Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2597

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 april 2026
Zaaknummer
C/02/444935 / JE RK 26-238
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouden verzoek ondertoezichtstelling minderjarigen wegens gezinsconflict en contactbreuk

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van twee minderjarige broers vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling door wisselingen in verblijf en contactbreuk met de vader. De moeder erkende de gronden maar vond een ondertoezichtstelling niet nodig omdat zij al vrijwillige hulpverlening inzet. De vader heeft zich teruggetrokken en verzocht het gezag aan de moeder over te dragen, maar heeft geen bezwaar tegen ondertoezichtstelling.

De kinderrechter voerde een zitting met gesloten deuren waarbij de kinderen hun mening konden geven. De kinderen missen hun vader en willen het contact herstellen. De kinderrechter constateerde dat de communicatie tussen ouders problematisch is en dat vrijwillige hulpverlening nog onvoldoende is ingezet. Er is een wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer, maar een monitoringsteam kan al eerste stappen zetten.

Gezien de bereidheid van de moeder tot vrijwillige hulpverlening en de wens om de vader te betrekken, acht de kinderrechter het belangrijk eerst deze hulpverlening de kans te geven. Daarom wordt het verzoek niet afgewezen maar aangehouden voor vier maanden, waarna een toetsmoment volgt om de voortgang te beoordelen. De behandeling wordt voortgezet eind juni of begin juli 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt aangehouden voor vier maanden om vrijwillige hulpverlening en betrokkenheid van de vader af te wachten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444935 / JE RK 26-238
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDBESCHERMING, regio Zuidwest Nederland,
Eindhoven,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI,
gevestigd te Etten-Leur.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 februari 2026;
- het emailbericht van de vader, ingekomen op 23 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- een vertegenwoordigster van de Raad,
- een vertegenwoordigster van de GI (via een digitaal verbinding in de zittingszaal);
1.3.
Hoewel correct opgeroepen, is de vader (met schriftelijke afmelding) niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft tijdens de zitting het verzoek tot ondertoezichtstelling van
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Volgens de Raad blijkt uit het onderzoek dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in korte tijd meerdere ingrijpende veranderingen hebben meegemaakt waaronder wisselingen in hun verblijf. Eerst was er sprake van een contactbreuk met de moeder en inmiddels is er een contactbreuk met de vader. Over deze laatste breuk is er veel onduidelijkheid, terwijl beide kinderen wel de wens uitspreken om het contact met hun vader te herstellen. De Raad maakt zich zorgen over de vraag of het de ouders, gezien het ontbreken van onderling contact en de spanningen in hun communicatie, lukt om hierin zelfstandig stappen te zetten. De Raad vindt het van belang dat de GI betrokken raakt die het belang van de kinderen centraal stelt en kan ondersteunen bij het herstellen van de verhoudingen. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben namelijk behoefte aan duidelijkheid hierover. Daarnaast vindt de Raad het belangrijk dat beide ouders een rol blijven spelen in het leven van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] als dit op een veilige en verantwoorde manier gebeurt. Hoewel de vader op dit moment afstand lijkt te nemen en een andere visie heeft op zijn rol vindt de Raad het noodzakelijk dat er wordt geprobeerd hem opnieuw te betrekken bij de opvoeding en het contact met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De Raad geeft aan dat er inmiddels al hulpverlening voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wordt opgestart vanuit een vrijwillig kader maar dat deze situatie kwetsbaar is en begeleiding nodig blijft. Om die reden vindt de Raad een ondertoezichtstelling voor een periode van negen maanden passend zodat er voldoende tijd is om de doelen te realiseren.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting aangegeven dat wel aan de gronden van een ondertoezichtstelling wordt voldaan, maar dat er geen meerwaarde aan een ondertoezichtstelling lijkt te zitten, nu de moeder de benodigde hulpverlening in feite al heeft opgepakt vanuit een vrijwillig kader. Een ondertoezichtstelling is dan ook niet nodig. De moeder merkt op dat inmiddels al hulpverlening in het vrijwillig kader is ingezet onder meer in de vorm van gezinsgerichte hulpverlening voor de kinderen. De moeder werkt hier volledig aan mee. Volgens de moeder ligt de kern van het probleem in de houding van de vader. Hij werkt niet mee aan hulpverlening, reageert niet op pogingen tot contact van de kinderen en heeft aangegeven zich uit de situatie terug te willen trekken en het gezag bij de moeder te willen laten. Daardoor rijst volgens de moeder de vraag in hoeverre een ondertoezichtstelling daadwerkelijk uitvoerbaar en zinvol is. Verder erkent de moeder dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een moeilijke positie hebben gezeten en dat zij klem zijn geraakt in de conflictsituatie tussen de ouders. Tegelijkertijd stelt de moeder dat zij zich steeds bereid heeft getoond om mee te werken aan hulpverlening en om in het belang van de kinderen stappen te zetten. Volgens moeder gaat het op dit moment beter met de kinderen sinds zij weer bij haar wonen. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] durven weer open te vertellen wat zij hebben meegemaakt en wat hen bezighoudt. Ook op school pakken zij hun leven weer op, al hebben zij door de eerdere verhuizing en schoolwissel een achterstand moeten inhalen waarvoor zij hard hebben moeten werken. De moeder benadrukt dat zij zich inspant om stabiliteit te bieden binnen het gezin en dat dit goed verloopt ondanks de dynamiek van een samengesteld gezin. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn blij met hun jongere zusje.
