Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2590

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 april 2026
Zaaknummer
C/02/444336 / JE RK 26-132
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 4 maart 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2014 en 2017. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging vanwege ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen, waaronder een licht verstandelijke beperking en PTSS bij de oudste, en de noodzaak van traumabehandeling en speciale zorg.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar de kinderen verblijven sinds 2024 in een pleeggezin. De moeder werkt mee aan hulpverlening, maar heeft nog geen afgeronde behandeling. De pleegmoeder bevestigt de zorgbehoefte, vooral bij de oudste. De Raad adviseert eveneens tot verlenging vanwege het ontbreken van voldoende behandeling en het belang van continuïteit.

De moeder wenst dat de kinderen bij haar terugkeren met extra begeleiding, maar dit plan is nog niet onderzocht of uitgewerkt. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te verlengen tot 6 maart 2027, waarbij de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard om de ontwikkeling van de kinderen te waarborgen.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen tot 6 maart 2027 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444336 / JE RK 26-132
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteland] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteland] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.V. Rafaela te Rotterdam.
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 29 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat en een, ter zitting beëdigde, tolk in de taal Papiaments;
  • de pleegmoeder, aangesloten via Teams;
  • twee vertegenwoordigsters van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgenodigd voor een gesprek om hen naar hun mening te vragen. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 6 maart 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, te weten tot 6 maart 2025.
2.3.
Bij beschikking van 26 april 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 6 maart 2025.
2.4.
Bij beschikking van 19 februari 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 6 maart 2026. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 6 maart 2026.
2.5.
Op basis van voormelde beschikking verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij een (netwerk)pleeggezin.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. In de afgelopen periode is gebleken dat [minderjarige 1] een licht verstandelijke beperking en PTSS heeft en dat er een onveilige hechting is tussen haar en de moeder. Ze wordt echter snel overschat, omdat ze verbaal sterk is. Ze heeft traumabehandeling nodig, omdat haar zorgelijke gedrag lijkt te verergeren. [minderjarige 2] zit sinds september 2025 op het speciaal onderwijs. Er is ook een diagnostisch onderzoek voor hem gestart. De moeder heeft zich in de afgelopen periode aangemeld voor traumabehandeling. Ze kon na een lange wachttijd starten met een behandeling, maar toen bleek dat deze behandeling niet vergoed werd. Momenteel is ze opnieuw aangemeld voor hulpverlening die wel wordt vergoed. De moeder heeft in het verleden aangegeven eerst aan haar trauma’s te willen werken, voordat ze kan zorgen voor de kinderen. Momenteel heeft de GI dan ook zorgen over de balans tussen de draagkracht en draaglast van de moeder. Hiernaast had de GI zorgen over de keuzes die de moeder en de pleegmoeder samen maakten. De pleegmoeder heeft aan de moeder gevraagd of ze kan helpen met de zorg voor de kinderen, omdat ze last van haar benen had. De moeder heeft de kinderen toen meegenomen. De oma van de moeder zou op de kinderen passen als de moeder naar Spanje zou gaan, maar uiteindelijk zijn de moeder en de oma samen naar Spanje gegaan en heeft de moeder de kinderen bij de opa van de nieuwe partner gelaten. De GI weet niet wie dit is en ook de kinderen kennen deze persoon niet goed. De moeder ziet echter niet in dat dit onveilig is voor hen. Inmiddels zijn deze zorgen afgenomen, omdat de communicatie met de GI is verbeterd. Ook is gebleken dat zowel de moeder als de pleegmoeder het lastig vindt om [minderjarige 1] te helpen met het reguleren van haar emoties. School en de speltherapeut vinden het gedrag van [minderjarige 1] ook lastig. Op maandag 9 maart 2026 zal er gestart worden met videointeractiebegeleiding. In de afgelopen periode is gezocht naar een woning voor de moeder in de buurt van de kinderen, omdat het fijner zou zijn voor de moeder om dichterbij de kinderen te kunnen wonen, maar in deze omgeving zijn erg lange wachtlijsten, waardoor ze hier niet voor in aanmerking komt. Momenteel heeft de moeder een woning in [plaats 1] waar ook de kinderen eventueel kunnen komen wonen.
4.2.
