Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2612

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/02/396759 / FA RK 22-1748
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting begeleide omgang en aanhouding gezamenlijk gezag wegens zorgen over gezondheid vader

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de man tot gezamenlijk gezag over zijn twee minderjarige kinderen en een omgangsregeling. De vrouw verzocht om ontzegging van het omgangsrecht vanwege zorgen over de psychische gesteldheid van de man. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) adviseerden voortzetting van begeleide omgang onder hun regie.

De rechtbank constateerde dat de begeleide omgang positief verliep en dat er geen feiten waren die ontzegging van omgang rechtvaardigen. De man toonde bereidheid tot behandeling en inzage in medische rapportages. De vrouw betoogde dat de man ongeschikt is en dat de kinderen rust ervaren zonder omgang, maar de rechtbank vond dat de problemen vooral samenhangen met de omgangslocatie.

De rechtbank wijzigde de voorlopige omgangsregeling tot minimaal twee uur begeleide omgang per week onder regie van de GI. Het verzoek tot gezamenlijk gezag werd aangehouden in afwachting van een schriftelijk verslag over de gezondheid van de man en het verloop van een ouderschapstraject. De zaak wordt voortgezet op een nader te bepalen zitting.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de omgangsregeling tot minimaal twee uur begeleide omgang per week en houdt het verzoek tot gezamenlijk gezag aan tot nader rapport.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/396759 / FA RK 22-1748
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Nadere beschikking over wijziging ouderlijk gezag en vaststelling contact-/ omgangsregeling
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
advocaat: mr. T. Möller te Tilburg, ter zitting waargenomen door mr. C.C.J. Mouwen,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. Ö. Aydogan te ‘s-Hertogenbosch,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018, hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019, hierna te noemen: [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden hierna gezamenlijk genoemd: de kinderen.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank (nader) over de verzoeken geadviseerd.
Als informant wordt aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.

1.Het verdere procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 27 maart 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- het F9-formulier van 4 juli 2025 van mr. Möller;
- het F9-formulier van 4 juli 2025 van mr. Aydogan;
- het F9-formulier met bijlage van 8 januari 2026 van mr. Möller;
- de brief met bijlage van 14 januari 2026 van de GI;
- het op 16 januari 2026 ontvangen zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlage van 20 januari 2026 van mr. Möller.
1.2
De behandeling van de verzoeken is voortgezet tijdens de zitting op 20 januari 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, met hun (waarnemend) advocaten. Ook waren vertegenwoordigers aanwezig namens de Raad en de GI.

2.De feiten

2.1
Bij voormelde beschikking van 27 maart 2025 heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, waarbij de man en de kinderen gerechtigd zijn tot omgang met elkaar (waarbij minimaal sprake zal zijn van een beeldbelregeling en, indien dat naar de mening van de GI mogelijk en in het belang van de kinderen wordt geacht, zal worden toegewerkt naar begeleide omgang en vervolgens onbegeleide omgang), waarbij de regie over de vorm, de duur en de frequentie daarvan bij de GI wordt belegd, met inachtneming van hetgeen onder punt 2.8. van die beschikking is overwogen. De definitieve beslissing op de verzoeken is aangehouden.
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 29 juli 2025 is de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 1 augustus 2025 tot 1 augustus 2026.

3.De aangehouden verzoeken

3.1
Aan de orde zijn de volgende verzoeken.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. partijen gezamenlijk te belasten met het gezag over de kinderen;
II. te bepalen dat de man en de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zondagavond 19.00 uur, alsmede iedere woensdagmiddag van 13.00 uur tot 18.00 uur en tijdens de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te bepalen, gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar, althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank juist acht.
3.2.
De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt om deze verzoeken af te wijzen.
3.3.
Op 15 januari 2026 heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de man het recht op omgang met de kinderen te ontzeggen, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht.

