Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2598

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 april 2026
Zaaknummer
C/02/444798 / JE RK 26-221
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleeggezin

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 5 maart 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds 2018 in een pleeggezin verblijft. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar de GI verzoekt verlenging vanwege de blijvende bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en het belang van stabiliteit en veiligheid in het pleeggezin.

Tijdens de zitting was de vader aanwezig, de moeder was wegens psychische problemen afwezig. De pleegouders ondersteunen het verzoek. De minderjarige vertoont angst- en stressreacties, afhankelijkheid van de pleegmoeder en heeft moeite met contactmomenten met de moeder, die vanwege haar psychische toestand alleen onder begeleiding telefonisch contact heeft. De vader onderhoudt positieve contactmomenten.

De kinderrechter oordeelt dat de doelstellingen van de ondertoezichtstelling slechts gedeeltelijk zijn behaald en dat de ouders nog niet in staat zijn zelfstandig beslissingen te nemen in het belang van de minderjarige. Het toekomstperspectief ligt bij de pleegouders, zoals eerder vastgesteld. Gezien de onduidelijkheid over de termijn van een ingediend verzoek tot gezagsbeëindiging, wordt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor een jaar. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van één jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444798 / JE RK 26-221
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
de heer en mevrouw [de pleegouders] ,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de pleegouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader;
  • de pleegouders;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 9 maart 2026. Tevens is bij die beschikking een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, ook tot 9 maart 2026.

