Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2626

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/02/440853 / JE RK 25-1851 & 445116 / JE RK 26-268
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing reguliere gesloten plaatsing voor minderjarige met aanhouding restant verzoek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom om een machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige geboren in 2009. Eerder waren voorwaardelijke machtigingen verleend, waarvan één was omgezet in een reguliere machtiging. De minderjarige verblijft sinds december 2025 in een gesloten zorginstelling.

Tijdens de mondelinge behandeling gaf de minderjarige aan dat het goed met haar gaat en dat ze positieve stappen heeft gezet, zoals het stoppen met softdrugs en het hervatten van school. Desondanks is er sprake van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen, waaronder harddrugsgebruik, grensoverschrijdend gedrag en automutilatie. De kinderrechter stelde vast dat een gesloten plaatsing noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich onttrekt aan de hulp.

De onafhankelijke gedragswetenschapper adviseerde een machtiging voor zes maanden, waarvan drie maanden toe te wijzen en de rest aan te houden. De rechtbank volgde dit advies en wees het resterende deel van het verzoek tot voorwaardelijke machtiging af. De reguliere machtiging voor gesloten plaatsing werd verleend voor drie maanden, met aanhouding van het restant. De rechtbank benadrukte het belang van voortgang in diagnostiek, behandeling en het vinden van een passende vervolgplek.

Uitkomst: De rechtbank verleent een reguliere machtiging voor gesloten plaatsing van drie maanden en wijst het resterende deel van het verzoek tot voorwaardelijke machtiging af met aanhouding van het restant.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/440853 / JE RK 25-1851 (
voorwaardelijke machtiging)
: C/02/445116 / JE RK 26-268 (
reguliere machtiging)
Datum uitspraak: 6 maart 2026
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een (voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaken van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE BERGEN OP ZOOM,
hierna te noemen: het college,
zetelende te Bergen op Zoom,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. M. Timmermans-Roelands te Bergen op Zoom.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In zaaknummer C/02/440853 / JE RK 25-185:
  • de beschikking van deze rechtbank van 17 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het bericht van het college met bijlagen, ontvangen op 12 februari 2026.
In zaaknummer C/02/445116 / JE RK 26-268:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] , die voorafgaand aan de mondelinge behandeling ook apart is gehoord, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van het college.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 3 april 2025 heeft de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 3 april 2025 en tot 3 oktober 2025, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aan de beschikking gehechte hulpverleningsplan zijn gesteld met inachtneming van de wijziging zoals opgenomen onder r.o. 5.7. van de beschikking.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 november 2025 heeft de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 17 november 2025 en tot 17 maart 2026, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het aangehechte hulpverleningsplan zijn gesteld en met inachtneming van de wijziging zoals opgenomen onder r.o. 5.6. van deze beschikking. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de mondelinge behandeling van heden. Met ingang van 8 december 2025 is de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp omgezet in een reguliere machtiging gesloten jeugdhulp.
2.4.
[minderjarige] verblijft momenteel bij [zorginstelling] te [plaats] .

