Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2608

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/02/444449 / KG ZA 26-43
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253 BWArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende toestemming schoolwisseling minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 6 maart 2026 een kort geding waarin de vader (eiser) vervangende toestemming vorderde om zijn minderjarige kind van school te laten wisselen. De vader wilde het kind inschrijven op een kleinere basisschool, omdat de huidige school te groot zou zijn en het kind daardoor overprikkeld raakt. De moeder (gedaagde) weigerde haar toestemming omdat zij geen medische of objectieve onderbouwing zag voor de schoolwisseling.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het kind onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling en dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. De vader kon de noodzaak van de schoolwisseling niet voldoende onderbouwen met objectieve stukken, zoals verklaringen van leerkrachten of artsen. De moeder had recent contact met de huidige school en kreeg te horen dat het goed gaat met het kind.

De rechter oordeelde dat onvoldoende is komen vast te staan dat de schoolwisseling in het belang van het kind noodzakelijk is. De huidige school biedt stabiliteit en vertrouwdheid, mede doordat ook de oudere zus en broer daar schoollopen of hebben gelopen. De vordering van de vader werd daarom afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de vader om vervangende toestemming voor schoolwisseling te verlenen af wegens onvoldoende onderbouwing van het belang van het kind.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/444449 / KG ZA 26-43
Vonnis in kort geding van 6 maart 2026
in de zaak van
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen de man,
advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens uit Roosendaal,
tegen
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde, hierna te noemen de vrouw,
over het minderjarig kind van partijen:
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 februari 2026 met drie producties;
- het bericht van mr. Mattheussens van 20 februari 2026 met een productie.
1.2.
Op 26 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak met gesloten deuren op zitting behandeld omdat het belang van [minderjarige] en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw in persoon.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige] , en zijn oudere broer [persoon 1] en oudere zus [persoon 2] , geboren.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Hij verblijft bij de man.
2.3.
[minderjarige] staat sinds 20 februari 2024 onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna: de GI). Bij beschikking van 11 februari 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd tot 20 februari 2027.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 november 2024 is bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de man. Daarnaast is in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat er tussen de vrouw en [minderjarige] enkel (een vorm van) contact zal zijn, als dat door de hulpverlening en de GI in het belang van [minderjarige] wordt geacht, waarbij de vorm, duur en frequentie van dat contact door (en onder regie van) de GI wordt bepaald en geëvalueerd.
2.5.
[minderjarige] en de moeder hebben al ongeveer 4 jaar geen contact met elkaar.

