Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2593

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 april 2026
Zaaknummer
C/02/432994 / JE RK 25-468
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nadere beschikking ondertoezichtstelling minderjarige voor drie maanden verlengd

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, die reeds sinds juni 2025 onder toezicht staat van Stichting Jeugdbescherming Brabant. De minderjarige woont bij haar moeder en de ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit. De hulpverlening is gestart, waaronder therapeutische sessies met een kindertherapeut, maar de emotionele en psychische toestand van de minderjarige blijft zorgelijk.

De gezinsadvocaten constateerden dat het ontbreken van een ouderschapsplan en het langdurig ontbreken van contact tussen de vader en de minderjarige haar ontwikkeling bedreigen. De vader en moeder communiceren nauwelijks over de minderjarige, wat de situatie bemoeilijkt. De vader heeft recentelijk geen contactherstel kunnen bewerkstelligen, ondanks pogingen zoals het aanbieden van een cadeau bij de verjaardag.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn. De therapeutische hulpverlening is pas recent gestart en de ouders slagen er niet in het belang van de minderjarige centraal te stellen. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd voor de periode van 16 maart 2026 tot 16 juni 2026, met het oog op het waarborgen van de hulpverlening en het bevorderen van contactherstel en ouderlijke samenwerking.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd van 16 maart 2026 tot 16 juni 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/432994 / JE RK 25-468
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.M.M. Heesmans te Roosendaal,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D.C.M. Smeulders-Martens te Raamsdonksveer.
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.
De kinderrechter merkt aan als informant:
de gezinsadvocaat
mr. N.A. BOELHOUWERte Tilburg,
hierna te noemen de gezinsadvocaat.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de in deze zaak gegeven tussenbeslissingen van respectievelijk 16 juni 2025, 3 oktober 2025 en 26 november 2025 en de in die beslissingen genoemde stukken;
  • het op 24 februari 2026 van de gezinsadvocaat ontvangen plan van aanpak;
  • het op 25 februari 2026 van de GI ontvangen schriftelijk verslag.
1.2.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- mevrouw [persoon 1] , namens de Raad via een beeldbelverbinding;
  • mevrouw [persoon 2] , namens de GI;
  • mevrouw mr. C.J.W.F. Dekkers en mevrouw mr. P.P.A.H Veenman, gezinsadvocaten, waarnemend voor de gezinsadvocaat.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.

3.Het resterend verzoek

3.1.
Bij beschikking van 16 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 16 juni 2025 tot 16 oktober 2025, waarbij de beslissing op het restantverzoek is aangehouden, in afwachting van het betrokken raken van een jeugdbeschermer en van de in het kader van de ondertoezichtstelling ingezette hulpverlening. Bij beschikking van
3 oktober 2025 is [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 16 oktober 2025 tot 16 december 2025, waarbij de beslissing op het restantverzoek andermaal is aangehouden, in afwachting van een verslag omtrent de stand van zaken betreffende de aanmelding bij De Gezinsmanager.
3.2.
Bij beschikking van 26 november 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 16 december 2025 tot 16 maart 2026. De behandeling van het nog resterende deel van het verzoek van de Raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen, te weten voor de periode van 16 maart 2026 tot 16 juni 2026, is aangehouden tot de nadere zitting van heden, met de bepaling dat ten behoeve van deze zitting ook de gezinsadvocaat als informant dient te worden opgeroepen. De GI is verzocht om vooraf een verslag met daarin een actuele weergave van de stand van zaken rondom de hulpverlening vanuit de gezinsadvocaat aan de ouders en hun advocaten toe te sturen. Ook is de GI verzocht een standpunt in te nemen ten aanzien van het restverzoek van de Raad.