3.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt tevens de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend, samengevat, het volgende aangevoerd. De jaarlijks terugkerende verlengingen van beide beschermingsmaatregelen zorgen bij de ouders voor blijvende hoop op een terugplaatsing. Echter is het besluit dat het perspectief van [minderjarige] in het pleeggezin ligt al in een eerder stadium genomen. Desgevraagd wordt aangegeven dat, voor zover de GI bekend, dat ook door de kinderrechter als zodanig is getoetst. Niettemin leidt de voortdurende onzekerheid bij de ouders tot spanningen rondom procedures en contactmomenten. Ook [minderjarige] wordt daardoor emotioneel belast. Zij laat signalen zien van angst, verhoogde afhankelijkheid van de pleegouders en zij vertoont lichamelijke stressreacties. Dit ondermijnt haar gevoel van basisveiligheid en vergroot ook het risico op loyaliteitsconflicten, emotionele overbelasting en problemen in haar hechtings- en identiteitsontwikkeling.
In de afgelopen tijd is aan de doelen van de ondertoezichtstelling gewerkt. Gebleken is dat de vader ziet dat [minderjarige] het goed doet en een gelukkig meisje is binnen het gezin van de pleegouders. Hij straalt als hij het over [minderjarige] heeft. Er lijkt bij hem sprake van meer berusting over het blijvend wonen van [minderjarige] binnen het pleeggezin. Bij de moeder ligt dit gevoeliger. Zij spreekt steeds uit dat [minderjarige] haar dochter is en dat zij als ouder voor haar wil zorgen. Ook wil zij dat een nichtje van haar contact krijgt met [minderjarige] . Dit opdat [minderjarige] naar haar kan, indien de ouders iets mocht overkomen. Tevens wordt gezien dat het op psychisch vlak vanaf juli 2025 steeds slechter gaat met de moeder. Zij heeft in het afgelopen jaar meerdere psychoses gehad waardoor zij ook vaak heel moeilijk bereikbaar was en door de hulpverlening werd afgeraden om te komen praten over [minderjarige] . Ook komt de moeder dwingender over als het om bezoek gaat met [minderjarige] en is zij minder toegankelijk gebleken om papieren in haar belang te ondertekenen. De moeder is wegens haar huidige psychisch toestandsbeeld niet in staat om vandaag bij de zitting aanwezig te zijn. Zij had het voornemen om haar standpunt op schrift te stellen en ter zitting te laten overhandigen, echter is dit haar vervolgens niet gelukt.
4.2.
De bezoeken tussen [minderjarige] en haar ouders vinden plaats bij [locatie] en worden begeleid door een hulpverlener van SDW en de pleegmoeder. Voor [minderjarige] is de pleegmoeder betrokken, die voor haar als veilig hechtingsfiguur fungeert. De bezoeken verlopen regelmatig gespannen omdat de moeder niet weet aan te sluiten bij dat wat [minderjarige] nodig heeft. Ook is gezien bij enkele bezoekmomenten dat de moeder, die medicatie gebruikt wegens haar psychotische kwetsbaarheid, apathisch voor zich uit zat te staren. [minderjarige] uitte zich vervolgens door te kokhalzen of zelfs door te spugen. Zij is daardoor erg van slag geraakt. Door ook te kokhalzen en te spugen duurde het langere tijd om te herstellen. Ook kampte [minderjarige] vóór en na de bezoeken waar de moeder bij aanwezig was met angsten, zocht zij de pleegmoeder nog vaker op en kon zij niet meer in haar eigen bed slapen, maar uitsluitend fysiek dicht tegen de pleegmoeder aan. Ook zocht [minderjarige] vaak bevestiging bij de pleegmoeder door te vragen of zij lief is en of zij nog van haar houdt.
4.3.
De fysieke bezoekmomenten tussen [minderjarige] en de vader verlopen positief. In oktober 2025 is besloten dat de moeder geen fysieke contactmomenten met [minderjarige] meer kan hebben. Dit is aan [minderjarige] op een leeftijdsadequate manier uitgelegd. Wel heeft zij sindsdien éénmaal per maand een beeldbelmoment gehad met haar moeder en heeft zij tekeningen voor haar gemaakt, die zij tijdens bezoeken van de vader mee gaf, opdat hij deze aan de moeder kon geven. Momenteel vinden de belmomenten van [minderjarige] met de moeder wegens haar psychische toestand onder begeleiding plaats. Het is van het verdere verloop van het contact afhankelijk of deze begeleide belmomenten kunnen blijven plaats vinden.
4.4.
Voor wat betreft het zelfstandig slapen en het durven aangaan van nieuwe situaties met ondersteuning heeft [minderjarige] een groei doorgemaakt. Hoewel dit op zichzelf een positief gegeven is blijft er sprake van een fragiele situatie. De pleegmoeder heeft in het afgelopen jaar erg veel geïnvesteerd. Zo heeft zij samen met [minderjarige] [ondersteuning] gevolgd, wat op [minderjarige] een gunstige uitwerking heeft gehad. Ook heeft zij wegens specifieke signalen vanuit [minderjarige] contact gezocht met een kinderarts. Deze arts heeft vervolgens de medicatie verhoogd, waardoor [minderjarige] meer ontspannen in haar vel kwam te zitten. Zij slaapt nu al een aantal weken zelfstandig in haar eigen bed. Op sommige momenten verliep dit wel wat moeilijker, zoals tijdens onvoorspelbare bezoekmomenten en de feestdagen. Voor de bijzondere dagen op school heeft de pleegmoeder alles uitgetekend voor [minderjarige] en was zij als hulpmoeder in de klas aanwezig. Hierdoor kon [minderjarige] net als ieder ander kind uit haar klas meedoen aan de bijzondere activiteiten op school.
4.5.
De GI concludeert dat een verlenging van de ondertoezichtstelling op dit moment nog noodzakelijk is omdat [minderjarige] nog steeds in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Daarbij zijn de ouders nog steeds niet in staat om in haar belang, in het vrijwillig kader, zelfstandig beslissingen te nemen. Tevens is een verlenging van beide beschermingsmaatregelen noodzakelijk om de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin te (blijven) waarborgen, nu die essentieel is voor haar veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling. De GI handhaaft daarom haar verzoek. Al jaren geleden is immers bepaald dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt.
4.6.
In de aankomende periode zal er onder meer worden gewerkt aan de navolgende doelen:
1. [minderjarige] heeft veilige en voorspelbare contactmomenten met haar moeder, waarbij
het contact aansluit bij wat [minderjarige] op dat moment aankan, zonder dat fysiek contact wordt afgedwongen. Gebleken is dat [minderjarige] spanning en angst en heeft ervaren tijdens bezoekmomenten met haar moeder en dat, wanneer het contact niet aansluit bij wat [minderjarige] aankan en/of nodig heeft, dit haar gevoel van veiligheid aantast. Er dient daarom voor te worden gezorgd dat [minderjarige] contact met haar moeder kan blijven hebben op een manier die voor haar veilig is en haar ontwikkeling ondersteunt, ook als fysiek contact (nog) niet mogelijk is.
2. Er wordt een verzoek met betrekking tot een gezagsbeëindigende maatregel
voorbereid. De ouders krijgen ieder jaar opnieuw hoop dat [minderjarige] thuis kan komen wonen. Daardoor blijft er onzekerheid bestaan over haar toekomst. Deze onzekerheid zorgt voor spanning bij [minderjarige] en belemmert haar gevoel van veiligheid. Zonder een duurzame oplossing blijft deze spanning zich jaarlijks herhalen. Van belang is dat deze terugkerende onzekerheid stopt om [minderjarige] de rust te geven die zij nodig heeft om gezond op te groeien. Het verzoek met betrekking tot een gezagsbeëindigende maatregel is deze week ten aanzien van beide ouders ingediend en ook in het plan van aanpak meegenomen. Er is nog geen zittingsdatum bekend. De doelstelling is dan ook dat de GI alle betrokkenen in dat traject zal begeleiden.

