De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 5 maart 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds 2018 in een pleeggezin verblijft. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar de GI verzoekt verlenging vanwege de blijvende bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en het belang van stabiliteit en veiligheid in het pleeggezin.
Tijdens de zitting was de vader aanwezig, de moeder was wegens psychische problemen afwezig. De pleegouders ondersteunen het verzoek. De minderjarige vertoont angst- en stressreacties, afhankelijkheid van de pleegmoeder en heeft moeite met contactmomenten met de moeder, die vanwege haar psychische toestand alleen onder begeleiding telefonisch contact heeft. De vader onderhoudt positieve contactmomenten.
De kinderrechter oordeelt dat de doelstellingen van de ondertoezichtstelling slechts gedeeltelijk zijn behaald en dat de ouders nog niet in staat zijn zelfstandig beslissingen te nemen in het belang van de minderjarige. Het toekomstperspectief ligt bij de pleegouders, zoals eerder vastgesteld. Gezien de onduidelijkheid over de termijn van een ingediend verzoek tot gezagsbeëindiging, wordt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor een jaar. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.