3.De vordering

3.1.
De man vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, aan hem vervangende toestemming, die de toestemming van de vrouw vervangt, te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de [basisschool 1] , gelegen te [adres 1] aan de [adres 2] , althans zodanig te beslissen als de voorzieningenrechter vermeent te behoren.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de man is in de stukken en tijdens de zitting, samengevat, het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] staat ingeschreven op de [basisschool 2] in [woonplaats] , en gaat daar naar school. Gebleken is dat deze school niet passend is voor [minderjarige] . De [basisschool 2] is een grote school, met klassen van ongeveer dertig leerlingen. Dit is teveel voor [minderjarige] . Door de omvang van de school en de klassen raakt hij overprikkeld, is hij snel afgeleid en kan hij zich minder goed concentreren. De [basisschool 3] is een kleinere school, en heeft ongeveer twintig leerlingen per klas. Dit past beter bij wat [minderjarige] nodig heeft, en maakt dat een wisseling van [minderjarige] van de [basisschool 2] naar de [basisschool 3] in zijn belang is. Dit alles heeft de man gehoord van de leerkracht van [minderjarige] van de [basisschool 2] . Vanuit deze school is er contact opgenomen met de [basisschool 3] . Een overstap kon zo worden geregeld. De man heeft [minderjarige] om die reden aangemeld bij de [basisschool 3] . De jeugdzorgwerker van de GI heeft aangegeven achter de overstap van [minderjarige] naar de [basisschool 3] te staan. Omdat de vrouw al jarenlang geen contact en bemoeienis met [minderjarige] heeft, is ervan uit gegaan dat de vrouw akkoord zou zijn met een schoolwisseling. [minderjarige] zou per 26 januari 2026 op de [basisschool 3] gaan starten, maar doordat de vrouw haar toestemming heeft geweigerd is dit niet doorgegaan. De vrouw heeft daarmee onrechtmatig gehandeld naar [minderjarige] en de man. Ook lijdt [minderjarige] hierdoor schade omdat hij al kennis heeft gemaakt met de [basisschool 3] school en de klas waar hij geplaatst zou worden en afscheid had genomen van zijn klasgenootjes van de [basisschool 2] . [minderjarige] is hier heel verdrietig over en snapt er niets van. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij de overstap naar de [basisschool 3] zo snel als mogelijk alsnog kan maken. Beide scholen liggen, gezien vanuit het huisadres van de man, ongeveer even ver, met de vermelding dat de [basisschool 2] ongeveer 100 meter verderop is gevestigd. Betwist wordt dat de reden van schoolwisseling mede is gelegen in de omstandigheid dat [minderjarige] door de gang naar de [basisschool 3] (nog) meer vrienden in de wijk zou kunnen hebben.
4.2.
Door de vrouw is ter zitting, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij is door de man op geen enkele wijze betrokken geweest bij de voorgenomen schoolwisseling van [minderjarige] . Zij is hiervan pas op de hoogte gesteld toen haar gevraagd werd om hiervoor haar toestemming te verlenen en alles al geregeld was. De man stelt dat een schoolwisseling voor [minderjarige] nodig is omdat hij op de [basisschool 2] last zou hebben van overprikkeling, maar dit blijkt niet uit de voorliggende stukken. Bovendien heeft de vrouw hierover navraag gedaan bij de leerkracht van [minderjarige] van de [basisschool 2] . Door die leerkracht is aan haar verteld dat het met [minderjarige] goed gaat op deze school en dat er geen medische reden is voor een schoolwisseling. Daarnaast is [minderjarige] gewend op de [basisschool 2] . Hij heeft daar zijn vertrouwde omgeving en vriendjes. Ook zijn oudere zus [persoon 2] zit op de [basisschool 2] in groep 7, en zijn oudere broer [persoon 3] heeft ook op deze school gezeten. Gelet op dit alles kan de vrouw niet achter een wisseling van [minderjarige] van de [basisschool 2] naar de [basisschool 3] staan. Dat wat de man zegt te hebben gehoord van de leerkracht van [minderjarige] is niet met stukken bevestigd. Indien schriftelijk zou worden onderbouwd dat er een medische reden voor [minderjarige] is om van school te wisselen, zou de vrouw daar mogelijk wel mee kunnen instemmen. Echter zolang een dergelijke onderbouwing ontbreekt, is het voor haar niet inzichtelijk waarom een schoolwisseling in het belang van [minderjarige] is en kan zij daarvoor haar akkoord niet geven. Vervangende toestemming is niet nodig. De vordering van de man moet dan ook worden afgewezen.

