De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2014 en 2016, die onder toezicht zijn gesteld sinds september 2023. De kinderrechter heeft eerdere machtigingen verleend en verlengd, waarbij de uithuisplaatsing plaatsvindt in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
Tijdens de zitting op 5 maart 2026 zijn de ouders, bijgestaan door advocaten, en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling gehoord. De minderjarigen hebben via begeleiders een bericht gestuurd waarin zij hun wens uiten om terug te keren naar huis. De ouders zijn gemotiveerd om samen te werken en hulpverlening te accepteren, maar wijzen op het belang van een zorgvuldige terugplaatsing.
De kinderrechter constateert dat de behandeling van de minderjarigen vertraagd is opgestart en dat er ruis was in de communicatie tussen ouders en jeugdbeschermer. Desondanks is er voldoende perspectief op terugkeer naar huis. Daarom wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor drie maanden, met de verwachting dat in die periode concreet wordt toegewerkt naar terugplaatsing. Het resterende deel van het verzoek wordt afgewezen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.