3.Het (nadere) verzoek

In zaaknummer C/02/440853 / JE RK 25-185:
3.1.
Het college verzoekt een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op het verzoek beslist. Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp, te weten voor de periode met ingang van 17 maart 2026 en tot 17 mei 2026.
In zaaknummer C/02/445116 / JE RK 26-268:
3.3.
Het college verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
3.4.
De vader en de moeder stemmen in met het verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
3.5.
De onafhankelijke gekwalificeerde gedragswetenschapper, de heer [gedragswetenschapper] , stemt in met de machtiging gesloten jeugdhulp voor de periode van zes maanden en adviseert om daarvan drie maanden aan te houden. Dit blijkt uit de verklaring van 12 februari 2026.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter dat het goed met haar gaat. Ze is inmiddels gewend aan het strenge en beperkte kader van [zorginstelling] en kan al beter over haar emoties praten. Daarnaast gaat [minderjarige] weer naar school, is ze op zoek naar werk, heeft ze niet meer geautomutileerd en heeft ze, ondanks dat het haar wel is aangeboden, geen softdrugs meer gebruikt. Ze heeft wel nog een keer harddrugs gebruikt. [minderjarige] beseft dat de gesloten machtiging nodig was. Daarnaast denkt [minderjarige] dat ze na de geslotenheid alleen nog maar in haar vrije tijd softdrugs zal gebruiken. Verder is [minderjarige] begonnen met de diagnostiek binnen [zorginstelling] . Ze staat ook open voor een behandeling. [minderjarige] is het in principe niet eens met het verzoek tot een gesloten plaatsing, maar als het toch wordt toegewezen voor drie maanden, dan moet dat maar. De evaluatie was positief. Er zijn nog wel zorgen op het gebied van jongens en drugsgebruik. De diagnostiek moet ook nog worden afgerond. Voorts is tijdens de evaluatie besproken dat [minderjarige] richting zelfstandig wonen bij [werkgever] kan gaan werken. [minderjarige] vindt het echter verstandiger om daarvoor wel eerst een voorwaardelijke machtiging te hebben op een open groep, zodat de stap niet te groot is. Tot slot geeft ze aan dat het geen optie is om terug bij de ouders te wonen, omdat [minderjarige] dan waarschijnlijk snel in oud gedrag terugvalt.
4.2.
Namens [minderjarige] wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat het klopt dat het de vorige keer mis is gegaan. [minderjarige] zit nu echter al drie maanden bij [zorginstelling] en heeft grote stappen gezet. Ze vindt een gesloten plaatsing van zes maanden te lang, hetgeen ook blijkt uit het advies van de onafhankelijke gedragswetenschapper. Hij adviseert de rechtbank om drie maanden toe te wijzen en het restant aan te houden, zodat [minderjarige] perspectief behoudt. Gelet hierop verzoekt de advocaat de rechtbank om ook meteen een nieuwe zittingsdatum te bepalen. Het is van belang dat de stijgende lijn wordt vastgehouden. Het resterende deel van de voorwaardelijke machtiging kan worden afgewezen. Tot slot licht de advocaat toe dat [minderjarige] na de geslotenheid graag wil oefenen met een voorwaardelijke machtiging op een open groep, zodat ze kleine stappen kan zetten richting zelfstandigheid en beschermd wonen.
4.3.
Het college licht toe dat [minderjarige] , met behulp van het duidelijke kader van [zorginstelling] , veel stappen heeft gezet. Daarnaast wordt haar middelengebruik beperkt en gaat ze weer naar school. [zorginstelling] is inmiddels begonnen met de diagnostiek en hier staat [minderjarige] ook voor open. Ook zal binnenkort de vaktherapie voor emotieregulatie beginnen. Tijdens de evaluatie is tevens het lage zelfbeeld van [minderjarige] besproken. Hier moet de komende periode aan gewerkt worden. Het college ziet nog wel risico’s en verzoekt de rechtbank om drie maanden van de gesloten machtiging toe te wijzen en het restant aan te houden, zodat [minderjarige] verder kan stabiliseren, met meer vrijheden kan oefenen en een geschikte vervolgplek voor haar kan worden gevonden. Het is noodzakelijk dat de stijgende lijn wordt vastgehouden. Het college zal [minderjarige] tot slot zo snel mogelijk aanmelden bij een aantal vervolgplekken.
4.4.
De moeder verklaart dat [minderjarige] grote stappen heeft gezet. Het gesloten kader biedt haar veel structuur. De diagnostiek is nog niet opgestart en er is nog geen vervolgplek gevonden, hetgeen maakt dat de moeder heeft ingestemd met het verzoek. Er moeten nog veel stappen worden gezet en de overgang naar een open groep moet zorgvuldig zijn. [minderjarige] is nog heel beïnvloedbaar en de moeder is bang dat [minderjarige] snel terug zal vallen in middelengebruik. [minderjarige] is ook nog niet toe aan het doorspitten en opschonen van haar telefoon, wat maakt dat zij nog geen telefoonvrijheden heeft.
4.5.
De vader geeft aan dat in het verleden is gebleken dat [minderjarige] moeilijk met vrijheden om kan gaan. Dit maakt dat de vader zich zorgen maakt over een open groep. Sinds ze bij [zorginstelling] verblijft, gaat het goed met haar. Dit weekend blijft [minderjarige] voor het eerst bij de vader slapen. De vrijheden zullen langzaam worden opgebouwd, zodat kan worden bekeken hoe dat gaat. De vader maakt zich zorgen over het telefoongebruik van [minderjarige] . Hij hoopt dat ze middels de diagnostiek en behandeling handvaten krijgt en leert inzien wat wel en niet goed voor haar is.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (hierna: Jw) kan een machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Tevens dienen er geen minder ingrijpende mogelijkheden te zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
5.2.
Op basis van het bepaalde in artikel 6.1.2, derde lid, Jw kan een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, bovendien alleen worden verleend, indien:
a. De jeugdige onder toezicht is gesteld; of
b. De voogdij over de jeugdige berust bij een gecertificeerde instelling; of
c. Degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.
