Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2616

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/02/435061 / FA RK 25-2326
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Voorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 7 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling en verwijzing naar Uniform Hulpaanbod in gezagszaak minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de man om een omgangsregeling met zijn minderjarige kind vast te stellen. De minderjarige verblijft bij de vrouw, die het gezag heeft. De man heeft de Britse nationaliteit en de vrouw en het kind de Nederlandse nationaliteit, waardoor de zaak internationaal van aard is. De rechtbank is bevoegd en past Nederlands recht toe.

De man wenst een opbouwende omgangsregeling, te beginnen met twee dagen per maand en uit te breiden naar twee weekenden per maand. De vrouw heeft zorgen over het middelengebruik van de man en het gebrek aan structureel contact, en wil eerst zekerheid over zijn stabiliteit. Beide partijen stemmen in met een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod (UHA) om de communicatie en samenwerking te verbeteren.

De rechtbank stelt een voorlopige, deels begeleide omgangsregeling vast met een gefaseerde opbouw, gekoppeld aan het doorlopen van de proeftijd van de man bij zijn nieuwe baan in Nederland. De omgang wordt begeleid door een hulpverleningsinstantie. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de rechtbank houdt de definitieve beslissing aan totdat het hulpverleningstraject is afgerond. De Raad voor de Kinderbescherming wordt verzocht onderzoek te doen indien het traject niet leidt tot een positief resultaat.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige, gefaseerde omgangsregeling vast en verwijst partijen naar het Uniform Hulpaanbod voor begeleiding, met aanhouding van de definitieve beslissing.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/435061 / FA RK 25-2326
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Beschikking over een omgangsregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. L.H.S. de Baar te Zoetermeer.
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
  • het op 18 april 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
  • het op 3 juni 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Bronsveld met bijlage;
  • het op 19 augustus 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Bronsveld;
  • het op 13 januari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Bronsveld met bijlagen;
  • het proces-verbaal van aanhouding van 20 januari 2026;
  • het op 2 februari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Bronsveld met bijlagen;
  • het op 3 februari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen.
1.2
Het verzoek is (nader) mondeling behandeld op 6 februari 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen met hun advocaten, alsmede een tolk Engels voor de man. Ook was er een vertegenwoordigster van de Raad aanwezig.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is de thans nog minderjarige [minderjarige] geboren.
2.2
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.3
De man heeft [minderjarige] op 8 april 2019 erkend.
2.4
De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige] .
2.5
De man heeft de Britse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.

