ECLI:NL:RBZWB:2026:259

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/2552
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na werkongeval en hartinfarct

Eiser, voormalig fulltime agrarisch medewerker, viel op 29 oktober 2020 uit wegens rugklachten na een werkongeval en onderging in januari 2021 een hartinfarct. Zijn dienstverband eindigde op 12 maart 2021. Het UWV kende hem een Ziektewet-uitkering toe, maar weigerde later een WIA-uitkering per 27 oktober 2022 omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn.

De rechtbank beoordeelde het beroep van eiser tegen deze weigering. Medische rapporten van verzekeringsartsen van het UWV concludeerden dat eiser niet volledig arbeidsongeschikt was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Eiser voerde aan dat zijn klachten onverminderd waren en verwees naar medische expertises, maar deze betroffen latere data en andere beoordelingskaders, waardoor ze niet relevant waren voor de datum in geschil.

De arbeidsdeskundige van het UWV stelde geschikte functies vast voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid, welke door de rechtbank als adequaat werden beoordeeld. De berekening leidde tot een arbeidsongeschiktheid van 29,04%, onder de vereiste 35% voor een WIA-uitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de juiste vaststelling van beperkingen en arbeidsongeschiktheid door het UWV, en wees het verzoek van eiser af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet vergoed.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van een WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/2552 WIA

