ECLI:NL:RBZWB:2026:264

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/02/430820/HA ZA 25-35 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Sterk
  • Den Braber-Riemens
  • Vogelzang
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:401 BWArt. 6:96 BWArt. 6:100 BWArt. 6:105 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid belastingadvieskantoor voor onzorgvuldig fiscaal advies over bedrijfsstructuur en landbouwvrijstelling

Eisers, houders van een geitenhouderij en akkerbouwbedrijf, hebben ABAB in 2019 gevraagd te adviseren over een nieuwe bedrijfsstructuur. ABAB adviseerde een holding-werkmaatschappijstructuur waarbij landbouwgrond werd verpacht aan de werkmaatschappij. Eisers stelden ABAB aansprakelijk wegens onzorgvuldig advies, omdat zij niet werden gewaarschuwd voor het verlies van de landbouwvrijstelling, wat fiscale nadelen opleverde.

ABAB voerde verweer met een beroep op een vervalbeding in haar algemene voorwaarden, stellende dat vorderingen te laat waren ingesteld. De rechtbank oordeelde dat het vervalbeding zo moet worden uitgelegd dat een tijdige aansprakelijkstelling voldoende is om verval te voorkomen, en dat de aansprakelijkstelling van eisers tijdig was.

Inhoudelijk stelde de rechtbank vast dat ABAB onvoldoende zorg heeft betracht door niet alle scenario’s met fiscale voor- en nadelen door te rekenen en niet schriftelijk te adviseren over alternatieven, waaronder een fiscaal gunstiger scenario dat zowel het tweede tariefopstapje als de landbouwvrijstelling zou behouden. ABAB heeft hierdoor tekortgeschoten in haar zorgplicht en is aansprakelijk voor de schade.

De rechtbank begrootte de schade op €205.916,11, bestaande uit reeds geleden schade en een gereduceerde toekomstige schade, en veroordeelde ABAB tot betaling van deze schade, de kosten voor vaststelling van de schade en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: ABAB is aansprakelijk voor de beroepsfout en veroordeeld tot betaling van €205.916,11 schadevergoeding, €4.119,70 kosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/430820 / HA ZA 25-35
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] B.V.,

te [plaats] ,
2.
[eiser 2] B.V.,
te [plaats] ,
3.
[eiser 3],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [eiser 3] ,
4.
[eiser 4],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [eiser 4] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. T.G.G. Raijmakers,
tegen