4.De nadere beoordeling

De ontwikkelingen na de gegeven beschikking van 27 maart 2025
4.1.
Na het verstrijken van de in voormelde beschikking van 27 maart 2025 opgenomen pro forma datum voor aanhouding van de zaak, is de zaak op verzoek van partijen opnieuw aangehouden voor de duur van drie maanden. Daartoe is aangegeven dat partijen nog in onderling overleg zijn en dat het begeleide omgangstraject nog loopt.
4.2.
Bij voormelde brief van 14 januari 2026 heeft de GI verslag gedaan van de huidige ontwikkelingen. Concluderend adviseert de GI om de bij beschikking van 27 maart 2025 vastgestelde voorlopige omgangsregeling te wijzigen naar minimaal twee uur per week begeleide omgang, waarbij de regie wordt belegd bij de GI.
4.3.
Op 15 januari 2026 is namens de vrouw voormeld zelfstandig verzoek ingediend.
De nadere standpunten
4.4.
Van de zijde van de GI is naar voren gebracht dat in navolging op de beschikking van 27 maart 2025 is toegewerkt naar begeleide omgang tussen de man en de kinderen vanuit [hulpverlening] . De begeleide omgang verliep positief, waarna is gewerkt richting onbegeleide omgang. Voorwaarde hiervoor was echter dat de man eerst informatie van zijn behandelaar en/of huisarts inwint. In november 2025 heeft de man de eindrapportage van het onderzoek van het [ziekenhuis] bij de GI overgelegd. Het beeld dat in die rapportage over de man geschetst is, is anders dan de zorgen zoals opgenomen in een eerdere rapportage van de Raad, vergrootte de zorgen van de GI en vormde een contra-indicatie voor onbegeleide omgang. Met de man is besproken dat hij zich aanmeldt voor behandeling bij het [ziekenhuis] en dat de omgang weer begeleid zal zijn. Na enkele weken van geen contact is er op 15 januari 2026 weer beeldbelcontact geweest tussen de man en de kinderen. Dit is positief verlopen. De GI vindt het voor nu belangrijk dat de omgang begeleid wordt om te volgen hoe deze verloopt en om het contact tussen de man en de kinderen te borgen. Van daaruit zal worden gekeken wat de vervolgstappen kunnen zijn. De GI adviseert wekelijkse begeleide omgang dat wordt nageleefd en gestimuleerd, onder regie van de GI, zodat naar het belang van de kinderen wordt gekeken. Het is niet de intentie van de GI dat er geen contact tussen de man en de kinderen zal zijn. Daarnaast zal een ouderschapstraject worden gestart vanuit [praktijk] .
4.5.
Door en namens de man is aangevoerd dat hij open staat voor begeleide omgang met de kinderen. Hij heeft echter moeite met de huidige omgangslocatie omdat [minderjarige 1] daar last van heeft. De man wil het liefst begeleide omgang bij hem thuis. In overleg met [hulpverlening] is een inmiddels andere omgangslocatie gekozen. De vrouw heeft echter te kennen gegeven dat zij geen omgang wil tot de zitting. De man is geschrokken van het zelfstandig verzoek van de vrouw. Hij hoopt met de GI tot goede afspraken te komen. De man verzoekt om zijn verzoeken (opnieuw) aan te houden. Er zijn nog veel ontwikkelingen gaande. De man wil behandeling aangaan en stappen zetten. Daarnaast wil hij het ouderschapstraject een kans geven. Het zelfstandig verzoek van de vrouw dient in zijn ogen te worden afgewezen. De samenwerking met de GI is goed. De man heeft vertrouwen in de GI en een goede begeleiding. Hij verzet zich niet tegen vaststelling van een omgangsregeling mits deze uitgebreider is dan de huidige regeling. De man stelt dat hij bereid is om de resultaten van het onderzoek van het [ziekenhuis] te delen. Wel betreurt hij het dat deze informatie tegen hem gebruikt wordt.
4.7.
