Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2606

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/02/444461 / FA RK 26-462 en C/02/445631 / FA RK 26-1121
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:247 BWArt. 1:266 BWArt. 1:275 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd over minderjarige kinderen na overlijden moeder en vertrek vader naar Syrië

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde twee zaken: een verzoek van een minderjarige om haar oudere broer als voogd te benoemen via de informele rechtsingang, en een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het gezag van de vader over drie minderjarige kinderen en benoeming van de broer als voogd.

De moeder van de minderjarigen is in oktober 2025 in Syrië overleden. De vader is in Syrië gebleven en heeft geen concrete regelingen getroffen voor de verzorging en opvoeding van zijn kinderen in Nederland. De kinderen wonen samen in de ouderlijke woning en worden verzorgd door hun meerderjarige broer en hulpverlening. De vader is slecht bereikbaar en draagt zijn ouderlijke verantwoordelijkheden niet meer.

De rechtbank oordeelt dat de informele rechtsingang niet openstaat voor het verzoek van de minderjarige om een voogd te benoemen. Het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de vader wordt toegewezen omdat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en de vader niet in staat is zijn verantwoordelijkheden binnen een aanvaardbare termijn te dragen.

De meerderjarige broer wordt benoemd tot voogd, met instemming van alle betrokkenen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze per direct van kracht is. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het gezag van de vader over de minderjarigen wordt beëindigd en de meerderjarige broer wordt benoemd als voogd.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummers: C/02/444461 / FA RK 26-462 (informele rechtsingang)
: C/02/445631 / FA RK 26-1121 (gezagsbeëindigende maatregel)
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Beschikking op de vraag van de minderjarige door middel van een informele rechtsingang alsmede gezagsbeëindiging en benoeming voogd
in de zaken van
de minderjarige
[minderjarige 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] , Syrië,
wonende in [woonplaats],
in de zaak C/02/444461 / FA RK 26-462,
en
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
als adviseur op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak C/02/444461 / FA RK 26-462,
verzoeker in de zaak C/02/445631 / FA RK 26-1121.
De rechtbank merkt als belanghebbende in de zaak C/02/445631 / FA RK 26-1121 aan:
[de broer], de meerderjarige broer van [minderjarige 1] ,
hierna te noemen: [de broer] ,
wonende in [woonplaats].

1.Het verloop van de zaken

1.1.
Op 27 januari 2026 heeft de rechtbank een brief ontvangen van [minderjarige 1] .
1.2.
Op 27 februari 2026 heeft de (kinder)rechter met [minderjarige 1] over haar brief gesproken. Tijdens dit gesprek waren [de broer] , een hulpverleenster vanuit [hulpverlening] en een vertegenwoordigster namens de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig.
1.3.
Op 6 maart 2026 heeft de Raad een verzoekschrift tot beëindiging gezag, met bijlagen, bij de griffie van de rechtbank ingediend.

2.De feiten

2.1.
Op [geboortedag 1] 2011 is [minderjarige 1] geboren in [geboorteplaats 1] , Syrië als kind van de heer [de vader] , geboren op [geboortedag 2] 1976 te [geboorteplaats 1] , Syrië (hierna te noemen: de vader) en mevrouw [de moeder] , geboren op [geboortedag 3] 1977 in [geboorteplaats 1] , Syrië (hierna te noemen: de moeder).
2.2.
[minderjarige 1] heeft meerderjarige broers genaamd [persoon 1] , [persoon 2] , [de broer] en [de moeder] , en een meerderjarige zus genaamd [persoon 3] . Daarnaast hebben zij de hierna te noemen nu nog minderjarige zus en broer:
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 4] 2016 in [geboorteplaats 1] , Syrië,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 5] 2019 in [geboorteplaats 1] , Syrië,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
2.3.
[minderjarige 1] woont momenteel samen met haar broers en zussen.