1.AAFF BELASTINGADVIES B.V.(voorheen ABAB BELASTINGADVISEURS B.V.),

te Tilburg,
2.
AAFF ACCOUNTANCY EN ADVIES B.V.(voorheen ABAB ACCOUNTANTS B.V.),
te Tilburg,
gedaagde partijen,
hierna zowel afzonderlijk als samen te noemen: ABAB,
advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eisers] hebben een geitenhouderij en akkerbouwbedrijf. Zij hebben ABAB in 2019 om advies gevraagd over een andere bedrijfsstructuur. [eisers] hebben de door ABAB geadviseerde structuur doorgevoerd. [eisers] hebben ABAB in 2024 aansprakelijk gesteld. Zij vinden dat ABAB een beroepsfout heeft gemaakt door hen onjuist, onvolledig en daarmee onzorgvuldig te adviseren. De geadviseerde bedrijfsstructuur pakt volgens [eisers] namelijk fiscaal gezien zeer nadelig uit. [eisers] vorderen in deze procedure vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van de beroepsfout. Ook willen zij vergoeding van de kosten die zij hebben moeten maken om de hoogte van de schade vast te stellen.
1.2.
ABAB doet een beroep op het vervalbeding in haar algemene voorwaarden. Als [eisers] al een vordering zouden hebben, dan is deze vervallen omdat zij de dagvaarding te laat hebben uitgebracht. Inhoudelijk vindt ABAB dat zij [eisers] juist heeft geadviseerd. Zij wijst aansprakelijkheid dan ook van de hand en is niet bereid tot het betalen van een schade- en kostenvergoeding. Voor het geval het wel tot een toewijzing komt voert ABAB verweer tegen de gevorderde schade.
1.3.
De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van het vervalbeding in dit geval betekent dat een aansprakelijkstelling ook voldoende is om verval van recht te voorkomen. Deze is tijdig uitgebracht. ABAB heeft een beroepsfout gemaakt en is aansprakelijk voor de schade die [eisers] als gevolg daarvan lijden. De rechtbank begroot de schade van [eisers] op een lager bedrag dan gevorderd. De kosten voor vaststelling van de schade zijn toewijsbaar.
1.4.
De rechtbank legt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten, de vorderingen en het verweer daartegen geschetst. Tot slot volgt de beslissing van de rechtbank op de vorderingen.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het tussenvonnis van 16 april 2025 en de daarin genoemde processtukken,
 de akte overlegging productie van [eisers] , met daarbij productie 13,
 de akte overlegging aanvullende producties van ABAB, met daarbij producties 12 en 13,
 de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
 de spreekaantekeningen van de advocaten van partijen, zoals zij die tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgelezen,
 de akte overlegging producties van 10 december 2025 van [eisers] , met daarbij producties 14 en 15.
2.2.
De rechtbank heeft aan het einde van de mondelinge behandeling bepaald dat er een vonnis zal komen.
2.3.
Voor de volledigheid overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding heeft gezien om ABAB in de gelegenheid te stellen om een antwoordakte te nemen naar aanleiding van de akte van 10 december 2025 van [eisers] Dit is op voorhand ook tijdens de mondelinge behandeling aangegeven. Naar aanleiding van het verweer van ABAB tegen de in de dagvaarding gestelde koopsommen voor de verkochte grond heeft de rechtbank [eisers] in de gelegenheid gesteld om de definitieve koopovereenkomsten in het geding te brengen (zie hierna 3.17). Ook heeft de rechtbank ter zitting aangegeven dat na het in het geding brengen van deze koopovereenkomsten naar bevind van zaken zal worden gehandeld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de in de dagvaarding gestelde bedragen overeenkomen met de in de koopovereenkomsten genoemde bedragen. Dat betekent dat er geen aanleiding is voor een antwoordakte en de rechtbank eindvonnis zal wijzen.

3.De feiten

3.1.
[eisers] hebben een geitenhouderij en akkerbouwbedrijf. Het bedrijf werd aanvankelijk uitgeoefend vanuit een eenmanszaak, later vanuit een vennootschap onder firma ( [V.O.F.] ) en uiteindelijk vanuit een bv-structuur. In de huidige structuur is [eiser 2] B.V. de holdingmaatschappij, met [eiser 3] en [eiser 4] als gezamenlijk aandeelhouder en bestuurder. [eiser 2] B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van de werkmaatschappij [eiser 1] B.V.
3.2.
ABAB is een accountancy- en adviesorganisatie. ABAB is gefuseerd met Alfa, een andere organisatie in de branche. Sinds 15 januari 2025 gaan ABAB en Alfa verder onder de naam aaff. Voor de leesbaarheid gaat de rechtbank, net als partijen in hun processtukken, in dit vonnis nog uit van de naam ABAB.
3.3.
[V.O.F.] heeft ABAB op 11 januari 2019 gevraagd om haar te adviseren over een herstructurering. [V.O.F.] was op dat moment al jarenlang klant bij ABAB, met name voor dienstverlening door de accountant.
3.4.
Op 24 januari 2019 hebben de heren mr. [naam 1] RB (senior belastingadviseur, hierna: “ [naam 1] ”) en ing. [naam 2] (senior relatiemanager) van ABAB een bezoek gebracht aan het bedrijf van [eiser 3] en [eiser 4] . Tijdens dit bezoek is gesproken met [eiser 3] en [eiser 4] over hun toekomstvisie voor het bedrijf en over de ondernemersstructuur. Het gespreksverslag vermeldt daarover het volgende:
“Uw toekomstvisie
(…) [kind] wordt op 16 juli 2021 achttien jaar oud. Jullie willen vanaf dat moment de kinderen de mogelijkheid geven toe te treden tot het geitenbedrijf. Als de kinderen geen interesse hebben het geitenbedrijf verder te exploiteren, overwegen jullie in 2026/2027 te stoppen en het geitenbedrijf te verkopen aan derden.
(…)
Ondernemersstructuur
We hebben besproken of de huidige ondernemersstructuur optimaal is. Hierbij rekening houdend met de toekomstvisie (…). De volgende redenen zijn er om de ondernemersstructuur te beoordelen:

inzicht in de resultaten:
o
het is wenselijk de structuur te vereenvoudigen, zodat meer/eenvoudiger inzicht in de tussentijdse resultaten ontstaat, bijvoorbeeld via Mijn ABAB.