De vrouw en haar advocaat hebben gesteld dat de ontwikkelingen rond de man niet recent zijn. In 2022 ging het al niet goed met de man. Nu enkele jaren later is de man pas aangemeld voor behandeling. Er is nog steeds sprake van een startpunt. Ook de Raad heeft eerder geconcludeerd dat er zorgen zijn over de (psychische) gesteldheid van de man, dat behandeling aangewezen is en als hij daarin stappen maakt pas omgang met de kinderen kan worden gestart. De GI is echter direct gestart met omgang, ondanks de door de vrouw geuite zorgen. De kinderen zijn blootgesteld aan veiligheidsrisico's. Eerder in 2020 heeft de man suïcidepogingen gedaan. Volgens de vrouw duurt het allemaal te lang. De man erkent zijn problematiek niet. Er waren al eerder verklaringen van artsen. De man is kennelijk ongeschikt voor omgang met de kinderen. Daarbij verwijst de vrouw naar een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 december 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:4079). De vrouw betwist dat zij de omgang heeft stopgezet; de GI had dat aangegeven. Zij heeft geen vertrouwen in de GI. De vrouw staat open voor begeleide omgang mits het traject gevolgd wordt, maar daarin maakt de GI fouten. De vrouw stelt dat de kinderen al twee jaar van het kastje naar de muur gestuurd worden. De kern van het probleem moet worden aangepakt en dat is behandeling van de man. Een aanhouding van de verzoeken heeft in de ogen van de vrouw geen meerwaarde. [minderjarige 1] ervaart rust nu hij geen omgang heeft met de man.
Het nadere advies van de Raad
4.8.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft te kennen gegeven dat in het verslag over het verloop van de omgang tussen de man en de kinderen een heel positief beeld naar voren komt. Er moet zicht komen op de beleving van de kinderen over de omgang. [minderjarige 2] vindt de omgang fijn. [minderjarige 1] is daar minder duidelijk in maar niet gezien wordt dat omgang belastend voor hem is. De Raad adviseert om de begeleide omgang voort te zetten en kan zich vinden in het vaststellen van een begeleide omgangsregeling, onder aanhouding van dit verzoek van de man. De Raad ziet geen grond voor ontzeggen van de omgang, nu deze positief verloopt.
Ten aanzien van het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag kan de Raad op dit moment geen advies geven. Er is nu geen goed zicht op de geuite zorgen over de man. Het is dan ook raadzaam om de zaak ook op dat punt aan te houden voor de duur van een half jaar, in afwachting van de resultaten van de behandeling van de man en het ouderschapstraject. De Raad wil daarbij een beroep doen op de man om de rapportage van het [ziekenhuis] in te dienen.
De beoordeling ten aanzien van de omgang
4.10.
In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
  • omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
  • de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
  • het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
  • er is een andere reden waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
4.11.
Uit de stukken en de behandeling ter zitting is niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die moeten leiden tot het oordeel dat de omgang tussen de man en de kinderen moet worden ontzegd. De begeleide omgang tussen de man en de kinderen is positief verlopen en er werden stappen gezet richting onbegeleide omgang. Tijdens de begeleide omgang zijn er geen signalen naar voren gekomen waaruit blijkt dat de omgang schadelijk is voor de kinderen en/of dat de man ongeschikt of niet in staat is tot omgang met de kinderen. De kinderen hebben evenmin geuit dat zij geen contact met de man willen. Dat er bij de man sprake is van persoonlijke problematiek heeft de man ter zitting niet betwist. Hij heeft geen principiële bezwaren tegen het overleggen van de rapportage van het [ziekenhuis] te delen. De GI heeft inmiddels al inzage gekregen in de resultaten van het onderzoek bij de man. Ook wil de man werken aan zijn problematiek en behandeling aangaan. Hij is eveneens bereid om de omgang in begeleide vorm voort te zetten en een ouderschapstraject aan te gaan. De stelling van de vrouw dat er nog steeds sprake is van een startpunt deelt de rechtbank niet. Er zijn al de nodige stappen gezet door het positieve verloop in de omgang tussen de man en de kinderen, de duidelijkheid die is ontstaan met het onderzoek van het [ziekenhuis] en de bereidheid van de man tot inzage, inzicht en behandeling. Het zelfstandig verzoek van de vrouw tot ontzegging van de omgang tussen de man en de kinderen zal daarom worden afgewezen.
4.12.
Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de begeleide omgang tussen de man en de kinderen kan (en moet) worden voortgezet. Ook de GI adviseert wekelijkse begeleide omgang. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is niet gebleken dat de omgang met de man belastend is voor de kinderen. De stelling van de vrouw dat [minderjarige 1] rust ervaart nu hij geen omgang meer met de man heeft, vindt mogelijk niet zozeer zijn oorzaak in de omgang met de man, maar in de plek waar de begeleide omgang plaatsvond. Volgens de man is al ingezet op een passende oplossing daarvoor. Juist met het voortzetten van de begeleide omgang tussen de man en de kinderen kan de GI met de informatie die nu (over de man) beschikbaar is gericht worden ingezet op het verkrijgen van inzicht in het verloop van de omgang in combinatie met de problematiek van de man en de verder te zetten stappen hierin. Hiermee kan ook worden gewerkt aan het herstellen/ opbouwen van het vertrouwen van de vrouw. Ook het in te zetten ouderschapstraject kan daaraan bijdragen, nu de problematiek van de man ook daarin een onderwerp van gesprek kan, en naar het oordeel van de rechtbank ook dient te zijn. Daarbij kan de rechtbank zich voorstellen dat de vrouw het voor haar van belang zijnde informatie wordt gegeven over het verloop van de behandeling van de man en dat haar handvatten kunnen worden geboden. De rechtbank ziet in het voorgaande dan ook aanleiding tot het vaststellen van een begeleide omgangsregeling tussen de man en de kinderen gedurende minimaal twee uren per week. De regie hierover zal bij de GI worden belegd.
Beoordeling ten aanzien van het gezag
4.13.
Uitgangspunt van de wet is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van het kind is. Voor een gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen. De rechtbank kan op dit moment niet oordelen of hiervan wel of geen sprake is. De Raad kan hierover nu geen gedegen advies geven. Enerzijds zijn er zorgen over de gezondheid van de man. Hierop is nog onvoldoende zicht. Hoewel deze beslissing aan de man moet worden gelaten, geeft de rechtbank de man in overweging om de rapportage van het [ziekenhuis] te delen. De man heeft ter zitting aangegeven dat hij zijn medewerking aan behandeling zal verlenen. Het staat de man vrij om (ook) verslaglegging hiervan in te dienen. Anderzijds zal een ouderschapstraject worden ingezet en zal, zoals hiervoor is overwogen, de begeleide omgang worden voortgezet. De rechtbank acht het van belang om het verloop van alle in te zetten trajecten af te wachten. Samen met de informatie die al beschikbaar was kan dan een goed beeld worden gevormd voor de Raad om te kunnen adviseren en voor de rechtbank om een beslissing te kunnen geven op het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag. De rechtbank zal gelet hierop dit verzoek aanhouden tot na te melden pro forma datum, in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI over alle ontwikkelingen. De behandeling van de zaak zal op een nader te bepalen zitting worden voortgezet. Gelet op de afloopdatum van de ondertoezichtstelling en om ervoor te zorgen dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt in deze procedure, zal de zaak voor vier maanden worden aangehouden. Mocht een langere aanhouding noodzakelijk zijn, dan kunnen partijen alsnog de rechtbank hierom verzoeken.
4.14.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijzigt de beschikking van 27 maart 2025 ten aanzien van de daarin vastgestelde voorlopige omgangsregeling en bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] recht hebben op begeleide omgang met elkaar gedurende minimaal twee uur per week, waarbij de regie wordt belegd bij de GI;
5.2.
wijst af het verzoek van de man, hiervoor in 3.1. onder II, en het zelfstandig verzoek van de vrouw;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag (hiervoor in 3.1. onder I) aan tot
7 juli 2026 pro forma, in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI, zoals hiervoor in 4.13. overwogen;
5.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 in aanwezigheid van Dekkers, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.