4.Het verslag en het daarin opgenomen standpunt van de GI

4.1.
Van de GI is een schriftelijk verslag ontvangen, gedateerd 25 februari 2026, welk verslag ter zitting door de zittingsvertegenwoordigster mondeling als volgt is toegelicht. Het gezin is aangemeld bij de gezinsadvocaat. In januari 2026 hebben de eerste gesprekken plaatsgevonden. Door de verschenen gezinsadvocaten is een plan van aanpak opgesteld. [minderjarige] heeft laten blijken geen vertrouwen te hebben in De Gezinsmanager. Daarom heeft de GI als alternatief [kindtherapeut] ingeschakeld. [minderjarige] heeft daar een intake en vervolgens een eerste gesprek gehad. De kindertherapeut heeft bericht dat [minderjarige] goed in contact staat met haar denken en voelen. Zij kan pijnpunten, behoeften, wensen en grenzen aangeven. Ook beseft zij dat er nog veel bij haar ‘verstopt zit’ waar ze nu nog niet bij kan. [minderjarige] kan zich vinden in het voorstel om gedurende drie maanden te mogen ontdekken of [kindtherapeut] een plaats is waar zij zichzelf kan sterken en zij aan verwerking toe kan komen. Ook voelt zij zich vrij om te praten en zelf keuzes te maken. Dit geeft haar vertrouwen omdat ze niets wil doen waar zij zich niet oké bij voelt. [minderjarige] wordt naar de therapeutische sessies telkens gebracht door de moeder. Inhoudelijk zijn de sessies alleen bedoeld voor [minderjarige] . Wel worden de ouders daarover in grote lijnen op de hoogte gehouden.
4.2.
De moeder dient de vader te informeren over [minderjarige] . Daarover heeft de moeder aangegeven dat zij dit een erg lastig onderwerp vindt, omdat zij angstig is voor de reacties van vader als zij hem informeert. Gebleken is in de praktijk dat de moeder aan de vader geen enkele keer een informatieve brief heeft geschreven. De gezinsadvocaten zullen dit met de moeder oppakken.
4.3.
Ter zitting van 26 november 2025 is besproken en ook in de beschikking vastgelegd dat de vader ter gelegenheid van de verjaardag van [minderjarige] op 16 december 2025, een kaart en/of cadeautje zou afgeven bij de GI. De vader heeft dit vervolgens niet gedaan. Bij navraag door de jeugdbeschermer heeft de vader daarover aangegeven dat hijzelf een envelop voor [minderjarige] bij de school had afgegeven. Desgevraagd werd daarover door de school aangegeven dat dit niet was gebeurd. [minderjarige] heeft op of rond haar verjaardag van de vader uiteindelijk niets ontvangen. Verder heeft de school kenbaar gemaakt dat zij zich voor een dilemma geplaatst ziet, nu [minderjarige] in het laatste jaar van de basisschool zit en er activiteiten op het programma staan, te weten schoolkamp, een sportdag en een musical. De vader heeft zich aangemeld als vrijwilliger voor het schoolkamp. Ook heeft hij aangegeven naar de musical te willen komen. De school is daarin handelingsverlegen, nu deze activiteiten voor [minderjarige] fijne en ontspannen momenten zouden moeten zijn. De GI benadrukt in dit verband dat de ondertoezichtstelling gericht blijft op het, waar mogelijk, komen tot contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. Om die reden zal de situatie aan de kindertherapeut worden voorgelegd, in de hoop dat zij in gesprek met [minderjarige] duidelijkheid zal krijgen hoe zij daar momenteel in staat. Wat de relatie tussen [minderjarige] en de moeder betreft is gebleken van een grote mate van loyaliteit bij [minderjarige] naar de moeder. Er is echter ook sprake van enige mate van belasting van [minderjarige] door de moeder. Van belang is dat de moeder daarmee zelf aan de slag gaat.
4.4.
Op 16 januari 2026 heeft de politie een anonieme melding ontvangen, waarbij de melder zorgen heeft geuit over de emotionele (psychische) toestand van [minderjarige] . Zij zit niet lekker in haar vel en zij kampt met depressieve klachten. Als reden daarvoor werd opgegeven dat [minderjarige] in Roblox, een online spel, zorgwekkende uitspraken heeft gedaan over hoe zij zich voelt. De politie heeft hierop een huisbezoek aan [minderjarige] gebracht en geconstateerd dat van een levensbedreigende situatie geen sprake was, maar heeft wel voor haar hulpverlening ingeschakeld. Het is voor de GI lastig gebleken om vast te stellen wat er daadwerkelijk bij [minderjarige] speelt. Dit omdat de politie tot voor kort weigerde om, ondanks dat de GI met de uitvoering van de ondertoezichtstelling is belast, de inhoud van de melding vrij te geven. Ook is Veilig Thuis niet over de melding ingelicht.
4.5.
De GI concludeert op grond van haar bevindingen dat een ondertoezichtstelling voor de restperiode in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. In dat verband acht de GI met name van belang dat uit actuele signalen blijkt dat de emotionele en psychische ontwikkeling van [minderjarige] zorgelijk verloopt. Zij krijgt momenteel therapeutische hulpverlening, die echter pas recent is gestart. Een positief aspect is dat [minderjarige] begrijpt dat zij deze hulpverlening nodig heeft om zich weer wat fijner te voelen. Er dient in de visie van de GI aandacht te zijn voor [minderjarige] en haar persoonlijke ontwikkeling, maar ook voor de door haar opgelopen trauma’s en angsten in het verleden. De huidige opstelling van beide ouders is daarbij niet helpend. Het lukt de ouders onvoldoende om keuzes te maken waarbij. in plaats van hun individuele belangen, het belang van [minderjarige] leidend is. Om die reden acht de GI van belang dat in het traject van de gezinsadvocaat met beide ouders het belang van [minderjarige] centraal komt te staan. Duidelijk dient daaruit te worden wat [minderjarige] van haar ouders nodig heeft en wat juist achterwege dient te blijven of voor haar niet helpend is. De komende tijd dient te worden afgewacht waar de ouders met behulp van dit traject uit gaan komen, individueel en als ouders van [minderjarige] .