5.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2, vijfde lid, Jw behoeft het verzoek de instemming van een gekwalificeerd gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.
Machtiging gesloten plaatsing
5.4.
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. De kinderrechter stelt allereerst vast dat het verzoek voldoet aan de formele vereisten, aangezien de (gezaghebbende) ouders van [minderjarige] met het verzoek instemmen en uit de schriftelijke verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper van 12 februari 2026 volgt dat ook hij instemt met een plaatsing in de gesloten jeugdhulp. Deze gedragswetenschapper heeft [minderjarige] tevens kort van tevoren onderzocht.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen bij [minderjarige] die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Het is de kinderrechter gebleken dat het kort na de vorige mondelinge behandeling mis is gegaan, aangezien [minderjarige] zich, ondanks twee officiële waarschuwingen, niet heeft kunnen houden aan de gestelde voorwaarden. Het middelengebruik van [minderjarige] (fors hard- en softdrugsgebruik) heeft een grote weerslag op haar dag- en nachtritme en motivatie. Ze liep regelmatig weg van de open groep en weigerde naar de dagbesteding te gaan. Ook was [minderjarige] niet gemotiveerd voor het zoeken naar werk of een leerplek, stond ze niet open voor psychologische hulpverlening, vertoonde ze grensoverschrijdend gedrag en heeft ze veel geautomutileerd. Voorts waren er zorgen over de veiligheid van [minderjarige] , nu er vermoedens waren dat zij (seksuele) handelingen laat verrichten om haar middelengebruik te bekostigen, naar aanleiding van meerdere geldstortingen op haar rekening door (voor de ouders onbekende) derden. Deze zorgen hebben ertoe geleid dat de voorwaardelijke machtiging is omgezet in een gesloten machtiging.
5.5.
Een verblijf binnen een gesloten instelling is noodzakelijk en geschikt om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft. Er zijn ook geen minder ingrijpende maatregelen mogelijk. [minderjarige] verblijft inmiddels al sinds december 2025 binnen [zorginstelling] . Het is de kinderrechter gebleken dat de duidelijkheid, bescherming en structuur van de geslotenheid [minderjarige] goed doet. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat [minderjarige] erg haar best heeft gedaan en dat zij positieve stappen heeft gezet. Het is van belang dat de komende periode door middel van diagnostiek zicht komt op de problematiek van [minderjarige] , zodat ook duidelijk wordt welke behandeling passend is. Uit de recente evaluatie volgt immers dat er, ondanks de gezette stappen, nog wel aandachtspunten zijn op het gebied van middelengebruik, zelfbeeld en het contact met jongens. Daarnaast kost het ontwennen en inzetten op herstel tijd, moet [minderjarige] in staat worden gesteld om te laten zien dat zij om kan gaan met (de opbouw van) vrijheden en is het van belang dat de komende periode een passende vervolgplek voor haar wordt gevonden. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] is het immers van belang dat zij richting zelfstandigheid kan gaan werken. Een verblijf binnen een open kader of een terugplaatsing bij (een van) de ouders is tot slot (nog) niet mogelijk, gelet op de voornoemde zorgen. De benodigde hulpverlening is immers eerder niet van de grond gekomen, heeft onvoldoende effect gehad en [minderjarige] heeft zich hieraan herhaaldelijk onttrokken.
5.6.
De kinderrechter zal, gelet op het voorgaande, de machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlenen, en wel voor de periode van drie maanden. De overige drie maanden worden aangehouden. De kinderrechter vindt het belangrijk om een vinger aan de pols te houden, zodat [minderjarige] perspectief blijft houden en op een later moment de stand van zaken kan worden besproken. De beslissing over het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de zitting op
[datum] 2026 om [tijdstip]. Deze dag en tijdstip heeft de kinderrechter ter zitting bepaald in afstemming met de advocaat, de ouders en het college en aan hen medegedeeld.
De kinderrechter verzoekt het college om haar twee weken voorafgaand aan de volgende zitting schriftelijk te informeren over de actuele stand van zaken. Voor zover het college haar verzoek handhaaft, verwacht de kinderrechter ook dat zij een actuele instemmingsverklaring van een onafhankelijke gedragswetenschapper overlegt.
(Restant) voorwaardelijke machtiging gesloten plaatsing
5.7.
De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp afwijzen, nu de kinderrechter de gesloten machtiging heeft verleend en een voorwaardelijke machtiging – gelet op de voornoemde overwegingen – momenteel niet meer aan de orde is.
5.8.
De kinderrechter merkt tot slot op dat het aan het college is om de komende periode al dan niet in te zetten op een (nieuwe) voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp, zoals [minderjarige] zelf het liefste wil. De kinderrechter verzoekt het college om in dat geval tijdig voorafgaand aan de nadere mondelinge behandeling het verzoekschrift bij de rechtbank in te dienen, zodat deze zaak gelijktijdig kan worden behandeld met het resterende deel van het verzoek omtrent de gesloten machtiging.
5.9.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
In zaaknummer C/02/440853 / JE RK 25-1851:
6.1.
wijst het resterende deel van het verzoek af;
In zaaknummer C/02/445116 / JE RK 26-268:
6.2.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 17 maart 2026 en tot 17 juni 2026;
6.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de mondelinge behandeling van
[datum] 2026 om [tijdstip], ten overstaan van mr. Dijkman voor de duur van 60 minuten, welke wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 te Middelburg, in afwachting van de rapportage en het standpunt van het college zoals in de beoordeling onder rechtsoverweging 5.6. weergegeven;
6.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor [minderjarige] , haar advocaat, het college en de ouders;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.