4.3.
De vader laat per emailbericht, ontvangen door de rechtbank op 23 februari 2026, weten dat hij heeft verzocht om het volledige gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] over te dragen aan de moeder. Volgens de vader bevat het dossier meerdere onjuistheden en zijn gesprekken en feiten onvolledig of onjuist weergegeven. Hij ervaart dat zijn standpunten onvoldoende worden meegenomen en dat verklaringen van de moeder volgens hem zonder voldoende kritische toetsing worden gevolgd, terwijl volgens hem andere betrokken instanties tot andere bevindingen zijn gekomen. De vader geeft aan dat er sinds oktober 2025 geen contact meer mogelijk is met de moeder en dat hij geen contact heeft met de kinderen. Volgens de vader worden de kinderen van hem en andere familieleden waaronder hun oma en oom, weggehouden. Hierdoor ervaart de vader dat er geen ruimte is om een gezonde band met de kinderen op te bouwen. Om verdere escalatie te voorkomen heeft de vader ervoor gekozen zich uit de situatie terug te trekken en afstand te doen van zijn verantwoordelijkheden rondom de kinderen. De vader hoopt dat er in de toekomst als [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ouder zijn alsnog ruimte kan ontstaan om het contact te herstellen. De vader geeft daarnaast aan geen bezwaar te hebben tegen een ondertoezichtstelling, omdat hij van mening is dat toezicht door een GI mogelijk kan bijdragen aan een betere situatie voor de kinderen.
4.4.
De GI geeft tijdens de zitting aan dat zij een ondertoezichtstelling noodzakelijk vindt. Volgens de GI is het duidelijk dat de vader op dit moment niet meewerkt aan hulpverlening en zich terughoudend opstelt in het contact met de kinderen. Juist daarom acht de GI het van belang dat er een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken waarmee meer mogelijkheden ontstaan om stappen richting de vader te zetten en hem te betrekken bij de situatie van de kinderen. De GI geeft aan dat er op dit moment sprake is van wachttijden voordat een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Gedurende die wachttijd wordt echter gewerkt met een monitoringsteam bestaande uit jeugdbeschermers die binnen enkele dagen contact opnemen met het gezin en waar mogelijk al eerste stappen kunnen worden gezet. Daarnaast geeft de GI aan dat hulpverlening die in het vrijwillig kader is gestart in overleg kan doorlopen wanneer een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken.
4.5.
[minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat hij in 3 Havo zit en dat het naar omstandigheden goed met hem gaat op school. Door de verhuizing heeft hij een periode onderwijs gemist waardoor hij extra moet leren om de gemiste basiskennis in te halen. Hij heeft op dit moment een gemiddeld cijfer van 5,2 en doet zijn best om dit te verbeteren. Hij is blij dat hij weer op zijn oude school en in zijn oude klas zit en dat hij weer in [woonplaats 1] woont. [minderjarige 2] is ook blij dat hij weer bij zijn moeder woont. De communicatie met zijn moeder en haar partner verloopt volgens hem goed al moet de relatie nog verder worden opgebouwd. Hij is erg blij met zijn halfzusje. Zij is een lichtpunt in het gezin en hij zorgt graag voor haar. Het contact met zijn vader is er op dit moment niet. [minderjarige 2] heeft geprobeerd hem te bereiken, maar heeft geen reactie gekregen. Hij begrijpt niet goed waarom dit zo is, maar denkt dat zijn vader mogelijk wel contact wil. [minderjarige 2] zou zijn vader graag weer willen zien maar dan op een positieve manier en zonder conflicten. Over een ondertoezichtstelling geeft [minderjarige 2] aan dat hij niet goed weet of dit nodig is. Hij heeft er echter ook geen groot bezwaar tegen als er iemand meekijkt.
4.6.
[minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat hij in het derde leerjaar van het VMBO zit. Hij wil later kapper worden en loopt stage bij een kapsalon. Dit jaar begint hij met zijn examens. Hij is blij dat hij weer in zijn oude klas zit en weer in [woonplaats 1] woont, omdat hij daarmee zijn oude leven met school, vrienden en werk heeft kunnen oppakken. Thuis moest in het begin veel worden uitgepraat. [minderjarige 1] vond dat soms vermoeiend, maar inmiddels gaat het volgens hem goed. Hij is erg blij met zijn jongere zusje. Het contact met zijn vader is er op dit moment niet. [minderjarige 1] vindt dit moeilijk en begrijpt niet goed waarom dit zo is. Hij zou het contact met zijn vader graag weer willen opbouwen. Ook wil hij het contact met zijn oma van vaderszijde herstellen met wie inmiddels voorzichtig weer contact is gelegd. [minderjarige 1] geeft aan dat hij een ondertoezichtstelling niet nodig vindt en het niet prettig vindt als iemand van buitenaf meekijkt. Hij heeft vertrouwen dat zijn moeder zelf beslissingen kan nemen. Indien nodig kan hij op school met zijn mentor praten.