5.De standpunten van de belanghebbenden

5.1.
De vader heeft opgemerkt dat de contactmomenten tussen hem en [minderjarige] prettig verlopen. Hij is inderdaad erg trots op zijn dochter. De communicatie tussen hem en de pleegouders verloopt plezierig. Zij doen hun uiterste best in het belang van [minderjarige] , waarvoor hij hen complimenten maakt. Hij vindt het vervelend voor de moeder dat het momenteel psychisch niet goed met haar gaat, ook voor [minderjarige] is dit niet fijn. Hij ondersteunt het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing. De vader vindt het fijn dat [minderjarige] bij de pleegouders kan blijven wonen. Hij is bekend met de beslissing over de bepaling van het toekomstperspectief.
5.2.
De pleegouders hebben naar voren gebracht dat het momenteel redelijk gaat met [minderjarige] . Wel laat zij blijken dat zij nog vaak de nabijheid van de pleegmoeder nodig heeft. De pleegmoeder sluit daarom vaak aan bij schoolactiviteiten ter ondersteuning van [minderjarige] . Ook in het contact met vriendinnetjes laat [minderjarige] blijken dat zij haar nabijheid nodig heeft, daarom spreekt zij niet buitenshuis met hen af. [minderjarige] weet wie haar biologische ouders zijn. Wanneer er over haar biologische moeder wordt gesproken of er wordt voorgesteld om voor haar een tekening te maken leidt dit bij [minderjarige] zichtbaar tot spanningen en ook weerstand. Met haar juf heeft [minderjarige] een erg goede band. Deze leerkracht voelt ook feilloos aan wat [minderjarige] nodig heeft. Als de pleegouders van [minderjarige] staan zij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing staan. [minderjarige] kan bij hen blijven wonen. Ook zij zijn bekend met de bepaling van het toekomstperspectief van [minderjarige] , namelijk dat zij bij hen mag blijven wonen.