3.De vraag van [minderjarige 1]

3.1.
vraagt in de zaak C/02/444461 / FA RK 26-462 aan de (kinder)rechter om haar oudere broer [de broer] te benoemen als voogd over haarzelf en over haar jongere zusje [minderjarige 2] en haar jongere broertje [minderjarige 3] .
3.2.
[minderjarige 1] heeft in haar brief en tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. In september 2025 zijn de ouders van [minderjarige 1] naar Syrië gereisd. De moeder van [minderjarige 1] leed aan kanker en is op 15 oktober 2025 in Syrië overleden. De vader van [minderjarige 1] wil niet meer terugkomen naar Nederland. Hij blijft in Syrië met zijn andere vrouw en kinderen. [minderjarige 1] woont momenteel met haar meerderjarige en minderjarige broers en zussen in de ouderlijke woning in [woonplaats] . Volgens [minderjarige 1] heeft haar vader aangegeven dat hij geen verantwoordelijkheid meer kan en wil dragen voor zijn kinderen in Nederland. [minderjarige 1] en haar broers en zussen zijn hier erg boos en verdrietig over. [minderjarige 1] en haar broers en zussen hebben momenteel weinig tot geen contact met hun vader. Zij spreken hem hooguit een keer per maand, terwijl zij hem nodig hebben om allerlei belangrijke (gezags)zaken te regelen.
3.3.
[minderjarige 1] stelt dat het momenteel goed met hen gaat. De ouderen zorgen zogezegd voor de jongeren. De ouderen hebben werk, terwijl de jongeren naar school gaan en bijvoorbeeld naar zwemles. [minderjarige 1] en haar broers en zussen willen graag bij elkaar blijven, maar zij maken zich zorgen dat de jongste kinderen uit huis geplaatst zullen worden. Zij hebben contact opgenomen en hun situatie uitgelegd aan verschillende instanties zoals de gemeente, Veilig Thuis en school. Er is onder andere een procesregisseur en hulpverlening vanuit [hulpverlening] betrokken. Hoewel deze instanties en personen hulp bieden en zij doen wat zij kunnen, is het tot nu toe niet gelukt om de problemen rondom de gezagsuitoefening op te lossen. Daarom heeft [minderjarige 1] , op advies van de hulpverleenster vanuit [hulpverlening] , een brief geschreven aan de rechtbank.

4.Het verzoek van de Raad

4.1.
De zittingsvertegenwoordigster namens de Raad die bij het kindgesprek aanwezig was, heeft aangegeven dat zij voornemens is om een (spoed)onderzoek te verrichten naar de opvoed- en gezagssituatie over [minderjarige 1] en de andere minderjarige kinderen uit het gezin.
4.2.
De Raad verzoekt thans in de zaak C/02/445631 / FA RK 26-1121, naar aanleiding van het raadsonderzoek dat in de afgelopen week is verricht, om het gezag van de vader over de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te beëindigen. De Raad adviseert om hun meerderjarige broer [de broer] (geboren op [geboortedag 6] 2004 te [geboorteplaats 2] , Syrië) te benoemen als voogd over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De Raad verzoekt tot slot om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.3.
