Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2625

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/02/438936 / JE RK 25-1512
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen te verlengen met zes maanden. De kinderen zijn eerder onder toezicht gesteld vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling, onder meer door huiselijk geweld en een lopend contactverbod tegen de vader.

Tijdens de zitting waren de ouders aanwezig, beiden tegen de verlenging. De gecertificeerde instelling stelde dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn bereikt, mede door het recente begin van hulpverlening aan de vader en het ontbreken van een risicotaxatie. De omgang tussen vader en kinderen dient begeleid te blijven, en er wordt gewerkt aan een veiliger en beter uitvoerbare omgangsregeling.

De vader en moeder betwisten de noodzaak van verlenging, wijzen op vermeende verbeteringen en belemmeringen door de ondertoezichtstelling. De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke voorwaarden voor verlenging zijn vervuld, gezien de aanhoudende ernstige ontwikkelingsbedreiging en onvoldoende vrijwillige hulpverlening. De beschikking wordt verlengd van 11 maart tot 11 september 2026 en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd van 11 maart tot 11 september 2026 en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/438936 / JE RK 25-1512
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F.V.J.H. Stoffels uit Zevenbergen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.J.R. Albicher uit Roosendaal.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 8 september 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het briefrapport van de GI van 10 februari 2026.
1.2.
Op 6 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder (digitaal gehoord), bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Spaanse taal;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 september 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is daarna bij beschikking van 8 september 2025 verlengd met ingang van 11 september 2025 tot 11 maart 2026. De kinderrechter heeft de beslissing over het resterende deel van het verzoek van de GI aangehouden.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven samen met de moeder in een ander deel van Nederland.

3.Het verzoek

3.1.
Aan de orde is nu nog het resterende deel van het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen, te weten voor de duur van zes maanden, met ingang van 11 maart 2026 tot 11 september 2026, en om de beslissing uitvoer bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Namens de GI is in de overgelegde stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald. Gelet op de voorgeschiedenis van geweld en dwingende controle, het lopende contactverbod en de pas onlangs opgestarte behandeling van de vader bij [hulpverlening 1] is het noodzakelijk dat de omgang tussen de kinderen en de vader vooralsnog onder begeleiding van hulpverlening plaatsvindt. Er is nog geen risicotaxatie of evaluatie over de vader beschikbaar waardoor de veiligheidsrisico’s nog niet kunnen worden ingeschat. Daarnaast is het belangrijk dat de vader alle beschikbare informatie over het verleden verstrekt aan [hulpverlening 1] en niet alleen de informatie waarin hij positief naar voren komt. Eind 2025 heeft de vader meerdere vaste omgangsmomenten afgezegd in verband met een vakantie van de vaste omgangsbegeleider vanuit [hulpverlening 2] . [hulpverlening 2] had een vervanger geregeld zodat de omgangsmomenten doorgang konden vinden, maar de vader wilde dit niet. Inmiddels gaan de begeleide omgangsmomenten weer door. In de komende periode wordt samen met de moeder naar de mogelijkheden gezocht om te verhuizen naar een woning dichter in de buurt van de woonplaats van de vader. Hierdoor zal de reisbelasting voor de kinderen in het kader van de omgangsregeling aanzienlijk worden verminderd en kan de uitvoering van de omgang verbeteren. Ook wordt verder gezocht naar een hulpverleningsinstelling die de omgang tussen de vader en de kinderen kan ondersteunen in de weekenden. Door de GI wordt benadrukt dat zij in beroep gaat tegen de beschikking van de kinderrechter van 14 januari 2026 over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, voor zover daarin dwingende en locatie gebonden vervolgstappen zijn geformuleerd welke onder andere door het contactverbod niet kunnen worden nagekomen.
4.2.
Door en namens de vader is naar voren gebracht dat hij niet kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling dient te eindigen omdat er geen stappen worden gezet door de GI. In de beschikking van de kinderrechter van 14 januari 2026 is bepaald dat de omgang tussen de vader en de kinderen door de GI moet worden uitgebreid, dat de begeleiding moet worden afgebouwd, dat er een veiligheidsplan moet worden opgesteld en dat de begeleide omgang zal plaatsvinden bij de vader thuis of bij hem in de buurt. Het lukt de GI echter niet om dit verder vorm te geven.
De vader is meermaals vals beschuldigd. De vader benadrukt dat er geen zorgen zijn en dat het contact tussen de ouders is genormaliseerd. Er is geen sprake van intieme terreur en onveiligheid en die is er ook nooit geweest. De vader verleent geen toestemming om alle informatie aan [hulpverlening 1] te verstrekken, omdat er veel onwaarheden in de stukken staan. De vader heeft de omgang in de periode dat de begeleider op vakantie was niet geaccepteerd. Meermaals heeft hij aangegeven dat hij voor de kinderen wilde dat er een vrouw aan zou sluiten in plaats van een man. Het is zeer vervelend dat [hulpverlening 2] en andere hulpverleningsorganisaties in de weekenden de omgang niet kunnen begeleiden. Hierdoor kan er geen uitbreiding van de omgang plaatsvinden, ondanks dat dit door de kinderrechter is bepaald. Het is belangrijk dat de omgang tussen de vader en de kinderen snel wordt geïntensiveerd. De ondertoezichtstelling werkt belemmerend. De vader benadrukt dat hij veel liefde voor de kinderen heeft en dat hij niet meer gaat samenwonen met de moeder. De vader heeft tijdens de behandeling van de strafzaak in hoger beroep om opheffing van het contactverbod verzocht. De vader staat ervoor open om alle hulpverlening in het vrijwillige kader te accepteren. Primair verzoekt de vader om afwijzing van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Subsidiair is het verzoek om de zaak veertien dagen aan te houden en de uitspraak van het Hof in de strafzaak af te wachten, zodat deze uitspraak meegewogen kan worden bij de beslissing over het al dan niet verlengen van de ondertoezichtstelling.
4.3.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat ook zij tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling is. De moeder en kinderen ervaren stress van de ondertoezichtstelling. De GI bedenkt iedere keer andere onderwerpen waar de ouders aan moeten voldoen en zijn niet eerlijk naar de ouders. Het contact tussen de moeder en de GI is beperkt tot een enkele keer app contact. De moeder ziet dat het contact tussen de vader en de kinderen goed verloopt. Ook is de moeder op zoek naar werk. Een uitbreiding van de omgangsregeling in het weekend tussen de vader en kinderen kan hierbij helpend zijn. De moeder kan dan in het weekend gaan werken als de kinderen bij de vader zijn. De huidige omgangsbegeleiding is zeer belastend voor de kinderen en valt de moeder zwaar gelet op de vier uur durende reistijd. Daarnaast ziet de moeder het verdriet van de kinderen omdat zij de vader maar vier uur per week mogen zien. De moeder is van mening dat de omgang kan worden uitgebreid zonder tussenkomst van de GI. Familie en vrienden kunnen de omgang faciliteren. Er zijn geen zorgen over de veiligheid van de moeder nu zij een eigen woning heeft en niet met de vader samenwoont. De moeder heeft het Hof in strafzaak tegen de vader dan ook verzocht om het contactverbod op te heffen. De echtscheiding tussen de ouders zal in de komende periode vormkrijgen. Hulpverlening kan in het vrijwillige kader plaatsvinden. De moeder kan instemmen met het verzoek van de vader om de zaak aan te houden voor de duur van veertien dagen, zodat de kinderrechter de beslissing van het Hof mee kan nemen in de beslissing over het al dan niet verlengen van de ondertoezichtstelling.