5.Het standpunt van de gezinsadvocaten

5.1.
De gezinsadvocaten hebben, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Door hen zijn, onder supervisie van de GI, gesprekken gevoerd met beide ouders. Uit deze gesprekken is duidelijk geworden dat het ontbreken van concrete afspraken, onder meer in de vorm van een ouderschapsplan, tussen de ouders over de invulling c.q. uitvoering van het ouderschap, waaronder de informatieverstrekking over [minderjarige] aan de vader door de moeder en daarnaast de afwezigheid gedurende zeer lange tijd van enige vorm van contact tussen [minderjarige] en de vader tot een situatie heeft geleid waar [minderjarige] last van heeft, die er bovendien toe heeft geleid dat zij in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Uit de signalen die van [minderjarige] worden ontvangen blijkt dat zij er een grote behoefte aan heeft om te uiten wat er bij haar leeft, maar vooral ook dat zij dit veilig kan doen. Positief in dat verband is dat er inmiddels therapeutische hulp voor [minderjarige] is opgestart. Echter is ook gebleken van nieuwe signalen over haar emotionele toestand, waaruit blijkt dat er meer nodig is om de ontwikkelingsbedreigende factoren weg te kunnen nemen. Van belang in dat opzicht is dat door de GI wordt onderzocht of [minderjarige] zich werkelijk vrij voelt om in alle oprechtheid te uiten wat zij voelt en ergens van vindt. Daarnaast dient er voor beide ouders hulp en ondersteuning te komen in de vorm van psycho-educatie en trainingen gericht op het maken van structurele afspraken over de invulling en het uitvoering geven aan het ouderschap, de informatieverstrekking over de ontwikkeling van [minderjarige] en herstel van het contact tussen [minderjarige] en de vader. Naast dat dit van de ouders en [minderjarige] een meewerkende opstelling vraagt kan dit, zoals met betrekking tot het contact tussen [minderjarige] en de vader, ook betekenen dat door [minderjarige] , de vader, ofwel door beiden (tijdelijk) een stapje terug moet worden gedaan.

6.Het standpunt van de Raad

6.1.
Namens de Raad is naar voren gebracht dat hij het als positief ziet dat [minderjarige] laat blijken vertrouwen te hebben in de inmiddels gestarte beschikbare therapeutische hulpverlening van [kindtherapeut] . Dit en het blijven meewerken aan deze hulpverlening is voor haar van belang om concrete vervolgstappen te kunnen maken. De Raad ziet ook de noodzaak van het beschikbaar komen van hulpverlening voor de ouders in de vorm van ondersteuning en trainingen, zoals door de GI en door de gezinsadvocaten ter zitting zijn toegelicht. Met deze toelichting handhaaft de Raad zijn verzoek om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de restperiode van 16 maart 2026 tot 16 juni 2026.

7.De standpunten van de ouders

7.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende verklaard. Zij is blij dat er voor [minderjarige] therapeutische hulpverlening is die aansluit bij wat zij nodig heeft. Momenteel vinden er wekelijks hulpverleningsgesprekken plaats, de moeder ziet dat [minderjarige] daar positief tegenover staat en dat zij zich daar voor open stelt. Ook is de moeder tot dusver tevreden over de inzet van de gezinsadvocaten. Wel vindt zij het onterecht dat haar wordt verweten dat zij [minderjarige] zou belasten, nu het in haar visie vanzelfsprekend is dat [minderjarige] loyaal is naar haar als ouder. Zelf heeft de moeder er veel moeite mee dat er tussen haar en de vader al gedurende langere tijd geen goede oudercommunicatie mogelijk is. Zij is bereid om de vader over [minderjarige] schriftelijk of op andere wijze te informeren. Echter vormt de dreigende opstelling, die de vader naar haar al langere tijd aanneemt, daarvoor een belemmering. De moeder ziet in dat een ondertoezichtstelling voor de resterend verzochte periode van drie maanden in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
7.2.
Door en namens de vader is, samengevat, is het volgende naar voren gebracht. Hij heeft ervoor gekozen om ter zitting te verschijnen, ondanks dat dit voor hem pijnlijk is. In dat verband wijst hij meer specifiek op het vermeend seksueel misbruik van [minderjarige] , waarover in de rapportage van de Raad wordt gesproken, het aanwijzen van hem als dader door de moeder en het daardoor niet (kunnen) geven van emotionele toestemming voor contact van hem met [minderjarige] , met als gevolg dat [minderjarige] hem meer en meer is gaan afwijzen. Wel heeft de vader nog steeds vertrouwen in het hulp- en ondersteuningstraject in het kader van de ondertoezichtstelling. Hij duidt in dat verband ook specifiek op de recente zorgen die zijn ontstaan naar aanleiding van uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan en haar depressieve klachten. De vader heeft er grote moeite mee dat hij dit van de GI heeft moeten vernemen, terwijl het op de weg van de moeder had gelegen om hem, als mede gezag dragende ouder, daarover rechtstreeks te informeren. Verder betreurt hij dat de problemen waarmee [minderjarige] kampt niet eerder serieus zijn opgepakt, temeer nu [minderjarige] en hij daardoor meer en meer van elkaar verwijderd raken en dit bovendien tot complexe situaties leidt, zoals bij schoolactiviteiten waarbij hijzelf alsook [minderjarige] betrokken zijn. Ook wordt hij over andere belangrijke zaken met betrekking tot [minderjarige] , waaronder de middelbare schoolopleiding, waarmee zij volgend schooljaar zal starten, door de moeder niet geïnformeerd. In de opvatting van de vader wordt het hoog tijd dat er in die situatie verandering komt. Hij is ten slotte van mening dat het goed is als de ondertoezichtstelling voortduurt.