aansprakelijkheid:
(…)

fiscaliteit:
o
[eiser 3] benut over 2018 volledig zijn Vamil . Voor [eiser 4] is dat over twee jaar. De belastingdruk neemt dan toe.

meststoffenwet:
o
als het geen grote financiële voordelen oplevert, is het wenselijk de exploitatie van de grond en geiten in een onderneming te houden. Het is niet praktisch de geitenmest die op jullie eigen land wordt gebruikt, te moeten bemonsteren.
[naam 1] brengt in beeld (…) hoe hoog de belastingdruk wordt in de huidige ondernemersvorm, nadat de Vamil volledig benut is en hoe hoog deze wordt bij een alternatief. Dit wordt met jullie besproken. Als blijkt dat het zinvol is de ondernemersvorm te wijzigen, is de volgende vraag op welk moment. Na het vertrek van [naam 1] , willen jullie concreet afspreken op welk termijn jullie een inhoudelijke reactie en een indicatie van de kosten kunnen verwachten. Jullie willen dat [naam 1] zelf met alternatieven komt. (…)”
3.5.
[naam 1] heeft een interne aantekening gemaakt van een huisbezoek aan [eiser 3] en [eiser 4] op 28 augustus 2019:
“Voorovereenkomst toegelicht en is ondertekend. [eiser 3] wil al meteen dieper ingaan op inrichting van de structuur en met namen op welke wijze de mkb-schijf VPB optimaal benut kan worden. Hij vermoed dat dit lastig gaat worden. Ik ben zover nog niet, was ook niet het doel van vandaag. (…) Ook beoordelen of splitsing van akkerbouw en geiten in afzonderlijke bv’s problemen oplevert vwb mestwetgeving (dat is eigenlijk al zeker). Zou oprichting van een aparte bv voor opfokken van lammeren dan een optie zijn? Komen we dus op terug.
Als e.e.a. duidelijk is zal ik een opdrachtbevestiging maken. (…)”
3.6.
Partijen hebben op 8 november 2019 opnieuw gesproken over de herstructurering. In een intern verslag heeft [naam 1] genoteerd:
“Naar aanleiding van eerdere gesprekken met [eiser 3] en [eiser 4] heb ik, op basis van de uitgebrachte concept taxatie, inzichtelijk proberen te maken hoe de resultaten er in een bv-structuur uit zouden komen te zien. Daarbij twee scenario’s:
holding-werkmaatschappij
holding-werkmaatschappij geiten en een werkmaatschappij voor akkerbouw. (…)
Drie bv’s zou eigenlijk de wens van [eiser 3] zijn omdat hij meent daardoor 3x het tariefopstapje [1] mkb van € 200.000,- te kunnen benuten.
Aan de hand van mijn berekeningen (…) inzichtelijk gemaakt dat akkerbouw nooit boven de
€ 200.000,- gaat uitkomen en eerder tot een verlies zal leiden. Dan is een aparte akkerbouw-bv fiscaal niet geweest omdat je dan het verlies niet kunt verrekenen.
(…)
Conclusie is dat we niet voor 3 bv-s gaan. (…)
Suggestie van [naam 2] is of h et een optie is om de akkerbouwgrond er buiten te houden en deze bv in een VOF tussen [eiser 3] en [eiser 4] te exploiteren (verpachting aan de werkmaatschappij). Op die manier zouden we dan een belaste AB-claim op de landbouwgrond kunnen voorkomen. Afgesproken dat ik dit nog nakijken. (…)
Ik heb aangegeven dat ik, nu we eigenlijk weten hoe de structuur er uit komt te zien, de opdrachtbevestiging kunnen gaan opstellen. (…)”
3.7.
[naam 1] heeft zijn bevindingen ten aanzien van de besproken suggestie in een interne notitie weergegeven:
“Tijdens de bespreking van 8 november 2019 is aan de orde geweest om bij de inbreng van de onderneming in de bestaande bv de cultuurgrond er buiten te laten en deze door [eiser 3] en [eiser 4] in de vorm van een vof (of maatschap) te laten verpachten aan de bv. De vraag was of dit een probleem zou gaan opleveren.
Dit levert op 2 fronten een probleem op:
1.
Voor de inkomstenbelasting zou de grond er buiten mogen blijven, echter hij gaat dan de tbs in, dus ook geen winst uit onderneming.
Geen landbouwvrijstelling. [2]
Geen mkb-winstvrijstelling, wel tbs vrijstelling.
2)
Overdrachtsbelasting. Bij inbreng in de bv wordt geëist dat de gehele onderneming wordt ingebracht. Het er buiten laten van deze grond brengt de vrijstelling dus in gevaar.
Nog even gekeken naar de landbouwvrijstelling ingeval van verpachting van de holding aan de werkmaatschappij. Ook in die situatie is de landbouwvrijstelling op de cultuurgrond en ondergrond niet van toepassing. Dit lossen we in de praktijk op door het aangaan van den fiscale eenheid vpb, dat willen we hier nu net niet vanwege het tariefopstapje. (…)”
3.8.
[naam 1] heeft interne aantekeningen gemaakt van een telefoongesprek tussen hem en [eiser 3] van 26 november 2019:
“Ik zou [eiser 3] nog laten weten of het bij de inbreng mogelijk was om de cultuurgrond buiten de inbreng te houden. Dat is niet mogelijk, althans niet zonder dat er t.a.v. het geheel de vrijstelling overdrachtsbelasting niet kan worden toegepast. Dan is [eiser 3] er al wel uit.
Ook t.a.v. de IB kan op deze manier het probleem t.a.v. de landbouwvrijstelling niet worden opgelost. (…)
Ook in de structuur met 2 bv's kan door de verpachting aan de holding de landbouwvrijstelling niet worden toegepast. In de praktijk lossen we dit normaal gesproken op met een f.e. vpb, maar dat willen we hier nu juist niet. [eiser 3] begrijpt dit. (…)”
3.9.
In de ondertekende opdrachtbevestiging van 28 november 2019 is het volgende kader van de opdracht geschetst:
“U exploiteert samen met [eiser 1] B.V. een geitenbedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma, [V.O.F.] De onroerende zaken, die bestaan uit de bedrijfsgebouwen met ondergrond, worden door u beiden in gebruik en genot ter beschikking gesteld aan de vof en vormen buitenvennootschappelijk vermogen.
Gelet op de beperking van de aansprakelijkheid, de vereenvoudiging van de structuur, toekomstige te verwachten resultaten en de belastingdruk, heeft u besloten tot een herstructurering van de onderneming. (…)
Er is gekozen voor een holding-werkmaatschappij structuur. In de bestaande [eiser 1] B.V. (holding) worden het onroerend goed en de financiering opgenomen. Daarnaast wordt door [eiser 1] B.V. een dochter-bv opgericht waarin de daadwerkelijke exploitatie plaatsvindt. (…)”
3.10.
In de opdrachtbevestiging worden de algemene voorwaarden van ABAB Groep van toepassing verklaard.
3.11.
In deze algemene voorwaarden is in artikel L een regeling over klachten opgenomen. Het artikel, met de titel “Klachten”, bepaalt samengevat dat klachten met betrekking tot de verrichte werkzaamheden en/of het daarmee samenhangende gefactureerde bedrag binnen 30 dagen schriftelijk aan ABAB kenbaar moeten worden gemaakt.
3.12.
In artikel O van de algemene voorwaarden is onder de titel “Vervaltermijn” het volgende bepaald:
“Voor zover in deze algemene voorwaarden niet anders is bepaald, vervallen vorderingsrechten en andere bevoegdheden van Opdrachtgever uit welken hoofde ook jegens Opdrachtnemer in verband met het verrichten van Werkzaamheden door Opdrachtnemer, in ieder geval na één jaar na het moment waarop Opdrachtgever bekend werd of redelijkerwijs bekend kon zijn met het bestaan van deze rechten en bevoegdheden. Deze termijn betreft niet de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de daartoe aangewezen instantie(s) voor de klachtbehandeling en/of de Raad voor Geschillen.”
3.13.
De herstructurering is op 23 december 2019 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 doorgevoerd.
3.14.
[eisers] hebben in 2020 een stuk grond verkocht. In het door ABAB opgestelde fiscaal verslag VPB 2020 en het financieel verslag 2020 is de landbouwvrijstelling geclaimd over de vermogenswinst uit die verkoop.
3.15.
Op 20 juni 2023 meldt [eiser 3] zich naar aanleiding van een adviesgesprek met een fiscalist van Optimus per e-mail bij ABAB met het verzoek om uitsluitsel te geven over het van toepassing zijn van de landbouwvrijstelling:
“(…) Hierbij kwam de prangende vraag naar boven of er nog wel landbouwvrijstelling zit op de landbouwgrond. [eiser 2] en [eiser 1] Bv zijn voor de vpb geen fiscale eenheid en er is een pachtovereenkomst tussen die twee bv's. Hierdoor ontstaat bij ons de onduidelijkheid of die vrijstelling er nog wel is.
Dit zou een serieus groot probleem zijn: +/- 47 ha grond x € 35.000 waarde stijging zou betekenen dat er al een belaste winst is opgebouwd van € 1.650.000.
Dat kan nooit de bedoeling geweest zijn van onze bedrijfsstructuur. (…)”
3.16.
Naar aanleiding van deze e-mail hebben partijen meerdere gesprekken met elkaar gevoerd.
3.17.
[eisers] hebben de melkgeitenhouderij met bedrijfswoning en cultuurgronden op 17 juli 2023 verkocht. Partijen bij de koopovereenkomst zijn op 24 november 2023 een allonge overeengekomen. Partijen zijn voor ondergrond en erf van 1.93.85 hectare een koopsom van € 350.000,00 overeengekomen. Voor cultuurgrond van 18.43.90 hectare zijn partijen een koopsom van € 2.046.800,00 overeengekomen.
3.18.
[eisers] hebben ABAB bij brief van 22 maart 2024 aansprakelijk gesteld. [eisers] voeren samengevat aan niet goed te zijn geadviseerd, niet te zijn gewaarschuwd voor fiscale consequenties van de gekozen structuur en niet te zijn gewezen op alternatieve oplossingen die fiscaal aantrekkelijker waren. [eisers] hebben bij de aansprakelijkstelling een indicatieve schadeopstelling gevoegd. De totale schade is daarin door [eisers] begroot op € 480.603,00. Daarnaast maken [eisers] in de brief aanspraak op vergoeding van gemaakte kosten tot een totaalbedrag van € 4.119,70 exclusief btw. [eisers] hebben ABAB verzocht aansprakelijkheid te erkennen en melding te doen bij de aansprakelijkheidsverzekeraar.
3.19.
ABAB heeft aansprakelijkheid bij brief van haar advocaat van 24 juni 2024 van de hand gewezen.
3.20.
Partijen zijn onderling niet tot een oplossing gekomen.
3.21.
[eiser 2] B.V. en [eiser 1] B.V. vormen sinds 1 januari 2024 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