5.De nadere beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en de zitting blijkt dat de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet voldoende zijn weggenomen. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. In het dossier is vermeld dat de kinderen getuige zijn geweest van huiselijk geweld van de vader richting de moeder. Het is onbekend of de onveiligheid vanuit de vader naar de moeder is weggenomen omdat de hulpverlening voor de vader vanuit [hulpverlening 1] pas onlangs is opgestart. Er is daarom nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. In de komende periode dient een veiligheidsplan te worden opgesteld, zoals is bepaald in de beschikking van de kinderrechter van 14 januari 2026 (C/02/440330 / JE RK 25-1750). Bij die beschikking is ook beslist dat de regie over de vormgeving en uitbreiding van het contact tussen de vader en de kinderen bij de GI ligt. De ouders hebben op de zitting duidelijk naar voren gebracht dat de huidige vorm van omgangsbegeleiding belastend is voor de kinderen en ook voor de ouders. Samen met een maatschappelijk werker gaat de moeder onderzoeken of zij kan verhuizen naar een woning dichter bij de vader in de buurt, zodat de reistijd tussen de ouders korter wordt. Daarnaast dient in de komende periode onderzocht te worden hoe het contact tussen de kinderen en de vader uitgebreid kan worden en onder begeleiding kan plaatsvinden in de weekenden. De inzet van de hulpverlening is hierbij noodzakelijk.
5.4.
Hulpverlening in het vrijwillige kader is op dit moment nog niet toereikend. De kinderrechter ziet dat de ouders de hulpverlening willen aanvaarden, maar proeft ook weerstand tegen de begeleiding. Zo stelt de vader zich wisselend op ten opzichte van de omgangsbegeleiding door [hulpverlening 2] . Daarbij komt dat het voor de ouders door het contactverbod niet mogelijk is om in het belang van de kinderen met elkaar te communiceren. Ook los daarvan is voortzetting van de hulpverlening in een gedwongen kader echter noodzakelijk, omdat de zorgen over de veiligheid van de moeder en in verband daarmee de veiligheid van de kinderen op dit moment onvoldoende zijn weggenomen. De kinderrechter ziet daarom geen aanleiding om de beslissing voor de duur van veertien dagen aan te houden in afwachting van de uitspraak van het Hof over het contactverbod, zoals van de zijde van de vader is verzocht.
5.5.
Gelet op het hiervoor staande is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter zal het resterende verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen met ingang van 11 maart 2026 tot 11 september 2026.
5.6.
De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregelen, de toegewezen beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat die beslissingen alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter vindt dit van belang voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.7.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De nadere beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 11 maart 2026 tot 11 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 door mr. Vos, kinderrechter, in aanwezigheid van Oonincx als griffier, en op schrift gesteld op 20 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.