Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2627

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/02/443753 / JE RK 26-28
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens aanhoudende bedreiging ontwikkeling

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 6 maart 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2021 en 2023, voor de duur van een jaar, tot 10 maart 2027. De ondertoezichtstelling was eerder ingesteld op 10 maart 2025 en zou aflopen op 10 maart 2026.

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging omdat de gestelde doelen nog niet volledig waren behaald. Er is sinds juni 2025 hulpverlening ingezet, waaronder psychologische ondersteuning en MASIC-onderzoek, dat geen veiligheidsbelemmeringen aan het licht bracht. De moeder heeft echter twijfels over de uitkomst en ervaart angst ten opzichte van de vader. De communicatie tussen ouders is ernstig verstoord, en er is geen gezamenlijk ouderschap.

De moeder stemt in met verlenging, maar uit zorgen over veiligheid, nachtrust van het kind na omgang en eerdere zorgwekkende uitspraken van de vader. De vader stemt eveneens in en is bereid tot medewerking, waaronder bloedonderzoek. De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke vereisten voor verlenging zijn vervuld, omdat de bedreiging voor de ontwikkeling van de kinderen nog niet is weggenomen en vrijwillige hulpverlening onvoldoende toereikend is. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen met een jaar vanwege aanhoudende bedreiging van hun ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443753 / JE RK 26-28
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. F. Ergec uit Bergen op Zoom,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. C.A.E.C.J.M. Hooft uit Gilze.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 januari 2026;
  • het bericht van mr. Hooft van 4 februari 2026;
  • de brief van de griffier aan mr. Hooft van 18 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren (waarnemend voor mr. Hooft);
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 2] is erkend door de vader.
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij beschikking van 10 maart 2025 onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 maart 2025 tot 10 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Namens de GI is in de overgelegde stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat de eerder gestelde doelen nog niet (volledig) zijn behaald. Sinds 18 juni 2025 zijn er twee jeugdbeschermers betrokken vanuit het Provinciaal Instroom Team. In juli 2025 zijn de ouders voor hulpverlening aangemeld bij [psychologenpraktijk] . Half november 2025 is de hulpverlening gestart. [minderjarige 2] is onlangs gestart met de hulpverlening van [hulpverlening] . Verder is onlangs bij beide ouders de MASIC afgenomen, om te onderzoeken of er veiligheidsbelemmeringen zijn. Daaruit blijkt dat daar op dit moment geen sprake van is. Er worden geen belemmeringen gezien om het contact tussen [minderjarige 2] en de vader op te starten. De moeder heeft een andere visie op de uitkomst van de MASIC. Hierover zal een gesprek met haar plaatsvinden. Gezien wordt dat de moeder ten opzichte van de vader nog angst ervaart. De contactregeling tussen de vader en [minderjarige 1] wordt nagekomen. [minderjarige 1] vindt het contact met de vader prettig. Wel geeft de moeder aan dat [minderjarige 1] na de omgang onrustige nachten heeft. Gekeken moet worden waar die klachten vandaan komen. Daarnaast dient zicht te komen op de zorgelijke uitspraken die [minderjarige 1] eerder heeft gedaan. [psychologenpraktijk] zal gaan aansluiten bij de omgang. Met ondersteuning van [psychologenpraktijk] dient er contact tussen [minderjarige 2] en de vader plaats te gaan vinden en een uitbreiding van het contact tussen [minderjarige 1] en de vader. De moeder zal hierbij worden ondersteund door de hulpverlening om meer vertrouwen te krijgen. De GI is bereid om een bloedonderzoek aan de vader aan te bieden vanwege de zorgen van de moeder over middelengebruik door de vader, maar de moeder zal dan wel de uitkomst moeten vertrouwen. De communicatie tussen de ouders is nog ernstig verstoord en er is geen sprake van gezamenlijk ouderschap.