4.Het geschil

4.1.
[eisers] vorderen na eisvermindering – samengevat – dat de rechtbank ABAB hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding van € 353.059,00 en een bedrag van € 4.119,70 exclusief btw aan kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling. [eisers] vorderen tot slot een proceskostenveroordeling van ABAB, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[eisers] vorderen dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. Dat betekent dat zij het vonnis ook direct ten uitvoer willen kunnen leggen als ABAB in hoger beroep gaat tegen het vonnis.
4.3.
ABAB voert verweer. ABAB vindt dat de vorderingen van [eisers] moeten worden afgewezen, met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
4.4.
De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling van de vorderingen in op de standpunten die partijen in het kader van de onderbouwing daarvan en het verweer daartegen hebben ingenomen.
5. De beoordeling
Vooraf: procespartijen
5.1.
[eisers] hebben er om pragmatische redenen voor gekozen om de beide ABAB vennootschappen te dagvaarden, nu het onderscheid tussen de verschillende vennootschappen in de praktijk niet altijd duidelijk was en zij willen voorkomen dat de vennootschappen naar elkaar kunnen wijzen. Ook hebben [eisers] er voor gekozen om gezamenlijk als eisende partijen op te treden, om te vermijden dat er in de procedure een debat gevoerd moet worden over de vraag welke partij op welk moment welke schade geleden heeft.
5.2.
ABAB heeft in haar conclusie van antwoord geen verweer gevoerd op het punt van de gekozen procespartijen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ABAB desgevraagd bevestigd dat het geen discussiepunt is dat er twee gedaagde partijen zijn. Een eventuele toewijzing van de vorderingen van [eisers] wordt tussen de vennootschappen onderling opgelost, aldus ABAB.
5.3.
Bij deze stand van zaken zal de rechtbank ook geen onderscheid maken en in dit vonnis uitgaan van [eisers] en ABAB.
Artikel O van de algemene voorwaarden: vervaltermijn
5.4.
Deze procedure gaat inhoudelijk over de vraag of ABAB een beroepsfout kan worden verweten en daarom aansprakelijk is voor vergoeding van de schade die van die fout het gevolg is. ABAB verweert zich in de eerste plaats met een beroep op de vervaltermijn zoals opgenomen in artikel O van de algemene voorwaarden. Zij stelt dat het vermeende vorderingsrecht van [eisers] is vervallen, zodat de vorderingen alleen al op die grond moeten worden afgewezen. Indien het verweer van ABAB slaagt, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van het inhoudelijke geschil over de aansprakelijkheid. De rechtbank beoordeelt daarom eerst het beroep van ABAB op de contractuele vervaltermijn.
5.5.
Uitgangspunt bij die beoordeling is dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Beide partijen gaan daar van uit. [eisers] betwisten niet dat het in artikel O opgenomen beding over de vervaltermijn deel uitmaakt van de overeenkomst tussen partijen. Zij betwisten op verschillende juridische gronden wel dat ABAB met succes een beroep kan doen op het beding.
Uitleg van het beding
Standpunten van partijen
5.6.
In de eerste plaats twisten partijen over de uitleg van het beding.
5.7.
Volgens ABAB volgt uit de tekst van artikel O dat vorderingsrechten vervallen, tenzij de opdrachtgever binnen een jaar nadat hij bekend werd of redelijkerwijs bekend kon zijn met zijn vorderingsrechten een procedure aanhangig maakt. Een dergelijk beding is zeer gangbaar in algemene voorwaarden in de professionele adviesbranche en brengt mee dat de opdrachtgever genoodzaakt is om binnen de termijn daadwerkelijk een rechtsvordering in te stellen. Dat het beding in deze betekenis gangbaar is in de branche, is een relevant gezichtspunt bij de uitleg. Uit de letterlijke tekst kan ook niets anders worden afgeleid, nu vorderingsrechten uitsluitend door het instellen van een rechtsvordering te gelde kunnen worden gemaakt. Niet alleen uit de tekst van artikel O, maar ook uit de tekst van de algemene voorwaarden als geheel volgt dat artikel O niet ziet op buitengerechtelijke klachten. De klachtplicht is namelijk als een afzonderlijke bepaling opgenomen in de algemene voorwaarden (artikel L). De uitleg dat artikel O zou zien op de klachtplicht is onaannemelijk, omdat het artikel dan compleet overbodig zou zijn ten opzichte van artikel L. De ratio achter artikel O is dat ABAB zekerheid wil hebben over de vraag of zij een vordering kan verwachten van een opdrachtgever en daar niet na langere tijd alsnog mee geconfronteerd kan worden, aldus ABAB.