5.De beoordeling

Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
De beoordeling
5.3.
De kinderrechter stelt voorop dat uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat er zorgen bestaan over de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . In het afgelopen jaar hebben zij ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt waaronder een verhuizing, een periode zonder contact met hun moeder en vervolgens een terugkeer van de vader naar de moeder. Deze wisselingen hebben veel van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gevraagd. Hoewel het op dit moment naar omstandigheden beter met hen lijkt te gaan en zij hun leven in [woonplaats 1] weer hebben opgepakt met school, vrienden en werk maakt de kinderrechter zich zorgen over de emotionele belasting die zij het afgelopen jaar hebben ervaren.
5.4.
Daarnaast is het contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en hun vader sinds hun terugkeer naar [woonplaats 1] vrijwel geheel weggevallen. Voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is onduidelijk waarom dit contact abrupt is gestopt. Beiden geven aan hun vader te missen en de wens te hebben het contact met hem weer te herstellen. De kinderrechter vindt de verhouding tussen de ouders ook zorgelijk. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de ouders na de scheiding in een stevige strijd met elkaar verwikkeld zijn geraakt. De communicatie tussen de ouders is problematisch en het lukt hen onvoldoende om gezamenlijk invulling te geven aan het ouderschap. Hierdoor komt het contact tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder druk te staan. De kinderrechter vindt dat hulpverlening gericht op het verbeteren van de communicatie tussen de ouders en het herstellen van het contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en hun vader daarom van belang is.
5.5.
De kinderrechter is het eens met de advocaat van de moeder dat de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling in beginsel aanwezig zijn. Tegelijkertijd constateert de kinderrechter ook dat een ondertoezichtstelling zonder medewerking en samenwerking van de vader in de praktijk niet goed kan worden uitgevoerd. Ook constateert de kinderrechter tijdens de zitting dat er een wachtlijst van maanden is voor een vaste jeugdbeschermer van de GI. In het rapport van de Raad wordt beschreven dat er in het gezin tot op heden weinig tot geen vrijwillige hulpverlening is ingezet. Ook heeft de moeder tijdens de zitting laten zien dat zij bereid is om mee te werken aan vrijwillige hulpverlening en dat ook [minderjarige 2] en [minderjarige 1] daarvoor openstaan. Verder is naar voren gekomen dat er inmiddels door de moeder contact is gelegd met De Gezinsmanager en dat wordt gezocht naar mogelijkheden voor hulpverlening zoals systeemtherapie. Dit onder andere om het contact tussen de kinderen en hun vader te kunnen herstellen. De kinderrechter vindt het van belang dat eerst wordt afgewacht hoe deze vrijwillige hulpverlening vorm krijgt en welke stappen daarin worden gezet. Daarbij vindt de kinderrechter het belangrijk dat wordt geprobeerd om ook de vader bij de hulpverlening te betrekken. Hoewel de kinderrechter er rekening mee houdt dat het lastig kan zijn om de vader te laten meewerken, moet wel worden geprobeerd om met hem in gesprek te gaan en te onderzoeken of en hoe het contact met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kan worden hersteld. Dit sluit bovendien aan bij de wens van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] om hun vader weer te zien.
5.6.
Gelet op het voorgaande vindt de kinderrechter het op dit moment van belang dat de vrijwillige hulpverlening eerst daadwerkelijk de kans krijgt om op gang te komen. De moeder heeft laten zien dat zij bereid is hieraan mee te werken en vooralsnog lijkt deze vrijwilligheid voldoende duurzaam. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de vader ook zijn medewerking gaat verlenen, in het belang van zijn zoons. Dit maakt dat een ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] (op dit moment) nog niet aan de orde is. Gelet hierop zal de kinderrechter het verzoek van de Raad niet afwijzen, zoals primair is verzocht door de moeder, maar zal zij het verzoek aanhouden voor de duur van vier maanden. Daarmee wordt een toetsmoment gecreëerd en kan in deze periode worden gevolgd welke hulpverlening wordt ingezet, welke stappen De Gezinsmanager zet en dan met name ten aanzien van het contact met de vader en hoe de houding van de vader daarin is. De behandeling van het verzoek van de Raad zal daarom worden aangehouden tot een nader in te plannen zitting eind juni / begin juli 2026. De Raad wordt verzocht om uiterlijk twee weken voor deze datum schriftelijk verslag uit te brengen wat de resultaten zijn dan wel de stand van zaken is omtrent het hulpverleningstraject en de ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden. Ook dient de Raad zich uit te laten over zijn standpunt ten aanzien van het verzoek.
5.7.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
houdt de behandeling van het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] aan tot de nader in te plannen zitting
eind juni / begin juli 2026bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, in afwachting van bericht van de Raad zulks met inachtneming van hetgeen door de kinderrechter in rechtsoverweging 5.5. en 5.6. is weergegeven;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.