5.De beoordeling

5.1.
De man wenst [minderjarige] van school te laten wisselen van de [basisschool 2] in [woonplaats] naar de [basisschool 3] die eveneens in [woonplaats] is gelegen. Omdat partijen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen, heeft de man de toestemming van de vrouw nodig voor de door hem gewenste schoolwisseling. Omdat de vrouw haar toestemming daarvoor heeft geweigerd, vordert de man de voorzieningenrechter vervangende toestemming te verlenen.
5.2.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vordering voldoende vast. Weliswaar volgt [minderjarige] op dit moment nog steeds onderwijs op de [basisschool 2] , maar is hij - zoals met hem kennelijk is gecommuniceerd - in afwachting van een plaatsing op de [basisschool 3] . Belangrijk is dat [minderjarige] hierover zo snel als mogelijk duidelijkheid krijgt omdat hij hiervan, zoals gesteld door de man, spanningen en onduidelijkheid ervaart.
5.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, zoals over de schoolkeuze, op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt alsdan een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.4.
Alvorens te beslissen dient de voorzieningenrechter, op grond van artikel 1:253a, vijfde lid, van het BW een vergelijk tussen beide ouders te beproeven. Tijdens de zitting is niet mogelijk gebleken om partijen tot een vergelijk te laten komen, omdat de standpunten van partijen te ver uiteen liggen. Daarom zal de voorzieningenrechter een beslissing nemen op de voorliggende vordering van de man met betrekking tot de schoolwisseling van [minderjarige] .
5.5.
De voorzieningenrechter heeft begrip voor de wens van de man om [minderjarige] van school te laten wisselen. De man noemt als voornaamste reden voor deze wens dat [minderjarige] beter op zijn plek zal zijn op de [basisschool 3] dan op de [basisschool 2] , omdat de [basisschool 3] niet alleen qua omvang, maar ook qua samenstelling van de klassen kleiner is en [minderjarige] , die snel afgeleid is, daarom minder prikkels tot zich krijgt en zich beter kan concentreren. De voorzieningenrechter stelt vast dat de man de hoofdopvoerder van [minderjarige] is, en al jaren voor hem zorgt. De man heeft daarom goed zicht op wie [minderjarige] als kind is, en wat [minderjarige] aan omgeving en begeleiding nodig heeft om zich zo optimaal mogelijk te kunnen ontwikkelen. Tegelijkertijd is het aan de man om de noodzaak van ingrijpende gezagsbeslissingen, zoals een schoolwisseling, te onderbouwen. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat de man niet met objectieve stukken, zoals bijvoorbeeld een verklaring van de door hem genoemde leerkracht van [minderjarige] , de zorgcoördinator van de [basisschool 2] school en/of een arts, concreet en inzichtelijk heeft gemaakt dat een schoolwisseling van [minderjarige] naar de [basisschool 3] in verband met zijn prikkelgevoeligheid in zijn belang noodzakelijk is. Daarnaast heeft de vrouw gesteld dat haar uit recent contact met die leerkracht van [minderjarige] is gebleken dat het goed met [minderjarige] op de huidige school gaat. Verder blijkt uit de door de man overgelegde e-mailwisseling tussen de jeugdzorgwerker van de GI en de [basisschool 3] weliswaar dat de jeugdzorgwerker achter een overstap van [minderjarige] naar de [basisschool 3] kan staan, echter de jeugdzorgwerker benoemt daarbij niet de prikkelgevoeligheid van [minderjarige] als noodzakelijke reden voor de overstap, maar de omstandigheid dat [minderjarige] bij een overstap naar de [basisschool 3] naar een school gaat in de wijk waar hij woont waardoor de kans op vrienden in de wijk (nog) groter wordt. Volgens de man speelt dit, zoals uitdrukkelijk door en namens hem verklaard ter zitting, echter geen rol bij de door hem gewenste schoolwisseling van [minderjarige] . Daarbij heeft de man gesteld dat de [basisschool 2] en de [basisschool 3] op nagenoeg dezelfde afstand zijn gelegen van de woning waar de man samen met [minderjarige] woont. Ter zitting is verder niet naar voren gebracht dat het voor [minderjarige] lastig is om buiten school met vriendjes van de [basisschool 2] af te spreken dan wel met (buurt)vriendjes uit zijn wijk te spelen.
5.6.
Op basis van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat onvoldoende vast is komen te staan dat een wisseling van [minderjarige] van school, zoals gevorderd, op dit moment in zijn belang noodzakelijk en wenselijk is. De voorzieningenrechter ziet hiervoor in de voorliggende informatie onvoldoende onderbouwing, mede omdat de man zijn grond voor de vordering, die door de vrouw wordt betwist, niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat met een schoolwisseling niet te gemakkelijk om moet worden gegaan. Hiervoor dienen goede en gegronde redenen te bestaan. [minderjarige] is vertrouwd op de [basisschool 2] , zijn huidige school, waar ook zijn oudere zus [persoon 2] ook op zit en zijn oudere broer [persoon 3] heeft gezeten, en waar hij zijn vriendjes heeft. Belangrijk is dat [minderjarige] , waar mogelijk, stabiliteit ervaart in zijn schoolomgeving. Alles afwegende zal de voorzieningenrechter de vordering van de man dan ook afwijzen.
5.7.
Tot slot overweegt de voorzieningenrechter nog dat zolang partijen samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] hebben, zij met elkaar moeten overleggen over gezagsbeslissingen die met betrekking tot de [minderjarige] genomen (moeten) worden. Nu de vrouw al ongeveer vier jaar niet in contact staat met [minderjarige] , is het aan de man om de vrouw, al dan niet door tussenkomst van de GI, te informeren over het welzijn en de ontwikkelingen van [minderjarige] zodat voor haar inzichtelijk is waarom de man bepaalde keuzes voorstaat, zoals met betrekking tot de gewenste schoolwisseling. Het is aan de GI, als regievoerder in het kader van de ondertoezichtstelling, om partijen hierin te begeleiden om te voorkomen dat een situatie als de onderhavige, waarbij [minderjarige] kennelijk is voorbereid op een overstap naar de [basisschool 3] per 26 januari 2026 maar dit niet is doorgegaan vanwege het ontbreken van de benodigde toestemming van de vrouw, te voorkomen. Dit belast [minderjarige] namelijk enorm.
5.8.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vordering van de man af;
6.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Toekoen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026, in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.