Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2629

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/02/445088 / JE RK 26-264
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen en inzet NIFP-onderzoek

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen, waarbij de kinderrechter de belangen van de kinderen centraal stelt. De minderjarigen vertonen ernstige ontwikkelingsbedreigingen, waaronder loyaliteitsconflicten, huiselijk geweld en schoolverzuim. Ondanks inzet van diverse hulpverleningsvormen is het patroon niet doorbroken.

De GI en de moeder ondersteunen het verzoek, waarbij de vader niet verschijnt en de zorgen ontkent. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert een NIFP-onderzoek om inzicht te krijgen in hechting, trauma en pedagogische vaardigheden, gezien de complexiteit van het gezinssysteem en het gebrek aan samenwerking tussen ouders.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke criteria voor verlenging is voldaan en verlengt de ondertoezichtstelling voor negen maanden, met het verzoek aan de GI om een NIFP-onderzoek te laten uitvoeren en hierover te rapporteren. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het restant van het verzoek wordt aangehouden voor nadere behandeling.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen voor negen maanden en beveelt een NIFP-onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445088 / JE RK 26-264
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2009 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. E. Sijnesael te Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 16 februari 2026, ontvangen op 16 februari 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de GI;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd door hen in de gelegenheid te stellen op gesprek te komen of een brief te schrijven. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheden.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn erkend door de vader.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vader, [minderjarige 3] bij de moeder.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 april 2024 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 april 2024 en tot 8 april 2025. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is daarna verlengd, laatstelijk tot 8 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] te verlengen tot aan meerderjarigheid, te weten tot 29 januari 2027. Tot slot verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI licht toe dat [minderjarige 3] al een jaar niet meer naar school gaat, maar dat de leerplichtambtenaar niet doorpakt door bijvoorbeeld een proces-verbaal op te stellen. [minderjarige 3] heeft een stok achter de deur nodig. Daarnaast krijgt de GI van de vader een heel ander beeld over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan van de moeder. Het gezinssysteem is zeer gesloten en het lukt de GI niet om de zorgen te verifiëren. De vader ontkent dat hij thuis negatief spreekt over de moeder en de minderjarigen geven dit ook niet aan. Een loyaliteitsconflict en het minder streng zijn van de moeder kan het gedrag van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] echter niet (alleen) verklaren. De zorgen over de minderjarigen blijven bestaan, ondanks de inzet van meerdere zware vormen van hulpverlening, zoals MDFT. Aangezien de vader geen gezag heeft, kan de GI ook geen schriftelijke aanwijzing geven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen al twee jaar bij de vader zonder machtiging. Er is sprake van een ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen, maar het lukt de GI tot op heden niet om het patroon te doorbreken. Herhaling van zetten moet worden voorkomen. Een NIFP-onderzoek is een uiterst middel, maar dit uiterste punt is nu ook wel bereikt. De GI verzoekt tot slot om een deel van het verzoek aan te houden voor het geval het NIFP een onderzoek niet passend acht.
4.2.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De zorgen zijn, ondanks de betrokkenheid van alle hulpverlening, zelfs toegenomen. Alleen als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder zijn, vertonen ze zeer zorgwekkend, onhanteerbaar en controlerend gedrag. [minderjarige 3] gaat daarnaast niet naar school en ligt de hele dag in bed te blowen. Dinsdag heeft de moeder een afspraak met de leerplichtambtenaar, maar [minderjarige 3] wil niet mee. Er is ook geen contact tussen de ouders. De advocaat vermoedt dat er sprake is van intieme terreur en een loyaliteitsconflict. De invloed van de vader op de kinderen is zeer groot, nu zij alles aan hem doorgeven wat de moeder doet. De kinderen mogen het niet leuk hebben bij de moeder. De vader werkt tot slot nergens aan mee en erkent de problemen niet.
4.3.
De Raad verklaart dat het passend is dat parallel solo ouderschap door de GI wordt ingezet, aangezien de ouders zo min mogelijk met elkaar moeten communiceren. De Raad verklaart daarnaast dat de huidige situatie zorgelijk is, maar zij ziet geen meerwaarde in een perspectiefonderzoek. Perspectief bepalen kan namelijk niet zonder diagnostiek. De Raad adviseert de inzet van een NIFP-onderzoek, zodat er zicht kan komen op de hechting, trauma en pedagogische vaardigheden. Het moet duidelijk worden welke opvoedomgeving passend is voor de minderjarigen. Er moeten daarbij wel duidelijke onderzoeksvragen worden opgesteld. Hier kan de Raad eventueel over meedenken. Tot slot verklaart de Raad dat er consequenties moeten worden verbonden aan het niet meewerken van de vader.