5.8.
[eisers] menen dat artikel O zo moet worden uitgelegd dat voldoende is om aanspraken binnen één jaar na ontdekking te melden door middel van een aansprakelijkstelling. In de bepaling staat niet dat voor een bepaald moment gedagvaard moet worden. Ook kan de bepaling redelijkerwijs niet als zodanig worden opgevat. De bepaling moet als een zuivere klachttermijn worden uitgelegd en niet als een vervaltermijn. Dat sprake is van een klachttermijn blijkt ook uit de tweede zin van de bepaling, waarin expliciet wordt gesproken over een klacht. [eisers] doen een beroep op de contra proferentem gedachte die maakt dat onduidelijke bedingen in het voordeel van de wederpartij (niet-gebruiker) moeten worden uitgelegd. Juist vanwege het vergaande gevolg van een vervalbepaling mogen hoge eisen worden gesteld aan de duidelijkheid van het beding. Die duidelijkheid geeft het beding niet, terwijl ABAB daar eenvoudig voor had kunnen zorgen. ABAB had in artikel O expliciet kunnen toevoegen dat het starten van een gerechtelijke procedure de enige manier was om verval van vorderingsrechten te voorkomen. Dat zij dat niet heeft gedaan en onduidelijkheid heeft laten ontstaan moet voor rekening van ABAB komen, aldus [eisers]
Het oordeel van de rechtbank
5.9.
Voor uitleg van een afspraak die twee partijen met elkaar hebben gemaakt geldt de welbekende Haviltex maatstaf. Partijen gaan daar in hun processtukken ook van uit. Deze maatstaf houdt in dat de rechtbank moet kijken naar hoe beide partijen de bepaling mochten begrijpen. Ook is van belang wat partijen in redelijkheid van elkaar mochten verwachten. Het gaat hier om een zogenaamde genuanceerde uitlegmethode, waarbij grote waarde wordt toegekend aan de letterlijke tekst, maar ook andere omstandigheden kunnen een rol spelen. In deze zaak betekent dat het volgende.
5.10.
Nergens in artikel O staat dat het starten van een gerechtelijke procedure nodig is om verval van vorderingsrechten te voorkomen. Er staat enkel dat vorderingsrechten vervallen binnen een termijn van een jaar na – kort gezegd – bekendheid met die rechten. Ook elders in de algemene voorwaarden wordt niet gesproken over het vereiste van het starten van een procedure.
5.11.
Nu nergens letterlijk staat dat het starten van een procedure nodig is om verval van vorderingsrechten te voorkomen, is van belang of [eisers] de bepaling desalniettemin wel zo hebben moeten begrijpen. Volgens ABAB is dat het geval, nu uit de letterlijke tekst van het beding niets anders kan worden afgeleid dan dat het verval van een vorderingsrecht uitsluitend voorkomen kan worden door het instellen van een civiele rechtsvordering. De rechtbank volgt ABAB hierin niet. Dat veronderstelt dat in dit geval [eisers] beschikken over de juridische kennis om het verschil te begrijpen tussen het begrip “vorderingsrecht” (een vorderingsrecht betreft de verbintenis zelf, het (vermogens)recht, de aanspraak van de schuldeiser, dus het materiële recht, bijvoorbeeld een recht op herstel of betaling) en het begrip “rechtsvordering” (met rechtsvordering wordt aangeduid de actie die aan een vorderingsrecht is verbonden en waarmee de schuldeiser zijn materiële aanspraak kan effectueren, het recht om de schuldenaar in rechte aan te spreken). [3] ABAB mocht er gelet op de jarenlange (advies)relatie tussen partijen en de aard van het bedrijf van [eisers] niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat die juridische kennis aanwezig was. Bovendien gaan de begrippen vorderingsrecht en rechtsvordering niet altijd hand in hand, zoals een jurist wordt verondersteld te weten, maar een leek niet.
5.12.
