Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2594

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 april 2026
Zaaknummer
C/02/438309 / JE RK 25-1414
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarigen voor drie maanden

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2014 en 2016, die onder toezicht zijn gesteld sinds september 2023. De kinderrechter heeft eerdere machtigingen verleend en verlengd, waarbij de uithuisplaatsing plaatsvindt in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

Tijdens de zitting op 5 maart 2026 zijn de ouders, bijgestaan door advocaten, en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling gehoord. De minderjarigen hebben via begeleiders een bericht gestuurd waarin zij hun wens uiten om terug te keren naar huis. De ouders zijn gemotiveerd om samen te werken en hulpverlening te accepteren, maar wijzen op het belang van een zorgvuldige terugplaatsing.

De kinderrechter constateert dat de behandeling van de minderjarigen vertraagd is opgestart en dat er ruis was in de communicatie tussen ouders en jeugdbeschermer. Desondanks is er voldoende perspectief op terugkeer naar huis. Daarom wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor drie maanden, met de verwachting dat in die periode concreet wordt toegewerkt naar terugplaatsing. Het resterende deel van het verzoek wordt afgewezen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor drie maanden en het resterende deel van het verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/438309 / JE RK 25-1414
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Nadere beschikking verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof uit 's Heer Arendskerke,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Wouters uit Middelburg.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 22 september 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • de verslaglegging van de GI, ingekomen op 30 januari 2026;
  • het emailbericht van [accommodatie] , ingekomen op 2 maart 2026.
1.2.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover geen gesprek gevoerd met de kinderrechter. Samen met hun begeleiders hebben zij wel een bericht naar de kinderrechter gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in dit bericht hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 7 september 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 september 2023 en tot 7 september 2024.
2.3.
Bij beschikking van 5 september 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 7 september 2024 en tot 7 september 2025. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor maximaal drie dagen per week in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 5 september 2024 en tot 7 maart 2025.
2.4.
Bij beschikking van 7 februari 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 7 februari 2025 en tot 7 september 2025.
2.5.
Bij beschikking van 4 juli 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 4 juli 2025 en tot 18 juli 2025.
2.6.
Bij beschikking van 14 juli 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 14 juli 2025 en tot 7 september 2025.
2.7.
Bij beschikking van 5 september 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd voor de duur van drie weken, met ingang van 7 september 2025 en tot 28 september 2025. Het resterende deel van het verzoek heeft de kinderrechter aangehouden.
2.8.
Bij beschikking van 22 september 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 7 september 2026. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 7 maart 2026. Het resterende deel is aangehouden.

3.Het (resterende) verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 7 september 2026. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt ter beoordeling nog voor het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met ingang van 7 maart 2026 en tot 7 september 2026.

4.De nadere standpunten

4.1.
De GI handhaaft het resterende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De GI is echter ook akkoord met een verlenging van drie maanden. Volgens de GI is het van belang dat de minderjarigen voorlopig nog op de groep van [accommodatie] verblijven zodat de noodzakelijke behandeling en hulpverlening verder kan worden vormgegeven. De GI wijst er op dat voor [minderjarige 1] behandeling is gestart en dat bij [minderjarige 2] breder onderzoek nodig is naar onder meer trauma- en hechtingsproblematiek. Daarnaast dient systeembehandeling te worden opgestart waarbij de ouders leren om op een trauma-sensitieve manier op de kinderen te reageren. De GI benadrukt dat het uiteindelijke doel is om toe te werken naar een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouders maar dat dit zorgvuldig moet worden opgebouwd om te voorkomen dat een te snelle terugplaatsing opnieuw tot een uithuisplaatsing leidt.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting verzocht om de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog maximaal drie maanden te laten duren zodat in de komende periode kan worden toegewerkt naar een thuisplaatsing. Een langere verlenging van de uithuisplaatsing is volgens de moeder niet noodzakelijk en moet daarom worden afgewezen. De moeder geeft aan dat zij en de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] graag weer thuis willen hebben. Volgens de moeder willen de minderjarigen zelf ook graag terug naar huis en ervaren zowel de kinderen als zij de huidige bezoekmomenten als afstandelijk omdat deze niet in een huiselijke natuurlijke sfeer plaatsvinden. De moeder stelt dat er in het afgelopen half jaar weinig voortgang is geweest en dat eerdere toezeggingen over uitbreiding van de contactmomenten en verblijf bij feestdagen zijn ingetrokken, wat tot een grote teleurstelling bij zowel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als bij de ouders heeft geleid. De moeder voert aan dat de oorspronkelijke reden voor de uithuisplaatsing was dat er een therapietraject moest worden gestart. Deze behandeling is echter lange tijd niet van de grond gekomen waardoor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgens de moeder ook nog thuis hadden kunnen blijven wonen. Daarnaast is de samenwerking tussen de ouders inmiddels verbeterd en zijn zij bereid hulpverlening te accepteren.
4.3.
Door en namens de vader wordt tijdens de zitting aangegeven dat hij akkoord is met een verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van maximaal drie maanden. Het resterende deel van het verzoek moet worden afgewezen. Volgens de vader moet er zo snel mogelijk concreet worden toegewerkt naar een thuisplaatsing. De vader merkt op dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] graag naar huis willen en dat het contact met hen goed verloopt wanneer zij bij hem zijn. Volgens de vader zijn er in het verleden toezeggingen gedaan door de GI over uitbreiding van het contact die later weer zijn ingetrokken. Dit heeft voor onduidelijkheid en frustratie gezorgd. De vader stelt dat de samenwerking met de moeder inmiddels goed verloopt en dat zij gezamenlijk willen toewerken naar een situatie waarin de minderjarigen weer thuis wonen, bijvoorbeeld in een week-op-week-af regeling. De vader benadrukt dat beide ouders bereid zijn hulpverlening te accepteren en dat het belangrijk is dat er een duidelijke einddatum komt voor de uithuisplaatsing. Hij vraagt daarnaast aandacht voor het feit dat door werkzaamheden aan de Westerschelde tunnel Zeeuws-Vlaanderen in 2027 minder goed bereikbaar is. Dit met het oog op de behandeling van de minderjarigen.
4.4.
[minderjarige 1] geeft in de brief aan dat hij het niet leuk vindt om bij [accommodatie] te wonen en graag weer bij zijn ouders wil wonen. [minderjarige 1] wil het liefst een week bij papa en een week bij mama. Alleen in het weekend samen met [minderjarige 2] . De bezoeken met papa en mama gaan goed. Hij wil meer bezoeken met allebei.
4.5.
[minderjarige 2] geeft in de brief aan dat hij liever niet meer bij [accommodatie] wil wonen en gewoon naar huis wil. Hij wil het liefst een week bij mama en dan een week bij papa. Altijd met [minderjarige 1] samen.