3.Het verzoek

3.1
De man verzoekt:
  • te bepalen dat er een omgangsregeling zal worden vastgesteld, al dan niet na bemiddeling in het kader van een UHA-traject, waarbij er omgang zal zijn tussen [minderjarige] en de man in ieder geval twee dagen per maand (start), waarna uitgebreid kan worden naar een uiteindelijk volwaardige omgangsregeling van twee weekenden per maand van vrijdag tot zondag;
  • dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen regeling vast te stellen.
3.2
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om het verzoek te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1
De rechtbank stelt vast dat de man de Britse nationaliteit heeft. De vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. Dit breng mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de rechtbank eerst dient te beoordelen of zij bevoegd is om van het verzoek in deze zaak kennis te nemen en daarop te beslissen. Indien dit het geval is, dient de rechtbank het toepasselijk recht te bepalen.
4.2
Op grond van artikel 7 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de
ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied
waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij
het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland
is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en daarop
te beslissen.
4.3
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
De standpunten
4.4
Door en namens de man is, samengevat, aangevoerd dat hij blij is met het contact dat hij met [minderjarige] heeft. Het contact verloopt goed, zo blijkt ook uit de omgangsverslagen. [minderjarige] heeft behoefte aan contact met de man. De man zou de omgang wel graag willen uitbreiden. Daarnaast licht de man toe dat het goed met hem gaat. Hij heeft een baan in Nederland aangeboden gekregen, en heeft een tweede sollicitatie lopen, en is van plan om in Nederland te blijven wonen. Hij heeft ook verblijfsrecht in Nederland. De man verklaart daarnaast dat hij, nadat hij het traject binnen een verslavingskliniek had afgerond in 2023, nog twee keer een terugval in middelengebruik heeft gehad. Hij is hier wel snel van hersteld. De man is sinds mei/juni 2025 helemaal clean. Hij is bereid om via de huisarts drugstesten te doen, zodat hij dit kan bewijzen. Verder licht de man toe dat bij hem PTSS is gediagnosticeerd. Hij heeft hiervoor een EMDR-behandeling gevolgd, welke in 2024 is geëindigd. De man erkent dat hij fouten heeft gemaakt. Hij is hier eerlijk over. De man wenst dat een opbouwregeling wordt vastgesteld. Bij de vrouw ontbreekt het vertrouwen in de man en de man ervaart vooral verdriet en onzekerheid, hetgeen maakt dat de samenwerking tussen ouders niet goed loopt. De advocaat stelt zich namens de man op het standpunt dat het verzoek moet worden aangehouden en dat ouders kunnen worden doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod, zodat kan worden onderzocht op welke wijze het contact kan worden opgebouwd. Ook kan dit contact dan begeleid worden. De (advocaat van de) man volgt tot slot het gehele advies van de Raad.
4.5
Door en namens de vrouw is, samengevat, aangevoerd dat het heel goed gaat met [minderjarige] . [minderjarige] heeft eenmaal per week begeleid videobelcontact met de man. Haar oma en tante sluiten daar ook bij aan. De vrouw beschrijft daarnaast het patroon dat er eerst sprake is van contact tussen de man en [minderjarige] , maar dat de man op een gegeven moment naar het buitenland vertrekt en dat het contact dan weer stopt, tot het moment dat de man weer terugkeert en weer contact wenst. De vrouw maakt zich zorgen over het gebrek aan structureel contact en wil graag duidelijkheid over het middelengebruik en het toekomstplan van de man. Ze heeft nog weinig vertrouwen in de man. Het is belangrijk dat de man drugstesten doet en laat zien dat hij aan zichzelf werkt en stabiel is, zodat daarna kan worden gewerkt aan een opbouwregeling. [hulpverlening] zou de fysieke omgangsmomenten kunnen begeleiden. De vrouw staat open voor ouderschapsbemiddeling, mits duidelijk is dat de man in Nederland zal blijven. De vrouw staat ook open voor een Uniform Hulpaanbod traject. Tot slot licht de vrouw toe dat de man door haar wekelijks wordt geïnformeerd over [minderjarige] .
4.6
De Raad licht toe dat de vrouw een aantal voorwaarden heeft gesteld aan de invulling van het Uniform Hulpaanbod traject, te weten dat de man eerst zijn proeftijd van zijn nieuwe baan doorlopen moet hebben, dat de man drugstesten bij de huisarts doet, dat de man hulpverlening krijgt (bijvoorbeeld de al betrokken instantie Triple AAA) en dat de omgang wordt begeleid door [hulpverlening] . De Raad acht een verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod passend, aangezien er sprake is van fors wantrouwen tussen de ouders. Zij hebben baat bij begeleiding bij het maken van afspraken en het opbouwen van vertrouwen. Het is wel van belang dat de hulpverlening rekening houdt met de draagkracht en draaglast van beide ouders. Het uitgangspunt moet zijn dat de man stabiel is in het contact met [minderjarige] , waardoor het belangrijk is dat zijn baan en woning in Nederland geregeld zijn. Daarna kan worden gestart met fysiek begeleid contact, hetgeen verder kan worden opgebouwd in het Uniform Hulpaanbod traject. In de tussentijd moeten de videobelmomenten doorgang blijven vinden.
Uniform Hulpaanbod
4.7
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de onderlinge verhoudingen van partijen verstoord zijn geraakt. Er is sprake van onderling wantrouwen tussen partijen, hetgeen maakt dat zij er onvoldoende in slagen om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren, samen te werken en (omgangs)afspraken te maken. Partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven in te kunnen stemmen met een verwijzing naar hulpverlening in het kader van het UHA, om in dat kader met elkaar het gesprek aan te gaan en te trachten om te komen tot een verbetering van hun onderlinge verstandhouding en communicatie. Ook krijgt [minderjarige] in dat kader een stem in het proces en kan er ondersteuning worden ingezet met betrekking tot (de opbouw van) de omgang tussen de man en [minderjarige] .
4.8
Het lukt partijen, gelet op het voorgaande, niet om de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, nodig dat voor partijen en de minderjarige een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en de minderjarige voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende
gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 9 februari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.9
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.1
Gebleken is dat de ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (
lichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
4.11
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op