Door en namens de moeder is gesteld dat het erg verdrietig is dat haar kinderen al twee jaar niet bij haar wonen. De moeder doet haar best om de kinderen dagelijks te zien en leuke dingen met hen te doen. Dit is lastig gezien de reistijd. De moeder probeert alles zo goed mogelijk te doen, zodat haar kinderen uiteindelijk weer bij haar kunnen komen wonen. Ze wil liever niet in [plaats 2] wonen, omdat het daar druk is. Het is in [plaats 1] een stuk rustiger en dus fijner voor de kinderen om op te groeien. Eventueel zou de moeder ook in de buurt van bijvoorbeeld [plaats 3] , [plaats 4] of [plaats 5] willen wonen. Ze kan vanuit die plaatsen makkelijker de trein nemen naar de kinderen. De moeder is momenteel aangemeld bij [hulpverlening] in [plaats 6] . De moeder verzoekt primair het verzoek van de GI met betrekking tot de uithuisplaatsing af te wijzen. Subsidiair kan de termijn van de uithuisplaatsing verkort worden. Er kan extra begeleiding in worden gezet, er kan videointeractiebegeleiding in worden gezet en de kinderen kunnen naar school in [plaats 1] . Op de school in [plaats 2] worden ze gepest. Echter ligt hier op dit moment nog geen plan voor klaar.
4.3.
Door de pleegmoeder is gesteld dat ze herkent wat de GI stelt over [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is een kind dat niet alles goed begrijpt. Ze wordt op school gepest en heeft buien dat ze niet naar school wil gaan. Het lukt dan ook niet altijd om op tijd op school te komen. De pleegmoeder vindt het goed dat de videointeractiebegeleiding van start gaat. Deze hulp is noodzakelijk. Momenteel kan de pleegmoeder de zorg voor de kinderen aan. Met [minderjarige 2] gaat het goed. Hij zit beter in zijn vel dan zijn zus.
4.4.
Door de Raad is gesteld dat het momenteel lastig is om te onderzoeken of er een thuisplaasting kan komen. De trauma’s zijn nog niet behandeld en de videointeractie-begeleiding is nog niet van start gegaan. Het zou goed zijn als de moeder meer richting de kinderen verhuist, omdat ze in [plaats 1] geen netwerk heeft. De Raad adviseert het verzoek van de GI toe te wijzen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader verlenging ondertoezichtstelling
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Wettelijk kader verlenging machtiging uithuisplaatsing
5.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het nog niet goed gaat met de kinderen, met name met [minderjarige 1] . Ze laat zorgelijk gedrag zien en het is voor de pleegmoeder, de moeder, school en de speltherapeut moeilijk om haar in haar emoties en gedrag te reguleren. In de afgelopen periode is wel duidelijk geworden welke diagnoses [minderjarige 1] heeft en welke hulpverlening er moet worden ingezet. Hiernaast is duidelijk geworden dat de moeder nog geen behandeling heeft gehad, maar dat ze inmiddels wel is aangemeld voor hulpverlening. De kinderrechter vindt het dan ook belangrijk dat deze hulpverlening ingezet wordt voor zowel de moeder, [minderjarige 1] als voor [minderjarige 2] mocht dit ook voor hem noodzakelijk blijken. De kinderrechter vindt het daarnaast, net als de GI, van belang dat de videointeractiebegeleiding van start gaat. De moeder wenst dat de kinderen bij haar komen wonen met extra begeleiding en videointeractiebegeleiding en dat de kinderen in [plaats 1] naar school kunnen gaan. Dit vindt de kinderrechter momenteel nog geen goed idee, omdat dit plan niet is onderzocht en uitgewerkt, omdat zowel de kinderen als de moeder nog geen juiste behandeling hebben gehad en omdat er rondom de moeder geen netwerk is. De kinderrechter zal het verzoek van de GI daarom toewijzen. Hij zal dit doen voor de verzochte termijn, omdat de moeder goed meewerkt met de GI en het dus niet nodig is dat de kinderrechter een vinger aan de pols houdt. Er moet voor zowel de moeder als de kinderen een stip op de horizon komen waar naartoe kan worden gewerkt.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.1.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 6 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 6 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 16 maart 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.