5.De nadere beoordeling

5.1.
Uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de kinderrechter gebleken dat er in de afgelopen periode veel ontwikkelingen hebben plaatsgevonden. De kinderrechter constateert dat de ouders zich hebben ingespannen om hun onderlinge samenwerking te verbeteren. Uit de verslaglegging blijkt dat de ouders een traject van consensusbemiddeling volgen en dat zij nu in staat zijn met elkaar in gesprek te gaan in het belang van de kinderen. Tegelijkertijd stelt de kinderrechter vast dat in de uitvoering van de hulpverlening verschillende zaken zijn blijven liggen. Zo heeft de opstart van de behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] enige tijd op zich laten wachten, terwijl deze behandeling juist parallel aan de plaatsing bij [accommodatie] had moeten plaatsvinden. Ook heeft er een wisseling van de jeugdbeschermer plaatsgevonden. Het is de kinderrechter verder gebleken dat er door de vorige jeugdbeschermer ruis op de lijn is ontstaan tussen de ouders. Dit alles heeft niet bijgedragen aan een voortvarende voortgang van de ondertoezichtstelling en een uitbreiding van de contactmomenten tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de ouders.
5.2.
Tijdens de zitting is het voor de kinderrechter echter duidelijk geworden dat beide ouders gemotiveerd zijn om samen te werken in het belang van hun kinderen. De ouders hebben aangegeven open te staan voor verdere hulpverlening waaronder systeembehandeling en hulpverlening in de thuissituatie. De kinderrechter vindt het van groot belang dat de ingezette behandeling van [minderjarige 1] en het onderzoek naar de ontwikkelings- en traumagerelateerde problematiek van [minderjarige 2] worden voortgezet en dat goed wordt onderzocht of daarnaast systeemgerichte behandeling gericht op traumasensitief opvoeden nodig is.
5.3.
Hoewel de kinderrechter begrijpt dat een terugplaatsing zorgvuldig moet plaatsvinden, is het tijdens de zitting gebleken dat er voldoende perspectief bestaat op een terugkeer naar huis bij de ouders. De kinderrechter vindt het daarbij van belang dat een terugplaatsing niet overhaast plaatsvindt, zodat wordt voorkomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na een te snelle terugplaatsing opnieuw uit huis zouden moeten worden geplaatst. Alles afwegende is de kinderrechter van oordeel dat een beperkte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nog noodzakelijk is om de lopende behandeling en begeleiding verder vorm te geven en om een zorgvuldige opbouw naar terugplaatsing mogelijk te maken. Tegelijkertijd vindt de kinderrechter een langdurige verlenging niet passend ook gelet op de inzet van de ouders en het perspectief op terugkeer naar huis. Om die reden zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor een periode van drie maanden en het overige deel van het verzoek afwijzen. Het is aan de GI om in deze periode concreet toe te werken naar een terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hun ouders.
5.4.
De kinderrechter verwacht dat de GI samen met de ouders en de betrokken hulpverlening duidelijke afspraken maakt over de opbouw van de terugplaatsing, de verdeling van de zorg tussen de ouders en de invulling van de komende vakanties. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na afloop van de termijn van drie maanden weer thuis bij hun ouders kunnen wonen en dat de zorgregeling geleidelijk wordt opgebouwd en wordt toegewerkt naar bijvoorbeeld een week-op-week-af regeling waarbij beide kinderen samen blijven. De kinderrechter verwacht verder van de GI dat zij goed uitzoekt of de behandeling van de kinderen in Zeeuws-Vlaanderen of op Walcheren, dan wel Zuid-Beveland kan worden voortgezet. Dit met het oog op de geplande werkzaamheden aan de Westerscheldetunnel.
5.5.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De verdere beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 7 maart 2026 en tot 7 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.