Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2587

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 april 2026
Zaaknummer
C/02/445329 / JE RK 26-303
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige voor drie maanden toegekend

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 4 maart 2026 een beschikking gegeven inzake een machtiging gesloten jeugdhulp voor een minderjarige geboren in 2010. Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg verzocht om een machtiging voor zes maanden, maar de kinderrechter besloot tot een machtiging van drie maanden met aanhouding van het resterende verzoek.

De minderjarige verblijft momenteel in een gesloten accommodatie en heeft positieve stappen gezet, waaronder het hervatten van school en het opbouwen van een vertrouwensband met de begeleiding. Ondanks deze vooruitgang zijn er nog ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid belemmeren, waaronder moeite met vertrouwen, emotieherkenning en beïnvloedbaarheid.

De kinderrechter acht het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk om te voorkomen dat de minderjarige zich onttrekt aan de benodigde hulp. Zowel de minderjarige als haar ouders stemmen in met het verblijf. De kinderrechter benadrukt de ingrijpende aard van de maatregel en stelt dat de duur beperkt moet blijven, met een vervolgzitting gepland om de situatie opnieuw te beoordelen.

De beschikking is openbaar uitgesproken door kinderrechter Sumner en griffier Van Oorschot. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Machtiging gesloten jeugdhulp voor drie maanden toegekend met aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445329 / JE RK 26-303
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE TILBURG, hierna te noemen: het college,
gevestigd te Tilburg ,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. V.C. Andeweg uit Breda.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] , België.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 februari 2026;
  • de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper, de heer drs, [persoon 1] , van 26 februari 2026, ontvangen op 2 maart 2026;
  • de brief van de vader, ontvangen op 4 maart 2026;
  • .
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met haar advocaat;
- de moeder, bijgestaan door een tolk [persoon 2] ;
- een vertegenwoordiger van het college en een vertegenwoordiger vanuit [accommodatie] .
1.3.
De vader heeft in zijn brief, ontvangen op 4 maart 2026, aangegeven dat hij niet aanwezig zal zijn bij de zitting. De vader is vervolgens niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter in aanwezigheid van de advocaat van [minderjarige] . Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 27 november 2025 van deze rechtbank heeft de kinderrechter voor [minderjarige] een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 27 november 2025 tot 11 december 2025 onder aanhouding van het overige deel van het verzoek.
2.3.
Vervolgens heeft de kinderrechter bij beschikking van 5 december 2025 van deze rechtbank in de zaak met kenmerk C/02/442414 / JE RK 25-2109 het resterende deel van het verzoek strekkende tot een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp afgewezen en in de zaak met kenmerk C/02/442415 / JE RK 25-2110 voor [minderjarige] een machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 5 december 2025 tot uiterlijk 5 maart 2026.
2.4.
[minderjarige] verblijft momenteel op basis van de voorgenoemde machtiging bij [locatie] te [plaats] .
2.5.
De vader en de moeder stemmen in met het verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.

