Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2596

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 april 2026
Zaaknummer
C/02/444919 / JE RK 26-234
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige met het oog op beëindiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering om de ondertoezichtstelling (OTS) van een minderjarige te verlengen met drie maanden. De minderjarige woont bij zijn moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De vader is afwezig en vertoont problematisch gedrag, waardoor het contact met de minderjarige is verbroken.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, gaf de moeder aan akkoord te zijn met de verlenging en benadrukte zij de noodzaak van een zorgvuldige overgang naar een vrijwillige ondersteuningsvorm. De minderjarige gaf aan zijn vader te missen en ervaart verdriet hierover, hoewel hij het goed doet op school en therapie volgt.

De kinderrechter constateert dat de wettelijke criteria voor verlenging zijn vervuld, mede vanwege de instabiele situatie rondom de vader en de noodzaak van voortzetting van therapie en passende schoolkeuze. De verlenging is bedoeld om de situatie te borgen en de overgang naar vrijwillige hulpverlening zorgvuldig te laten verlopen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de verlenging geldt tot 24 juni 2026.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met drie maanden tot 24 juni 2026 om toe te werken naar beëindiging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444919 / JE RK 26-234
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERINGte Eindhoven,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
  • een vertegenwoordigster van de GI (via een digitale verbinding in de zittingszaal).
1.3.
Hoewel correct opgeroepen, is de vader niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 24 juni 2021 tot 24 maart 2022.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 21 maart 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 24 maart 2022 tot 24 maart 2023. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 24 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI verzoekt tijdens de zitting de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor een periode van drie maanden met het doel toe te werken naar beëindiging van de ondertoezichtstelling. Volgens de GI zijn er op dit moment geen zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder. De moeder werkt goed samen met de hulpverlening en [minderjarige] wordt passend ondersteund door school en zijn therapeut. De GI geeft aan dat in de afgelopen jaren stappen zijn gezet om contact tussen [minderjarige] en zijn vader mogelijk te maken. Dit is echter niet gelukt, omdat de vader zich niet aan de gestelde voorwaarden wilde houden en inmiddels zelf het contact heeft beëindigd. De GI heeft op dit moment geen contact meer met de vader. Volgens de GI is het daarom passend om de ondertoezichtstelling af te ronden en de verdere ondersteuning in het vrijwillig kader te organiseren. Daarbij wordt gedacht aan de inzet van een casusregisseur die de moeder kan ondersteunen, bijvoorbeeld wanneer de vader in de toekomst opnieuw contact wil zoeken met [minderjarige] . Daarnaast zal met de betrokken hulpverlening worden gekeken of er in de therapie van [minderjarige] aandacht kan zijn voor het verdriet dat hij ervaart over het gemis van zijn vader. Het voornemen tot beëindiging zal aan de Raad worden voorgelegd.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting aangegeven dat zij akkoord is met het verzoek van de GI. Zij ervaart dat [minderjarige] op dit moment moeite heeft met bepaalde zaken met name rondom school. Hij gaat met tegenzin naar school en thuis laat hij meer boosheid en verdriet zien. Volgens de moeder lijkt [minderjarige] veel gevoelens bij zich te houden en vindt hij het lastig om deze te uiten. De moeder maakt zich daarnaast zorgen over de situatie rondom de vader van [minderjarige] . Zij ervaart het gedrag van de vader als onvoorspelbaar en heeft in het verleden dreigende berichten van hem ontvangen. Hierdoor vindt zij het belangrijk dat er ook na beëindiging van de ondertoezichtstelling een vorm van ondersteuning of een vangnet blijft bestaan, zodat zij ergens terecht kan wanneer de vader opnieuw contact zoekt.
De moeder vindt het daarom belangrijk dat de overgang naar het vrijwillig kader zorgvuldig wordt gedaan door de GI. Daarbij moet duidelijk zijn bij welke organisatie de moeder terecht kan voor casusregie en ondersteuning, zodat de veiligheid van [minderjarige] en de moeder ook na beëindiging van de ondertoezichtstelling voldoende geborgd blijft. Zij heeft een voorkeur voor een organisatie waar ook hulpverlening wordt geboden.