11 augustus 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.12
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de minderjarigen.
4.13
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.14
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.15
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vraag:
- Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld maar zijn wel van belang om te vermelden?
4.16
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.17
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid om op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.18
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.19
Omdat partijen en de minderjarige in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject, beslist de rechtbank nu niet definitief op het verzoek van de man met betrekking tot het bepalen van een (opbouwende) omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] , maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan, dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Voorlopige omgangsregeling
4.2
In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van de ouders gezamenlijk of een van hen een omgangsregeling vaststellen.
4.21
De rechtbank overweegt als volgt. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het voor [minderjarige] van belang is dat er, gelet op haar jonge leeftijd en de ontwikkeling van een duurzame hechtingsrelatie, sprake is van een structureel contact met de man, welke uiteindelijk dient te worden uitgebreid. Het lukt de ouders op dit moment nog niet om afspraken te maken over (uitbreiding van) de omgang, hetgeen met name is gelegen in het wantrouwen van de vrouw. De rechtbank zal daarom, gedurende het UHA-traject en tot door de rechtbank anders is beslist en/of door partijen in samenspraak met de hulpverlening andere afspraken zijn gemaakt, een voorlopige (deels begeleide) opbouwende omgangsregeling vaststellen. De rechtbank heeft daarbij oog voor de zorgen van de vrouw en zal daarom een zorgvuldige opbouwregeling bepalen, waardoor het vertrouwen van de vrouw in de man kan groeien en tegelijkertijd de man de kans krijgt om te laten zien dat hij structureel contact met [minderjarige] kan waarborgen. De rechtbank is, met de Raad, van oordeel dat, alvorens het hieronder genoemde opbouwschema van start gaat, er eerst een mate van zekerheid moet bestaan dat het verblijf van de man in Nederland toekomstbestendig is. Dit houdt in dat de man in ieder geval eerst de proeftijd van zijn nieuwe baan in Nederland moet hebben doorlopen. Hierbij is het ook van belang dat [minderjarige] voorbereid wordt op het contact met de man en dat de videobelmomenten in de tussentijd doorgang blijven vinden. Het doorlopen van de proeftijd en het voorbereiden van [minderjarige] kan tegelijkertijd plaatsvinden. Voorts overweegt de rechtbank dat het in het belang van [minderjarige] is dat [hulpverlening] de omgangsmomenten zal (blijven) begeleiden, nu er immers al sprake is van een vertrouwensrelatie en daardoor ook spoedig gestart kan worden met het hieronder genoemde opbouwschema.
4.22
De man en [minderjarige] zijn, naast de bestaande videobelmomenten,
voorlopiggerechtigd tot het hebben van omgang met elkaar op de volgende wijze:
- Zodra de man zijn proeftijd heeft doorlopen, hebben de man en [minderjarige] de eerste periode van twee maanden gedurende
eenmaal per twee weken voor de duur van twee uur begeleide omgangmet elkaar;
- De tweede periode van twee maanden hebben de man en [minderjarige] gedurende
eenmaal per twee weken voor de duur van vier uur begeleide omgangmet elkaar;
- De derde periode van twee maanden hebben de man en [minderjarige] gedurende
eenmaal per twee weken voor de duur van vier uur (deels onbegeleide) omgang met elkaar, waarbij het eerste uur en het laatste uur worden begeleidt;
- De vierde periode van twee maanden hebben de man en [minderjarige] gedurende
eenmaal per twee weken voor de duur van vier uur onbegeleide omgang met elkaar, waarbij [minderjarige] wordt gebracht en opgehaald door de omgangsbegeleider;
- De vijfde periode van twee maanden hebben de man en [minderjarige] gedurende
eenmaal per twee weken voor de duur van acht uur onbegeleide omgang met elkaar, waarbij [minderjarige] wordt gebracht en opgehaald door de omgangsbegeleider;
- Vanaf de zesde periode van twee maanden hebben de man en [minderjarige] gedurende
eenmaal per twee weken voor de duur van acht uur onbegeleide omgang met elkaar, waarbij de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt en de vrouw [minderjarige] weer bij de man ophaalt.
Deze regeling geldt gedurende het Uniform Hulpaanbod traject en tot het moment dat er door de rechtbank een nadere (definitieve) regeling is vastgesteld en/of door partijen in samenspraak met de hulpverlening andere afspraken zijn gemaakt.
4.23
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het van belang is dat de ouders uiterlijk na afloop van de vierde periode van twee maanden met de hulpverleners van het Uniform Hulpaanbod aan de slag gaan om hun ouderrelatie, samenwerking en onderlinge afstemming te verbeteren, zodat de ouders na afloop van de vijfde periode van twee maanden in staat zullen zijn om [minderjarige] zelfstandig te halen en te brengen. Tot slot verwacht de rechtbank van de man dat hij, conform hetgeen hij heeft verklaard tijdens de mondelinge behandeling, een leven opbouwt in Nederland en dat hij voor elk omgangsmoment een negatieve drugstest van de huisarts overlegt.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.24
De rechtbank zal de beslissing over de voorlopige omgangsregeling, gelet op de aard daarvan en in het belang van [minderjarige] , uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing per direct moet worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
bepaalt dat de man en genoemde minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019,
voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op de wijze zoals in rechtsoverwegingen 4.21 tot en met 4.23 is omschreven;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
verwijst ouders en de minderjarige voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en minderjarige vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.4
verzoekt het loket om uiterlijk op
11 augustus PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.5
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.6
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of zij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.7
verzoekt de Raad, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.15 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.8
verzoekt de Raad haar rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.9
houdt aan de beslissing op het verzoek van de man met betrekking tot het vaststellen van een definitieve omgangsregeling.
Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.