3.Het verzoek

3.1.
Het college verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.

4.De standpunten

4.1.
Het college legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. Er is de afgelopen periode veel gebeurd. Kort na de plaatsing bij [locatie] is [minderjarige] erachter gekomen dat zij zwanger was. Uiteindelijk heeft zij besloten abortus te laten plegen. Hierna bloeide [minderjarige] op, waardoor [minderjarige] zich meer openstelde voor de hulpverlening en meer in contact is gekomen. Momenteel wil [minderjarige] zelf bij [locatie] blijven. Het contact met de begeleiding, de duidelijkheid, de structuur en het ritme ervaart [minderjarige] als prettig. Hoewel [minderjarige] positieve stappen zet, is haar ontwikkeling nog kwetsbaar. [minderjarige] heeft moeite om mensen te vertrouwen, met name hulpverlening. Ook heeft [minderjarige] moeite met emotie(h)erkenning, emotieregulatie en met het delen van haar mening. De verlofmomenten naar [woonplaats 1] zijn lastig voor [minderjarige] en het contact met de moeder ervaart zij als onprettig, vanwege negatieve herinneringen. [minderjarige] is bang om terug te vallen in haar oude gedrag. Verder is er de afgelopen periode onvoldoende ingezet op het zoeken naar de identiteit van [minderjarige] , vanwege het wantrouwen in anderen, de overweging tot abortus en de korte periode dat [minderjarige] bij [locatie] verblijft. Er zijn nog steeds grote zorgen om de beïnvloedbaarheid van [minderjarige] . Ook is zij afhankelijk in relaties. Indien [minderjarige] wordt teruggeplaatst naar [woonplaats 1] komt haar ontwikkeling in het geding. Momenteel is er een prille vertrouwensband opgebouwd tussen [minderjarige] en [locatie] . Dit en de ontwikkelingen die zij recent en momenteel doormaakt maken dat stabiliteit van omgeving essentieel is. De zorg vanuit [accommodatie] is dat [minderjarige] het vertrouwen in de hulpverlening verliest, als zij nu weg moet bij [locatie] . Ook is er tot op heden geen nieuwe passende plaatsing gevonden door Crossroads, waardoor continuïteit van passende hulpverlening niet gewaarborgd is, indien [minderjarige] niet bij [locatie] blijft. Het college verzoekt een machtiging voor de duur van zes maanden. Indien het mogelijk is en in het belang van [minderjarige] wordt geacht, kan zij altijd eerder naar een vervolgplek. Het college geeft verder aan ook in te kunnen stemmen met een duur van drie maanden en een aanhouding van het overige deel van het verzoek.
4.2.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] verteld dat het goed met haar gaat. Op dit moment geeft zij haar leven het cijfer acht. [minderjarige] gaat elke dag naar school en dit verloopt goed. Ook stelt [minderjarige] zich meer open en gaat zij in gesprek met de begeleiding. [minderjarige] vindt dat fijn, maar het is ook wennen, omdat zij dat nooit heeft gedaan. [minderjarige] heeft niet veel vrienden gemaakt bij [locatie] , maar zij heeft wel nog vrienden in [woonplaats 1] . Verder vertelde [minderjarige] dat zij inmiddels over de abortus heen is gekomen en dat zij vooruit gaat. [minderjarige] wil graag bij [locatie] blijven, in ieder geval voor de komende drie maanden, zodat er in die periode gekeken kan worden naar een vervolgplek.
De advocaat van [minderjarige] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat [minderjarige] momenteel op een goede plek zit. [minderjarige] wil aan zichzelf werken en krijgt daar ook mogelijkheden toe. Wel wil [minderjarige] dat de machtiging wordt verkort in duur, namelijk een duur van drie maanden, omdat [minderjarige] door wil stromen naar een passende vervolgplek.
4.3.
De moeder stemt in met het verzoek van het college.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen (artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet, hierna: Jw).
5.2.
Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, blijkt dat [minderjarige] de afgelopen periode positieve stappen heeft gezet, ondanks dat zij een heftige periode achter de rug heeft. Zo gaat [minderjarige] inmiddels weer elke dag naar school en stelt zij zich open voor de begeleiding vanuit [locatie] . [minderjarige] ziet in dat zij nog verdere stappen te zetten heeft en wil de komende tijd graag bij [locatie] blijven. Er zijn nog steeds grote zorgen om de beïnvloedbaarheid van [minderjarige] . Daarnaast heeft [minderjarige] moeite om mensen te vertrouwen, met name hulpverlening. Ook heeft [minderjarige] moeite met emotie(h)erkenning, emotieregulatie en met het delen van haar mening. Verder zijn de verlofmomenten lastig en ervaart [minderjarige] het contact met de moeder als onprettig. De afgelopen periode is er onvoldoende ingezet op het zoeken naar de identiteit van [minderjarige] . Doordat er nog geen behandeling heeft plaatsgevonden, zijn de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren nog steeds aanwezig.
De kinderrechter acht het van belang dat [minderjarige] de komende periode nog op de gesloten groep blijft. [minderjarige] begrijpt dat dit nodig is en stemt daarmee in. Ook de ouders stemmen ermee in dat [minderjarige] de komende periode nog op de gesloten groep blijft.
5.3.
De kinderrechter ziet aanleiding om de machtiging gesloten jeugdhulp voor een kortere periode te verlenen dan verzocht. Een machtiging gesloten jeugdhulp is namelijk een zeer ingrijpende maatregel, waar terughoudend en uiterst zorgvuldig mee moet worden omgegaan. De kinderrechter acht het van belang dat er de komende periode gekeken wordt welke vervolgplek het meest in het belang van [minderjarige] is. De kinderrechter machtigt het college om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor een duur van drie maanden. Het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden en ter zitting worden behandeld op
[datum 1] 2026 om [uur 1] bij de kinderrechter, mr. Van Triest. Het is aan het college om te beoordelen of te zijner tijd nog een machtiging tot gesloten jeugdhulp benodigd is, of dat het restant van het verzoek zal worden ingetrokken of gewijzigd. De kinderrechter verzoekt het college om uiterlijk één week voor de zitting, dus uiterlijk
[datum 2] 2026, een verslag over de actuele stand van zaken aan de kinderrechter en de ouders toe te sturen en daarbij haar standpunt te geven ten aanzien van het verzoek. Indien het college het restant van verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp handhaaft, dan verwacht de kinderrechter
vóór de zitting op [datum 1] 2026een nieuwe instemmingsverklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die [minderjarige] kort tevoren persoonlijk heeft onderzocht en nieuwe instemmingsverklaringen van beide ouders. Indien alle belanghebbenden akkoord zijn met het nadere verzoek van het college en af willen zien van de zitting, verwacht de kinderrechter daar zo spoedig mogelijk een schriftelijke bevestiging van, zodat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan, hiertoe is uitdrukkelijke instemming van [minderjarige] ook nodig.
5.4.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 5 maart 2026 tot 5 juni 2026;
6.2.
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting op
[datum 1] 2026 om [uur 2] bij de kinderrechter, mr. Van Triestvan de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW;
6.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor [minderjarige] en haar advocaat, het college en de ouders;
6.4.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.