6.De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de
ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.1.
In de afgelopen periode is er gewerkt aan de doelstellingen van de ondertoezichtstelling, te weten (a) dat [minderjarige] weet dat de pleegouders voor haar zullen blijven zorgen, (b) dat [minderjarige] vanuit de ouders en de pleegouders toestemming krijgt voor de hulpverlening die zij nodig heeft, (c) dat [minderjarige] vertrouwen heeft in de bezoekmomenten met haar ouders, dat deze fijn verlopen en zij daardoor geen spanningen opbouwt, dat de biologische ouders met haar spelactiviteiten ondernemen en zij het accepteren wanneer zij aangeeft dat zij iets niet wil, (d) dat [minderjarige] zelfstandig kan slapen en zij nieuwe situaties durft aan te gaan, waarbij zij door de pleegouders wordt ondersteund en zij geen spanningsopbouw of claimend gedrag en/of fysieke klachten laat zien.
6.2.
Naar het oordeel van de kinderrechter blijkt voorts uit de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting dat de doelstellingen niet of slechts gedeeltelijk zijn behaald. Ondanks dat er door de GI een perspectiefbesluit is genomen blijkt er bij de ouders, zij het in meerdere mate bij de moeder, de hoop op een terugplaatsing nog steeds aanwezig. Ook blijken de ouders nog altijd niet in staat te zijn om in het belang van [minderjarige] zelfstandig beslissingen te nemen. De GI heeft, bij wijze van aanvullende doelstelling, een verzoek met betrekking tot een gezagbeëindigende maatregel voorbereid, welk verzoek inmiddels bij de rechtbank is ingediend. De kinderrechter betrekt ook nadrukkelijk bij zijn oordeel dat [minderjarige] nog steeds zichtbaar onder de situatie gebukt gaat, wat blijkt uit angst- en stressreacties en het in toenemende mate vragen van de nabijheid en bevestiging van de pleegmoeder. Tevens is gebleken dat, ondanks dat [minderjarige] met betrekking tot het zelfstandig slapen en het met ondersteuning durven aangaan van nieuwe situaties een groei heeft doorgemaakt, zij op sommige momenten, zoals in geval van onverwachte c.q. onvoorspelbare situaties, maar ook bij bijzondere activiteiten op school de nabijheid van de pleegmoeder ter ondersteuning en/of voorbereiding nog steeds hard nodig heeft. Ten slotte geldt dat er zorgen zijn over het verloop van de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder, die wegens de actuele psychische toestand van de moeder momenteel uitsluitend telefonisch en onder begeleiding plaatsvinden. Van belang is dat die contacten voor [minderjarige] uit oogpunt van haar ontwikkeling veilig en verantwoord (kunnen) verlopen, dat deze aansluiten bij wat zij aan kan en dat de contacten gemonitord blijven worden.
6.3.
Voor de beoordeling van het verzoek met betrekking tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing acht de kinderrechter van belang dat in de beschikking van 14 februari 2025 in alinea 5.3 het volgende is overwogen:
“ [minderjarige] is sinds 31 oktober 2018 bij de pleegouders. Op 23 januari 2019 is door SDW het opvoedbesluit genomen dat [minderjarige] niet kan opgroeien bij de ouders en de ouders zien in dat zij niet de basis kunnen bieden voor het opvoeden en verzorgen van [minderjarige] , die nodig is. De kinderrechter acht het daarom van belang dat het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders de komende periode gewaarborgd wordt door middel van een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.”
Uit deze rechtsoverweging wordt afgeleid dat het toekomstperspectief van [minderjarige] door de kinderrechter in de beschikking van 14 februari 2025 als zodanig is getoetst, nu hierin is overwogen dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt. Uitgaande van deze toetsing is in de afgelopen periode gewerkt aan de in 6.2. onder a. genoemde doelstelling dat [minderjarige] weet dat de pleegouders voor haar zullen blijven zorgen,
6.4.
De kinderrechter ziet, ondanks aanvankelijke twijfels over de duur van de te verlengen beschermingsmaatregelen, aanleiding om daarin toch het verzoek van de GI voor wat betreft de termijn te volgen. Dit omdat weliswaar bekend is dat er inmiddels een verzoek tot een gezagsbeëindigende maatregel van beide ouders is ingediend, maar op dit moment is nog onduidelijk binnen welke termijn dit verzoek zal worden behandeld c.q. over dit verzoek zal zijn beslist. Daarom zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van één jaar, als verzocht.
6.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
6.6.
De kinderrechter zal zijn beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 9 maart 2026 tot 9 maart 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 9 maart 2026 tot 9 maart 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.