5.De beoordeling

1.
Wettelijk kader
1.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de
2. kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur
3. van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
4.
Inhoudelijke beoordeling
4.1.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling, is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor het verlengen van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter legt dit hierna uit.
4.2.
De kinderrechter stelt vast dat de minderjarigen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Hoewel er vanuit de eerder betrokken hulpverlening en school geen zorgen over de minderjarigen naar voren zijn gekomen en er eerder nog prille positieve ontwikkelingen waren, maakt de kinderrechter maakt zich, evenals de GI, de Raad en de moeder, wel ernstige zorgen over de situatie van de minderjarigen. Zo is gebleken dat de minderjarigen langdurig zijn blootgesteld aan een ouderlijke strijd en huiselijk geweld, alsmede onvoldoende stabiele grenzen en voorspelbaarheid. Er is sprake van een hardnekkig, gesloten gezinssysteem, waarbij – vooral [minderjarige 1] en [minderjarige 2] – verschillend gedrag vertonen per opvoedsituatie. Zo zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder thuis fysiek en verbaal agressief (naar de moeder en naar elkaar), ondermijnen ze haar gezag en controleren ze de moeder, terwijl de vader en school deze zorgen niet herkennen. De GI vermoedt dat dit deels voortkomt uit een loyaliteitsconflict en de (grote) invloed van de vader, alsmede een groot verschil in opvoedstijl en -vaardigheden, maar het wordt – ondanks de inzet van verschillende (zware) hulpverleningsvormen (MST-CAN, MDFT, IPT en PMT) – niet duidelijk wat er precies speelt. De advocaat van de moeder vermoedt dat er sprake is van intieme terreur, waarbij de minderjarigen het niet leuk mogen hebben bij de moeder en de kinderen door de vader worden ingezet om de moeder in de gaten te houden. De vader ontkent blijkens de stukken juist alle zorgen en geeft aan dat het goed gaat met de kinderen. Voorts is het de kinderrechter gebleken dat [minderjarige 3] al een langere tijd niet naar school gaat, dagelijks blowt en veel op haar kamer zit. Tevens is [minderjarige 3] verbaal agressief naar de moeder en lukt het de moeder niet om [minderjarige 3] te sturen en te stimuleren. Er bestaat een risico op verdere ontsporing door middelengebruik, schoolverzuim en emotionele terugtrekking. De noodzakelijke psychiatrische hulpverlening voor [minderjarige 3] komt ook niet van de grond. Tot slot is er geen sprake van communicatie en samenwerking tussen de ouders in het belang van de minderjarigen.
4.3.
De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat de betrokkenheid van de GI nog noodzakelijk is. Het is van belang dat de GI het belang van de minderjarigen voorop blijft stellen en stevige regie blijft voeren, gelet op de kwetsbare situatie en het feit dat de ouders (met name de vader) onvoldoende meewerken aan hulpverlening in het vrijwillige kader. Er is momenteel geen hulpverlening meer betrokken in de thuissituatie van de vader. Het is noodzakelijk dat de GI zorg draagt voor de inzet en monitoring van passende hulpverleningstrajecten voor zowel de ouders als de minderjarigen. De GI kan, desnoods door middel van de inzet van juridische middelen, bewerkstelligen dat de ouders de hulpverlening blijvend accepteren. Het is van belang dat de GI voor de ouders parallel solo ouderschap inzet, zodat zij minimaal met elkaar hoeven te communiceren. Verder overweegt de kinderrechter dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zonder juridische titel bij de vader (zonder gezag) verblijven. Aangezien er sprake is van een ondertoezichtstelling, dient de GI zorg te dragen voor het verkrijgen van een machtiging uithuisplaatsing. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de leerplichtambtenaar in het belang van [minderjarige 3] moet worden geactiveerd. Gelet op de zorgen over en de leeftijd van [minderjarige 3] is ingrijpen van de leerplichtambtenaar noodzakelijk. Het is tot slot belangrijk dat de GI de moeder hierin meeneemt, zodat de moeder kan worden versterkt in haar ouderrol en [minderjarige 3] kan stimuleren.
4.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is de mogelijkheid van een perspectiefonderzoek, welke wordt uitgevoerd door de Raad, besproken. De Raad heeft aangegeven dat een dergelijk onderzoek in deze zaak teveel aan de oppervlakte zou blijven en heeft geadviseerd een onderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) uit te laten voeren. De kinderrechter is, mede gelet op voornoemd advies van de Raad, van oordeel dat de GI de mogelijkheden dient te onderzoeken om dit onderzoek te doen verrichten. Er zijn ernstige zorgen over de situatie van de minderjarigen. Middels dit onderzoek dient zicht te worden verkregen op de hechting, trauma, pedagogische vaardigheden en onderliggende problematiek. Het is de GI immers – ondanks de inzet van zware hulpverleningstrajecten – niet gelukt om voldoende zicht te krijgen op de situatie van de minderjarigen. De GI loopt hierdoor vast in de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het is noodzakelijk dat wordt gekeken naar de gehele gezinssituatie, zodat duidelijk wordt welke opvoedsituatie het meest passend is voor de minderjarigen en wat er nodig is om de situatie van de minderjarigen te verbeteren. Het is van belang dat de GI, al dan niet met behulp van de Raad, goede onderzoeksvragen opstelt voor het NIFP en zicht houdt op het verloop van het onderzoek. De kinderrechter merkt voorts op dat het in het belang van de minderjarigen is dat de ouders (blijvend) meewerken aan dit traject. De kinderrechter benadrukt dat niet-meewerken consequenties kan hebben, aangezien het noodzakelijk is dat er zicht wordt verkregen op de situatie van de minderjarigen. Omdat dit traject een lange duur heeft en de kinderrechter een vinger aan de pols wil houden met betrekking tot het verloop van het traject, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor een periode van negen maanden, te weten voor de periode met ingang van 8 april 2026 en tot 8 januari 2027, onder aanhouding van het restant. De GI wordt verzocht om nader te rapporteren op de wijze die in het dictum is beschreven.
4.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.6.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 8 april 2026 en tot 8 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek aan tot
4 december 2026PRO FORMA, en
verzoekt de GI om uiterlijk drie weken voor de nader te bepalen mondelinge behandeling een briefrapportage in te dienen over de stand van zaken en recente ontwikkelingen, met een afschrift daarvan aan de belanghebbenden;
6.4.
verzoekt de griffier van de rechtbank om deze zaak uiterlijk op voornoemde pro forma datum, met inachtneming van eventuele verhinderdata van partijen en de afloop van de ondertoezichtstelling zoals hiervoor weergegeven, te plannen op een nadere zitting en partijen daarvoor tijdig op te roepen;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.