of de moeder op vakantie is vervallen de omgangsmomenten en deze
worden hervat zodra de ouder terug van vakantie is.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 september 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 8 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI baseert het verzoek op het volgende. De GI wil onderzoeken waarom [minderjarige] anders denkt over de omgang met de vader. Waar hij eerst niet bij zijn vader wilde overnachten, heeft hij blijkens de beschikking van de kinderrechter van 12 september 2025 in het kindgesprek verteld dat hij wel bij de vader wil overnachten. De GI heeft het schoolmaatschappelijk werk gevraagd om hierover gesprekken met [minderjarige] te voeren. De GI heeft [hulpverlening] bij de vader ingezet om zicht te krijgen op zijn opvoedvaardigheden. Er zijn geen zorgen gezien. De partner van de vader is in december 2025 zeer onverwacht overleden. Na een korte pauze is de omgang herstart met een beeldbelmoment. De vader heeft bij de rechtbank en het gerechtshof verteld dat hij gediagnosticeerd is met chronisch non-ischemisch linkszijdig hartfalen. Reizen of inspanning is voor hem problematisch en belastend. Voor de GI is het van belang om te weten wat de belastbaarheid van de vader eigenlijk is. Ook wil de GI onderzoeken of de vader kan reizen, of hij de zorg voor [minderjarige] alleen aan kan en of hij voldoende beschikbaar is voor [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] inmiddels een paar keer gezien op het kantoor van de GI te [plaats] . De reistijd tussen de woning van de moeder en de vader bedraagt 2 uur en 37 minuten. Hierdoor is de uitvoering van de omgangsregeling zoals vastgesteld door het gerechtshof niet mogelijk. Het is aan de vader om [minderjarige] regelmatig in [plaats] te zien en om inzicht te geven in zijn persoonlijke situatie. De GI zou zich kunnen vinden in een regeling waarbij de vader om de week met [minderjarige] (beeld) belt. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is nodig, om te onderzoeken of de wens van [minderjarige] in de praktijk kan worden gebracht en om vast te stellen welke omgangsregeling in het belang is van [minderjarige] .
4.2.
De moeder geeft aan dat [minderjarige] veel verdriet heeft van het overlijden van zijn opa (moederszijde). Dat was zijn beste vriend. De moeder vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling nog zeker nodig. Als de ondertoezichtstelling zou worden beëindigd, zou dat betekenen dat er teruggegrepen moet worden naar de omgangsregeling van de laatste uitspraak, wat volgens de moeder niet in het belang van [minderjarige] is. De moeder vindt het fijn dat de GI betrokken blijft. Volgens de moeder is [minderjarige] wisselend in zijn wens om bij de vader te overnachten. De moeder begrijpt niet dat de vader nog verder op afstand is gaan wonen. Daar komt bij dat de persoonlijke situatie van de vader door het wegvallen van zijn partner volledig anders is geworden. De advocaat van de moeder voegt hier nog aan toe dat deze ouders al jaren met elkaar in procedures verwikkeld zijn, maar dat er nog steeds zorgen zijn om [minderjarige] . Het zou positief zijn als de vader meer in nabijheid van [minderjarige] komt wonen. Volgens de advocaat zou het voor alle betrokkenen het fijnste zijn als er duidelijkheid komt. Een regeling voor beeldbellen zou daarbij helpend kunnen zijn. De moeder kan zich op dit punt vinden in het voorstel van de GI.
4.3.
De vader wil graag werken aan een goede omgangsregeling. Het is voor hem lastig om zelfstandige woonruimte te vinden. De vader mag nog twee maanden in zijn huidige woning blijven wonen. De vader is bereid om meer in nabijheid van [minderjarige] te gaan wonen, maar dat betekent wel dat hij zijn hele persoonlijke situatie daaraan moet aanpassen. De vader is het dan ook eens met de ondertoezichtstelling. Volgens de vader is een omgangsregeling makkelijker uitvoerbaar, als [minderjarige] bij hem mag overnachten. De vader zou daarnaast graag (beeld)belcontact met [minderjarige] hebben. De vader laat het aan [minderjarige] over, of hij met de vader wil praten. Verder zou de vader graag zien dat [minderjarige] eens per veertien dagen bij hem komt overnachten. Eens per maand zou de vader [minderjarige] in [plaats] kunnen opzoeken.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de
minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen
niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag
uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige
aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en
opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige] is opgegroeid in de jarenlange strijd tussen zijn ouders. [minderjarige] is steeds standvastig geweest in zijn stelling dat hij niet bij de vader wil overnachten. Vervolgens heeft hij echter aangegeven dat hij nu wel bij de vader wil overnachten. Met de GI is de kinderrechter van oordeel dat het van belang is, dat goed wordt onderzocht of de wens van [minderjarige] authentiek is en of de opvoedsituatie bij de vader geschikt is om hem daar te laten overnachten. Met de ouders is de kinderrechter bovendien van oordeel dat verlenging van de ondertoezichtstelling nog noodzakelijk is, omdat zij nog niet in staat zijn om in onderling overleg tot een voor [minderjarige] passende omgangsregeling te komen en dat daarvoor de tussenkomst en ondersteuning vanuit de GI essentieel is. [minderjarige] heeft overigens ook aangegeven dat hij het fijn vindt dat de GI betrokken blijft. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat hij een goed en regelmatig contact heeft met de vader op een manier en voor de duur die bij [minderjarige] past. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders niet in staat zijn om met elkaar over [minderjarige] te overleggen.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 8 maart 2026 tot 8 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.