8.De beoordeling

8.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling nog steeds wordt voldaan. [1] Hij legt hieronder uit waarom.
8.2.
In de beschikking van 25 november 2025 is door de kinderrechter geoordeeld dat de ouders en [minderjarige] met de hulpverlening aan de slag moeten om te werken aan de volgende doelstellingen, te weten (a) dat [minderjarige] zich kan uiten bij een onafhankelijke persoon, bij wie zij zich gehoord en gesteund voelt en zich kan uiten over belangrijke dingen in haar leven, ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden, hoe zij het contact met haar beide ouders ervaart, wat zij nodig heeft om dit contact te verbeteren en zij zich hierin gezien en gehoord voelt, (b) zij een onbelast, structureel en veilig contact met haar beide ouders kan hebben, de ouders haar hierbij helpen door haar emotionele toestemming te geven voor het contact met de andere ouder en zij haar niet belasten met negatieve informatie over de andere ouder, (c) de ouders elkaar informeren over [minderjarige] en de ouders het volledige traject volgen bij de gezinsadvocaat en zij de verantwoordelijkheid nemen om tot een werkend en actueel ouderschapsplan te komen.
8.3.
De kinderrechter maakt op uit de verslaglegging van de GI en de toelichting van de GI en de gezinsadvocaten dat er voor [minderjarige] , zij het nog betrekkelijk kort geleden, met therapeutische hulpverlening is gestart. Gebleken is dat [minderjarige] zich open stelt voor deze hulp en ondersteuning, dat zij daar vertrouwen in heeft en zij voldoende veiligheid ervaart om te kunnen uiten wat er bij haar speelt. Dit is temeer van belang gebleken, nu er in januari 2026 bij de politie een anonieme melding is gedaan, waardoor er extra zorgen zijn ontstaan over haar actuele emotionele (psychische) toestand. Op dit vlak, maar ook waar het de overige doelstellingen betreft blijkt nog een lange weg te gaan is. Benoemd dient te worden in dat verband dat beide ouders weliswaar in contact staan met de gezinsadvocaten, maar dat van enige vorm van oudercommunicatie over [minderjarige] nog geen sprake is en om die reden op dit moment nog geheel onduidelijk is wanneer er tot een ouderschapsplan gekomen zal kunnen worden. Ook vindt er tussen de ouders nog geen informatieoverdracht plaats over het welzijn en de (school)ontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast is gebleken van meerdere factoren, zoals ter zitting door de GI en de gezinsadvocaten benoemd, waarvoor hulp en ondersteuning aan [minderjarige] en de ouders noodzakelijk is om aan de doelstellingen te (kunnen) werken, waaronder herstel van het contact tussen [minderjarige] en de vader.
8.4.
Rekening houdend met al wat er nog aan hulp en ondersteuning ingezet zal dienen te worden en de stappen die er nog moeten worden gemaakt om de doelstellingen te kunnen realiseren ziet de kinderrechter, ook in dit stadium, geen mogelijkheden om die in een vrijwillig kader te laten plaats vinden, ter voorkoming dat de inzet van die hulpverlening onvoldoende gewaarborgd is en/of deze stagneert.
8.5.
De kinderrechter zal [minderjarige] daarom onder toezicht stellen voor de restperiode, te zijnde 16 maart 2026 tot 16 juni 2026.
8.6.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
8.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

9.De beslissing

De kinderrechter:
9.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant, met ingang van 16 maart 2026 tot 16 juni 2026;
9.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.