Het lukt de ouders niet om in het belang van de kinderen te communiceren en goede afspraken te maken. Er zal daarom ook nog hulpverlening worden ingezet op de communicatie en verhouding tussen de ouders. Hulpverlening in het vrijwillige kader is op dit moment nog onvoldoende toereikend. Het is positief dat de ouders de hulpverlening aanvaarden, maar het is noodzakelijk voor de kinderen dat de pas opgestarte hulpverlening wordt gecontinueerd om toe te komen aan de gestelde doelen.
4.2.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Wel voelt zij zich onbegrepen en niet gehoord door praktijk [psychologenpraktijk] . De moeder heeft, ondanks de uitkomst van de MASIC, zorgen over de veiligheid van de kinderen. De moeder vraagt zich af hoe de gevaren vanuit het verleden zich verhouden tot het nu. De moeder heeft trauma’s opgelopen door de relatie met de vader. De moeder merkt ook dat [minderjarige 1] sinds het contact met de vader erg onzeker is geworden en ’s nachts vaak moet huilen na de omgangsmomenten. Daarnaast heeft de vader eerder zorgwekkende uitspraken gedaan tegen [minderjarige 1] over het dragen van een jurk en het wegleggen van knikkers op de trap. De vader ontkent deze zorgwekkende uitspraken. Ook zijn de zorgen omtrent het alcohol- en drugsgebruik van de vader niet weggenomen bij de moeder. Deze zorgen kunnen worden weggenomen door een onverwachte alcohol- en drugstest bij de vader af te nemen. De moeder kan ermee instemmen dat de kinderen contact (zullen) hebben met de vader, maar hierbij dient goed naar haar zorgen gekeken te worden.
4.3.
Door en namens de vader is naar voren gebracht dat hij kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader is van mening dat de MASIC op de juiste wijze is afgenomen en dat er geen sprake meer is van onveiligheid. Het is jammer dat de moeder de uitkomst betwist. De vader is bereid om overal aan mee te werken. De hulpverlening mag bij hem in huis komen kijken om de moeder gerust te stellen en haar zorgen weg te nemen. Daarnaast is de vader bereid om een bloedtest te laten afnemen. Het contact met [minderjarige 1] is goed, maar helaas maar met één uur uitgebreid in de afgelopen drie jaar. De vader vindt het jammer dat hij [minderjarige 1] niet mee naar zijn huis mag nemen. De vader is tevreden over de hulpverlening. De vader staat open voor de hulpverlening om aan de gestelde doelen te werken.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
Uit de overlegde stukken en hetgeen is besproken ter zitting blijkt dat de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet voldoende zijn afgenomen. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Zo heeft er nog geen contact tussen [minderjarige 2] en de vader plaatsgevonden. Er dient meer zicht te komen hoe het contact tussen [minderjarige 2] en de vader tot stand kan komen. In de komende periode dient daarnaast onderzocht te worden of en hoe de contactregeling tussen [minderjarige 1] en de vader uitgebreid kan worden. De inzet van de hulpverlening is hierbij noodzakelijk.
5.4.
Hulpverlening in het vrijwillige kader is op dit moment nog niet voldoende toereikend. De ouders zijn wel bereid, maar onvoldoende in staat de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen. Het is positief dat beide ouders mee willen werken aan de pas opgestarte hulpverlening. Het lukt de ouders echter niet om samen te communiceren en afspraken te maken in het belang van de kinderen. Daarnaast heeft de moeder ondersteuning nodig van de hulpverlening om vertrouwen te krijgen in de situatie.
5.5.
Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter zal het verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen met ingang van 10 maart 2026 tot 10 maart 2027.
5.6.
De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregelen, de toegewezen beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat die beslissing moet worden gevolgd, ook als er daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
5.7.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 10 maart 2026 tot 10 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 door mr. Vos, kinderrechter, in aanwezigheid van Oonincx als griffier, en op schrift gesteld op 20 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.