Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2588

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 april 2026
Zaaknummer
C/02/445115 / JE RK 26/267
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:255 BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging uithuisplaatsing minderjarigen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen te verlengen voor de duur van één jaar en om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is onvindbaar en heeft zich grotendeels aan contact met de GI onttrokken. De kinderrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, gelet op de laatste bekende verblijfplaats van de moeder en minderjarigen.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarigen ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening niet mogelijk is omdat de moeder niet meewerkt. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd, maar slechts voor zes maanden in plaats van het gevraagde jaar, om de GI en politie de gelegenheid te geven de verblijfplaats en situatie van de minderjarigen te achterhalen.

Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat eerdere machtigingen niet zijn uitgevoerd en er geen zicht is op de verblijfplaats van de minderjarigen, waardoor niet kan worden vastgesteld of een uithuisplaatsing noodzakelijk is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor zes maanden en het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445115 / JE RK 26/267
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenen machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2024 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2025 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,
advocaat mr. N.A.H. Limbourg uit Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 februari 2026;
- het verzoek van de GI om digitaal bij de zitting aan te mogen sluiten van 26 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat namens de moeder,
- de vertegenwoordigster van de GI via Teams.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de zij wel juist is
opgeroepen. De advocaat heeft verklaard dat zij de moeder een bericht heeft gestuurd, waarin zij heeft gevraagd of de moeder haar bijstand wil in deze procedure. De moeder heeft hierop met “Ja” geantwoord. De advocaat acht zich dan ook gemachtigd om de moeder in deze procedure te vertegenwoordigen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 oktober 2025, verbeterd bij beschikking van 23 oktober 2025, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd van 8 november 2025 tot 8 maart 2026 en heeft de GI gemachtigd om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 8 november tot 8 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van 1 jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI baseert het verzoek op het volgende. De verblijfplaats van de moeder en de minderjarigen is nog steeds onbekend. De moeder heeft op 29 december 2025 gereageerd op de telefonische pogingen van de GI om met haar in contact te komen. In deze reactie heeft de moeder aangegeven dat het goed met haar gaat en dat zij met de minderjarigen in [plaats 1] zou verblijven. De moeder heeft in dat bericht tevens gevraagd om een bedrag van € 65,00 voor de aanschaf van medicatie voor zichzelf. De GI heeft de moeder vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op kantoor. De moeder heeft per e-mail laten weten dat zij niet wil deelnemen aan dat gesprek. Uit informatie van de politie is gebleken dat het dossier daar gepauzeerd is en dat er niet meer actief gezocht wordt. Volgens de politie staan de moeder en de minderjarigen internationaal gesignaleerd. De politie overweegt om het dossier te heropenen, gelet op het laatste e-mailcontact tussen de moeder en de GI. De GI vindt het belangrijk dat de maatregelen blijven gelden, zodat de minderjarigen - zodra zij weer in beeld zijn - meteen geholpen kunnen worden. Ook is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen van groot belang om het dossier bij de politie geopend te krijgen en om de signalering van de moeder en de minderjarigen te laten voortduren. De GI wijst er op dat beide ouders een flink belast verleden hebben en dat GI nog niet in staat is geweest om te constateren dat de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen is weggenomen. De GI heeft het beste voor met de moeder en de minderjarigen. De GI hoopt dat de moeder weer in contact komt met de hulpverlening en dat er gekeken kan worden of het goed gaat met de minderjarigen. De GI kan zich de angst van de moeder voor een uithuisplaatsing voorstellen, maar zij is degene die met de minderjarigen is vertrokken en uit het contact is gegaan. Dat baart de GI ook zorgen. De GI zou graag de gelegenheid krijgen om de moeder te helpen en te steunen waar dat nodig is. De GI heeft het voornemen om de politie te vragen het dossier te heropenen en weer actief naar de moeder en de minderjarigen te zoeken. Zonder ondertoezichtstelling heeft de politie geen aanleiding om nog op onderzoek uit te gaan. Daarnaast overweegt de GI om contact te zoeken met de voormalige buurvrouw van de moeder, om na te gaan of zij nog contact heeft (gehad) met de moeder. De GI refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter.
4.2.
