De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 6 maart 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2021 en 2023, voor de duur van een jaar, tot 10 maart 2027. De ondertoezichtstelling was eerder ingesteld op 10 maart 2025 en zou aflopen op 10 maart 2026.
De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging omdat de gestelde doelen nog niet volledig waren behaald. Er is sinds juni 2025 hulpverlening ingezet, waaronder psychologische ondersteuning en MASIC-onderzoek, dat geen veiligheidsbelemmeringen aan het licht bracht. De moeder heeft echter twijfels over de uitkomst en ervaart angst ten opzichte van de vader. De communicatie tussen ouders is ernstig verstoord, en er is geen gezamenlijk ouderschap.
De moeder stemt in met verlenging, maar uit zorgen over veiligheid, nachtrust van het kind na omgang en eerdere zorgwekkende uitspraken van de vader. De vader stemt eveneens in en is bereid tot medewerking, waaronder bloedonderzoek. De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke vereisten voor verlenging zijn vervuld, omdat de bedreiging voor de ontwikkeling van de kinderen nog niet is weggenomen en vrijwillige hulpverlening onvoldoende toereikend is. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.