4.3.
[minderjarige] geeft in het gesprek met de kinderrechter aan dat het goed met hem gaat op school. Hij zit in groep 4, heeft een fijne klas en een leuke juf en meester. Het leren gaat goed. Op school krijgt hij soms extra ondersteuning zoals rustmomentjes en het gebruik van een koptelefoon, wat hij prettig vindt. Het leukste op school vindt hij buitenspelen.
[minderjarige] woont bij zijn moeder en geeft aan dat het thuis goed en fijn is. [minderjarige] vertelt dat hij zijn vader al langere tijd niet heeft gezien. De laatste keer was in maart vorig jaar. Hij geeft aan dat hij het vervelend vindt dat hij zijn vader niet meer ziet. [minderjarige] mist zijn vader, voelt zich daar verdrietig over en zou hem graag weer willen zien. Wanneer hij bij zijn vader was, vond hij het fijn om samen dingen te doen of op pad te gaan. [minderjarige] praat op dit moment met niemand over het feit dat hij zijn vader mist, ook niet tijdens de speltherapie waar hij sinds kort mee is gestart. Hij geeft aan dat hij het wel fijn zou vinden als zijn vader bijvoorbeeld een brief zou sturen of als er weer contact zou kunnen zijn.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
De beoordeling
5.3.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. Dit betekent dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van drie maanden. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.
5.4.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting stelt de kinderrechter vast dat er nog zorgen bestaan over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] heeft in zijn jonge leven veel meegemaakt. In het verleden was sprake van huiselijk geweld tussen zijn ouders waarna de moeder met [minderjarige] in een vrouwenopvang heeft verbleven. De moeder en [minderjarige] wonen nog steeds op een geheim adres, omdat er zorgen blijven bestaan over de veiligheid wanneer de vader opnieuw contact zou zoeken. Daarnaast is de situatie rondom de vader instabiel. De vader verblijft illegaal in Nederland, heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en kampt met middelengebruik en agressieregulatie-problemen. Sinds maart 2025 is er geen contact meer geweest tussen de vader en [minderjarige] . De vader houdt zich niet aan de voorwaarden voor begeleide omgang en heeft tijdens het laatste contactmoment agressief gedrag vertoond richting de begeleiding.
5.5.
Daarnaast stelt de kinderrechter vast dat [minderjarige] ook nog ondersteuning nodig heeft in zijn ontwikkeling. [minderjarige] volgt traumatherapie en speltherapie bij [jeugdhulp] om ervaringen uit het verleden te verwerken. Daarnaast zijn er zorgen over zijn schoolgang. [minderjarige] raakt snel overbelast en er wordt nog gezocht naar een school die beter aansluit bij zijn behoeften.
5.6.
Tegelijkertijd ziet de kinderrechter ook positieve ontwikkelingen. De moeder werkt goed samen met de hulpverlening en zet zich in voor de ontwikkeling van [minderjarige] . Ook wordt vanuit school en de hulpverlening actief meegedacht over passende ondersteuning.
5.7.
De kinderrechter vindt dat de komende periode gebruikt moet worden om de situatie goed te borgen voordat de ondertoezichtstelling kan worden beëindigd. Daarbij is van belang dat de traumatherapie van [minderjarige] wordt voortgezet en dat er duidelijkheid komt over een passende school. Het is van belang dat [minderjarige] ruimte krijgt om zijn verdriet een plek te geven rondom het gemis van zijn vader. Ook moet worden geregeld dat er in het vrijwillig kader een casusregisseur wordt betrokken die als vast aanspreekpunt voor de moeder kan fungeren. Daarnaast moeten er duidelijke afspraken worden gemaakt over hoe gehandeld wordt als de vader in de toekomst opnieuw contact wil zoeken, zodat moeder daarbij ondersteuning krijgt en de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd blijft. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling verlengen voor de verzochte duur van drie maanden, te weten tot 24 juni 2026.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.9.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van drie maanden, te weten met ingang van 24 maart 2026 en tot 24 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.