De Raad heeft daartoe, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De vader heeft, nadat de moeder is overleden, besloten om in Syrië te blijven wonen, bij zijn andere vrouw en kinderen. De vader heeft dit gedaan zonder een vooropgezet plan. Voorafgaand aan zijn vertrek naar Syrië heeft hij niets geregeld voor zijn achtergebleven kinderen in Nederland. De vader woont momenteel in een afgelegen gebied in Syrië waar hij niet altijd goed bereikbaar is. Dit heeft inmiddels tot een aantal grote problemen geleid voor [minderjarige 1] en haar broers en zussen. Zij ontvangen namelijk nog steeds de uitkeringen van hun ouders, terwijl zij daar eigenlijk geen recht op hebben. Normaal gesproken zou de gemeente onterechte betalingen terugvorderen, maar door de inspanningen van de betrokken medewerkers van de gemeente en de betrokken hulpverlening zijn de uitkeringen nog niet stopgezet en hoeven zij de tot nu toe de onterecht ontvangen betalingen niet terug te betalen. Maar deze situatie is niet langer houdbaar. Daarbij komt dat zij een groot deel van de ontvangen betalingen moeten doorsturen aan hun vader, waardoor er te weinig overblijft voor henzelf. Daarnaast zijn de minderjarige kinderen verzekerd via de zorgverzekering van hun ouder(s). Het overlijden van de moeder is nog niet doorgegeven aan de zorgverzekeraar, omdat de zorgverzekeringen dan zouden worden stopgezet met als gevolg dat de minderjarigen niet langer verzekerd zijn. Naast dat de vader onvoldoende bereikbaar en beschikbaar is om de belangrijke (gezags)zaken over de minderjarigen (tijdig) te regelen en de beslissingen te nemen, heeft de vader op dit moment onvoldoende zicht op wat de minderjarigen nodig hebben. Dit terwijl de minderjarigen (en de andere kinderen uit het gezin) vanwege het overlijden van hun moeder en het achterblijven van hun vader een moeilijke tijd doormaken en zij wellicht extra hulp en ondersteuning nodig hebben. De Raad maakt zich ook zorgen over de betrouwbaarheid van de vader nu hij wisselende verklaringen heeft afgelegd over hoe vaak hij contact heeft met zijn kinderen. Nu de vader de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen naast zich neer heeft gelegd en hij zijn eigen leven heeft omgegooid waarbij hij de minderjarigen (en de andere kinderen uit het gezin) in Nederland heeft achtergelaten, zonder een en ander goed voor hen te regelen en zonder daarbij rekening te houden met de impact daarvan op zijn kinderen, is de Raad van mening dat een beëindiging van het gezag van de vader over de minderjarigen nu noodzakelijk is.
4.4.
Ondanks de moeilijke omstandigheden, lijken de minderjarigen (en de andere kinderen uit het gezin) het goed te doen. Dit wordt bevestigd vanuit de gemeente en het [hulpverlening] . De ouderen zorgen voor de jongeren; de ouderen werken en de jongeren gaan naar school. Gezien wordt dat zij een warme band met elkaar hebben. De Raad vindt het dan ook bewonderingswaardig om te zien hoe ieder zijn verantwoordelijkheid pakt en dat zij samen het beste ervan maken. De Raad vindt het bovendien positief dat [minderjarige 1] en haar broers en zussen een hulpvraag hebben, dat zij openstaan voor hulp en begeleiding en dat zij deze ook benutten. De Raad stelt dat het hele gezin, inclusief de vader, van mening is dat [de broer] het beste kan worden belast met de voogdij over de minderjarigen. De gemeente en [hulpverlening] verwachten dat hij daartoe in staat is. De Raad vindt het wel van groot belang dat de hulpverlening betrokken blijft, hetgeen overigens al is geregeld.

