De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen te verlengen voor de duur van één jaar en om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is onvindbaar en heeft zich grotendeels aan contact met de GI onttrokken. De kinderrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, gelet op de laatste bekende verblijfplaats van de moeder en minderjarigen.
De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarigen ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening niet mogelijk is omdat de moeder niet meewerkt. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd, maar slechts voor zes maanden in plaats van het gevraagde jaar, om de GI en politie de gelegenheid te geven de verblijfplaats en situatie van de minderjarigen te achterhalen.
Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen omdat eerdere machtigingen niet zijn uitgevoerd en er geen zicht is op de verblijfplaats van de minderjarigen, waardoor niet kan worden vastgesteld of een uithuisplaatsing noodzakelijk is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.