De advocaat van de moeder vraagt om het verzoek van de GI af te wijzen. Volgens de advocaat van de moeder wordt er niet voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen. Als de kinderrechter tot het oordeel komt dat die gronden er wel zijn, dan vraagt de advocaat van de moeder om de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot maximaal zes maanden. De advocaat van de moeder ziet het nut niet van een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen, zeker nu de vorige machtiging ook niet ten uitvoer is gelegd. De advocaat van de moeder heeft daarnaast de indruk dat de moeder uit het contact met de GI blijft, omdat zij bang is dat de minderjarigen uit huis geplaatst worden. De moeder is steeds bereid geweest om de hulp van de GI te aanvaarden. De noodzaak voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen was destijds gelegen in het incident met de vader. De grootste angst van de moeder is dat de minderjarigen bij haar worden weggehaald. Pogingen om haar terug in de hulpverlening te krijgen, zijn om die reden gestrand. De advocaat van de moeder verwacht dat, als de GI de moeder verzekert dat de minderjarigen niet uit huis geplaatst worden, zij mogelijk terug in contact komt.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter stelt vast dat de ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de Letse nationaliteit
hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de
kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt.
Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn
ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het
grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de
zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. De kinderrechter acht zich bevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Zij sluit hiervoor aan bij de laatste bekende woon- en verblijfplaats van de moeder, zijnde in [plaats 2] . Een eventueel vertrek van de moeder naar het buitenland is niet vast komen te staan, waardoor de kinderrechter moet uitgaan van de laatst bekende woon- en verblijfplaats. Daar komt bij dat de moeder in haar laatste bericht heeft aangegeven met de minderjarigen in [plaats 1] te verblijven. Nu [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
5.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond
van het bepaalde in artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands
recht op het verzoek toegepast worden.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
In artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.
In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 255 is Pro voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
5.5.
De kinderrechter komt tot het oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig wordt bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn onder toezicht van de GI gesteld, omdat er grote zorgen zijn over hun ontwikkeling en de mate waarin hun ouders in staat worden geacht om deze op vrijwillige basis weg te nemen. In plaats van zich open te stellen voor de hulpverlening en daaraan mee te werken, heeft de moeder zichzelf en de minderjarigen al langere tijd onttrokken aan het zicht van de GI. Er is geen zicht op de plaats waar zij en de minderjarigen daadwerkelijk verblijven. Evenmin is hun verblijfplaats geregistreerd in het BRP. Ook de politie is er niet in geslaagd om de moeder en de minderjarigen te lokaliseren. De GI is hierdoor niet in staat om voor de moeder en de minderjarigen de noodzakelijk geachte hulpverlening in te zetten. Slechts een enkele keer reageert de moeder op de berichten van de GI. De vraag van de moeder om geld voor medicatie baart des te meer zorgen, omdat hieruit blijkt dat zij zelf niet in staat is om te zorgen voor de medicatie die zij nodig heeft voor haar gezondheid. Op het moment dat de GI de moeder uitnodigt voor een gesprek, wordt deze uitnodiging door de moeder afgeslagen. Hierdoor is de GI niet in staat geweest om de bedreiging in de ontwikkeling bij de minderjarigen weg te nemen of om te constateren dat de moeder zelf in staat is geweest om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden.
5.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de moeder hier niet aan meewerkt.
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter ziet evenwel aanleiding om de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot zes maanden en de ondertoezichtstelling niet te verlengen voor de verzochte duur van 1 jaar. In de periode van zes maanden zal de GI, al dan niet met de hulp en inzet van de politie, zicht moeten krijgen op de moeder, de minderjarigen en de opvoedsituatie. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan ook tot 8 september 2026. Daarbij merkt de kinderrechter op dat indien het de komende maanden niet lukt om in contact te komen met de moeder en de minderjarigen en er (weer) geen hulpverlening kan worden ingezet, het langer laten voortduren van de ondertoezichtstelling weinig zinvol lijkt.
5.8.
In artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.9.
De kinderrechter wijst het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen af. De kinderrechter overweegt hierbij dat de eerder verleende machtigingen niet ten uitvoer zijn gelegd. De verwachting is dat ook een nieuwe machtiging op dit moment niet uitgevoerd kan worden, omdat er geen zicht is op de moeder en de minderjarigen en er niet vastgesteld kan worden of een machtiging nog noodzakelijk is. Gelet hierop kan de kinderrechter niet beoordelen of er voldoende gronden zijn om een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen – wat een verstrekkende maatregel is – te verlenen.
5.10.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 8 maart 2026 tot 8 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.