5.De beoordeling

5.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens het gesprek met [minderjarige 1] is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
In de zaak naar aanleiding van de vraag van [minderjarige 1] , C/02/444461 / FA RK 26-462:
5.2.
[minderjarige 1] heeft de (kinder)rechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, zoals bijvoorbeeld met een brief, een e-mailbericht of een telefoontje, kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen. Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. In de wet is bepaald dat de kinderrechter op een vraag van een kind van twaalf jaar of ouder ambtshalve alleen een beslissing kan nemen over (1) in bepaalde gevallen het toekennen van eenhoofdig gezag, (2) omgang en informatie (3) de verdeling van de zorg- en opvoedtaken (4) benoeming van een bijzondere curator.
5.3.
De vraag van [minderjarige 1] om een voogd voor haarzelf en voor haar minderjarige broer en zus te benoemen, valt niet onder één van deze onderwerpen. Dit betekent dat de informele rechtsingang in dit geval niet open staat voor de vraag van [minderjarige 1] . De rechtbank zal daarom naar aanleiding van de vraag van [minderjarige 1] niet overgaan tot een ambtshalve beslissing in deze zaak.
In de zaak over beëindiging van het gezag, C/02/445631 / FA RK 26-1121:
5.4.
De Raad heeft als bijlage bij zijn verzoekschrift een e-mailbericht van de vader gevoegd, waaruit blijkt dat hij instemt met het verzoek tot beëindiging van zijn gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en dat hij afziet van zijn recht om te worden gehoord in deze zaak. Daarbij is een kopie van zijn paspoort overgelegd. Daarnaast is een e-mailbericht van [de broer] bijgevoegd, waaruit blijkt dat hij en [minderjarige 1] ook geen behoefte hebben om te worden gehoord over voormeld verzoek tot gezagsbeëindiging. Gelet op de onderbouwing van het verzoek alsmede de ontvangen standpunten van de vader, [de broer] en [minderjarige 1] (en hetgeen is verklaard tijdens het kindgesprek) vindt de rechtbank een mondelinge behandeling van het verzoek niet nodig. Hoewel [minderjarige 2] , gezien haar leeftijd, het recht heeft om haar mening in deze zaak te geven, heeft de rechtbank haar daartoe niet in de gelegenheid gesteld vanwege de belasting dat dit voor haar zou meebrengen. De rechtbank acht zich bovendien op basis van hetgeen [de broer] en de hulpverleenster vanuit [hulpverlening] reeds naar voren hebben gebracht over wat het gezin hiervan vindt, voldoende geïnformeerd over de wensen en behoeften van [minderjarige 2] in deze. Het voorgaande betekent dat deze zaak schriftelijk kan en zal worden afgedaan.
5.5.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
5.6.
Niet gebleken is dat de vader zijn gezag misbruikt. De rechtbank dient daarom te beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke grondslag voor beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader over de minderjarigen zoals hiervoor vermeld in artikel 1:266, eerste lid, sub a BW.
5.7.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens het kindgesprek is besproken, overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat de moeder in september 2025 in Syrië is overleden en dat de vader, die op dit moment is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen, in Syrië is gebleven. De vader heeft zijn kinderen in Nederland achtergelaten zonder de praktische en financiële zaken voor hen goed te regelen. De vader heeft zijn ouderlijke verantwoordelijkheden dan ook naast zich neergelegd, met als gevolg dat de kinderen wat dat betreft volledig op zichzelf zijn aangewezen. Dat de kinderen nu nog niet in forse praktische en financiële problemen terecht zijn gekomen is onder meer te danken aan de verantwoordelijkheid die de kinderen zelf hebben gepakt en de betrokkenheid vanuit de gemeente en de hulpverlening vanuit [hulpverlening] , maar dus niet dankzij de vader. Doordat de vader in Syrië woont, is hij niet altijd goed bereikbaar en is het moeilijk voor hem om de (gezags)zaken voor de minderjarigen op een goede manier te regelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling wordt bedreigd. Nu de vader voornemens is om voor een onbepaalde periode in Syrië te blijven, althans hij niet een concreet voornemen heeft om binnen een afzienbare termijn terug te keren naar Nederland, bestaat naar het oordeel van de rechtbank niet de gerechtvaardigde verwachting dat de vader de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding binnen een voor de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn weer zelf zal kunnen dragen. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beëindiging van het gezag van de vader over de minderjarigen. De rechtbank zal het verzoek van de Raad, dat niet is weersproken, daarom toewijzen en het gezag van de vader over de minderjarigen beëindigen.
5.8.
Omdat de beëindiging van het gezag van de vader ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over de minderjarigen komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd(es) over hen te benoemen.
5.9.
De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. [de broer] , de meerderjarige broer van de minderjarigen, heeft zich bereid verklaard om te worden benoemd als voogd over de minderjarigen. Hun moeder heeft hen altijd opgevoed en dat wil hij nu ook doen. [de broer] wil de taak van hun moeder graag voortzetten. In tegenstelling tot de andere meerderjarige broers uit het gezin, verblijft [de broer] al zes jaren in Nederland en beschikt hij over een Nederlands paspoort. Bovendien is gebleken dat alle betrokken ermee instemmen dat [de broer] wordt benoemd als voogd over de minderjarigen en dat zij hem daartoe in staat achten. De rechtbank zal daarom, overeenkomstig het advies van de Raad, [de broer] benoemen als voogd over de minderjarigen.
5.10.
De rechtbank zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid ontstaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dit betekent dat die beslissing per direct van kracht is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.

6.De beslissing van de rechtbank

De rechtbank:
C/02/444461 / FA RK 26-462
6.1.
neemt geen ambtshalve beslissing op de vraag van [minderjarige 1] ;
C/02/445631 / FA RK 26-1121
6.2.
beëindigt het gezag van de heer [de vader] , geboren op [geboortedag 2] 1976 in [geboorteplaats 1] , Syrië over de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] , Syrië;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 4] 2016 in [geboorteplaats 1] , Syrië;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 5] 2019 in [geboorteplaats 1] , Syrië,
6.3.
benoemt de heer [de broer] , geboren op [geboortedag 6] 2004 in [geboorteplaats 2] , Syrië als voogd over voornoemde minderjarigen;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 door mr. Van de Kraats, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.