uitspraak van 23 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. R.W.J.M. te Pas),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Heerlen ), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2 staan de feiten en omstandigheden die van belang zijn. Onder 3 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 tot en met 6 zijn de grondslag van het besluit en het toetsingskader opgenomen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: zijn de beperkingen juist vastgesteld (medische beoordeling) en is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld (arbeidskundige beoordeling). Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als (fulltime) agrarisch medewerker. Voor dat werk is hij op 29 oktober 2020 uitgevallen vanwege rugklachten als gevolg van een ongeval tijdens het werk. In januari 2021 heeft eiser een hartinfarct doorgemaakt. Zijn dienstverband bij zijn ex-werkgever is van rechtswege geëindigd op 12 maart 2021.
2.1.
Het UWV heeft aan eiser een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend per 15 maart 2021. Bij besluit van 10 februari 2022 is de ZW-uitkering na een Eerstejaars-ZW-beoordeling (EZWB) ongewijzigd voortgezet.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 4 oktober 2022 (primair besluit) geweigerd per 27 oktober 2022 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Met het bestreden besluit van 18 januari 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn partner, en bijgestaan door zijn gemachtigde en [tolk] . Namens het UWV was [vertegenwoordiger] aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Toetsingskader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
6. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier en de daarin aanwezige medische stukken bestudeerd en was aanwezig bij de hoorzitting. Zij heeft gerapporteerd dat eiser niet volledig arbeidsongeschikt is te achten, omdat hij niet voldoet aan een van de uitzonderingscriteria van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Volgens de verzekeringsarts b&b heeft de primaire arts voldoende beperkingen aangenomen. Uit de medische stukken blijkt niet dat eisers gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Zij ziet daarom geen aanleiding voor meer beperkingen. Getoetst aan de ‘Standaard Duurbelastbaarheid in arbeid’ is er ook geen reden voor het aannemen van een urenbeperking. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) van 16 september 2022.
7.2.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat hij nog altijd veel klachten ervaart als gevolg van het ongeval. De na het ongeval in zijn rug geplaatste platen en schroeven zijn in januari 2023 operatief verwijderd. Dit had echter een gecompliceerd beloop vanwege een wondinfectie. De problematiek waarmee hij kampt is, ook na langdurige medische behandelingen, niet verminderd. Hij heeft ermee leren leven. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar de brief van 17 februari 2025 van [niet praktiserend orthopedisch chirurg] (werkzaam bij [bedrijf] ) en de medische expertise van 12 februari 2025 van [orthopedisch chirurg] ( [ziekenhuis] ). Volgens [niet praktiserend orthopedisch chirurg] is bij eiser sprake van 15% whole body impairment, wat zeer hoog is voor een jong persoon. Daarnaast wijst eiser op een passage uit een beslissing op bezwaar, waarin wordt ingegaan op een onderliggende rapportage van 26 september 2024 van een (andere) verzekeringsarts b&b van het UWV. Volgens eiser blijkt daaruit dat zijn medische situatie tot op heden niet is veranderd.
7.3.
De verzekeringsarts b&b heeft gereageerd op het beroepschrift en de door eiser ingebrachte medische stukken. Het ingebrachte expertiserapport is opgesteld in het kader van letselschade en ziet niet op het arbeidsongeschiktheidscriterium uit de Wet WIA. De rapportage van de verzekeringsarts b&b van 26 september 2024 ziet op de datum 11 april 2024 en niet op de datum in geding in deze zaak, 27 oktober 2022. De verzekeringsarts b&b ziet daarom geen aanleiding om het medisch oordeel te herzien.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde rugklachten. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden.
Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn medische situatie ongewijzigd is gebleven. Hij heeft ter onderbouwing verwezen naar een rapportage van een verzekeringsarts b&b van het UWV van 26 september 2024, naar het expertiserapport van [orthopedisch chirurg] en de brief van orthopedisch chirurg [niet praktiserend orthopedisch chirurg] .
De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling in deze zaak ziet op de datum 27 oktober 2022 (datum in geding). Beoordeeld moet worden of eiser op of omstreeks die datum meer of andere beperkingen had dan door de verzekeringsartsen is aangenomen.
De verwijzing naar de rapportage van een verzekeringsarts b&b van het UWV kan eiser niet baten. Dit is namelijk een rapportage in het kader van een latere ziekmelding en beoordeling in het kader van de ZW per 11 april 2024. Deze rapportage kan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet dienen als onderbouwing ter verkrijging van een WIA-uitkering per 27 oktober 2022.
Ook het expertiserapport van [orthopedisch chirurg] en de brief van orthopedisch chirurg [niet praktiserend orthopedisch chirurg] leiden niet tot aanpassing van de door de verzekeringsarts b&b opgestelde FML. Het expertiserapport is opgesteld in het kader van letselschade en bevat dus geen beoordeling in het kader van (on)geschiktheid voor arbeid. Ook in dit rapport is ingegaan op de beperkingen van eiser op een andere datum (van het onderzoek op 14 november 2024) en niet op de datum in geding in deze WIA-procedure (27 oktober 2022).
Niet gebleken is dat in de FML de beperkingen van eiser zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden geacht, slaagt niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
7.5.
Nu de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling ontbreekt, ziet de rechtbank geen aanleiding over te gaan tot het inschakelen van een medisch onafhankelijk deskundige.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
8. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: productiemedewerker industrie (samenstellen van producten; SBC-code 111180), textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel; SBC-code 111160) en lader, losser (SBC-code 111220). Daarbij merkt de arbeidsdeskundige b&b op dat de eerder primair extra geduide functie administratief medewerker (documenten scannen) komt te vervallen, omdat in de functie medewerker post eisen worden gesteld aan de leesvaardigheid in het Nederlands en eiser het vereiste niveau niet machtig is. Binnen de SBC-code 111160 textielproductenmaker is de functie stikster (functie niet actueel) vervangen door een alternatief binnen dezelfde SBC-code. Dit beïnvloedt de conclusie echter niet.
8.1.
Eiser heeft op zitting aangevoerd dat in het Resultaat functiebeoordeling weliswaar regelmatig ‘
geschikt’ te lezen is, maar dat dit niet is toegespitst op eiser. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. In het formulier Resultaat functiebeoordeling is een omschrijving gegeven van de door de arbeidsdeskundige b&b geduide functies en is de belastbaarheid van eiser vergeleken met de benodigde belastbaarheid in de betreffende functies. Als een bepaald vereiste binnen de functie niet (helemaal) overeenkomt met de belastbaarheid van eiser (de signaleringen), dan dient de arbeidsdeskundige te motiveren waarom de geselecteerde functie voor eiser geschikt is. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige b&b in de rapportage van 17 januari 2024 uitvoerig heeft gemotiveerd waarom de geduide functies geschikt zijn voor eiser. De rechtbank stelt vast dat eiser tegen deze motivering geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd. De hiervoor genoemde functies mochten daarom worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
9. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
9.1.
Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 27 oktober 2022 heeft vastgesteld op 29,04%. Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de WIA-uitkering terecht geweigerd per 27 oktober 2022.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niks verandert.
10.1.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.