Ook uit het feit dat er een apart artikel is die het onderwerp “klachten” regelt (artikel L) volgt niet dat [eisers] artikel O wel zo moesten begrijpen dat het starten van een procedure noodzakelijk was om verval van vorderingsrechten te voorkomen. Uit het feit dat er een apart artikel L is met de regeling over het kenbaar maken van klachten over de verrichte werkzaamheden of de facturen, kan worden begrepen dat artikel O iets anders beoogt te regelen. Dat dit betekent dat een gerechtelijke procedure moet worden gestart, volgt echter noch uit tekst, noch uit de onderlinge samenhang tussen beide artikelen en evenmin uit de tekst van de algemene voorwaarden als geheel.
5.13.
Wat betreft het doel van artikel O geldt – als dit al kenbaar was voor [eisers] – dat dit niet dwingt tot de door ABAB voorgestane uitleg dat enkel het starten van de procedure verval van vorderingsrechten kan voorkomen. Ook het versturen van een aansprakelijkstelling maakt duidelijk dat een klant meent een vordering op ABAB te hebben en daar werk van wil maken.
5.14.
Tot slot acht de rechtbank van belang dat artikel O is opgenomen in algemene voorwaarden waarover tussen partijen onbetwist niet is onderhandeld of gesproken. Als ABAB buiten twijfel had willen stellen dat enkel het starten van een procedure verval van een vorderingsrecht zou kunnen voorkomen, dan had zij dit simpelweg kunnen opnemen in het beding, net zoals zij in artikel L heeft opgenomen op welke wijze een klacht kenbaar moet worden gemaakt. Dit geldt temeer gezien het verstrekkende gevolg van een geslaagd beroep op de vervaltermijn: een schuldeiser staat met lege handen, ook als hij op inhoud gelijk zou hebben.
5.15.
Op basis van voorgaande omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat artikel O van de algemene voorwaarden zo moet worden uitgelegd dat verval van vorderingsrechten ook kan worden voorkomen door het versturen van een aansprakelijkstelling aan ABAB.
Startdatum van de vervaltermijn
5.16.
Een volgend onderwerp waarover partijen van mening verschillen is de datum waarop de vervaltermijn van een jaar is gestart.
5.17.
ABAB gaat er van uit dat de termijn uiterlijk op 20 juli 2023 is gaan lopen. Op die datum heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen partijen waarbij volgens ABAB aan de orde is gekomen dat de landbouwvrijstelling niet van toepassing was. [eisers] hebben in de e-mail van 20 juni 2023 melding gemaakt van ingewonnen fiscaal advies, waarna zij de vraag over toepasselijkheid van de landbouwvrijstelling hebben gesteld (zie 3.15). ABAB verzoekt de rechtbank om [eisers] met toepassing van artikel 22 Rv Pro te gebieden om het betreffende fiscaal advies van Optimus in het geding te brengen, nu de inhoud van belang is voor het aanvangsmoment van de vervaltermijn.
5.18.
Volgens [eisers] is de termijn op zijn vroegst op 22 maart 2024 gaan lopen. Pas kort voor het versturen van de aansprakelijkstelling op die datum hadden zij een advocaat geraadpleegd en wisten zij welke partijen zij aansprakelijk moesten stellen, aldus [eisers]
5.19.
Wie gelijk heeft op dit punt, kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Ook als wordt uitgegaan van de vroegste datum van 20 juli 2023 zoals ABAB stelt, geldt dat de aansprakelijkstelling van 22 maart 2024 binnen een jaar is ontvangen door ABAB. Tijdens de mondelinge behandeling is door de rechtbank aan de orde gesteld dat uit de in het geding gebrachte gespecificeerde facturen van Optimus (productie 9 bij dagvaarding) blijkt dat de eerste werkzaamheden voor [eisers] op 20 juni 2023 zijn uitgevoerd. ABAB heeft niet weersproken dat dit uit de facturen volgt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om [eisers] te bevelen het betreffende advies in het geding te brengen, nu dit voor de aanvangsdatum van de vervaltermijn geen verschil kan uitmaken.
5.20.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep van ABAB op de vervaltermijn faalt. De overige argumenten die [eisers] hebben aangevoerd tegen toepassing van de vervaltermijn kunnen buiten beschouwing blijven. De rechtbank komt toe aan een beoordeling van de aansprakelijkheid van ABAB.
Aansprakelijkheid vanwege een beroepsfout
Standpunten van partijen
5.21.
[eisers] voeren aan dat zij ABAB hebben gevraagd hen te adviseren over een nieuwe bedrijfsstructuur. De bestaande structuur was onoverzichtelijk. Ook wilden [eisers] verlaging van de belastingdruk. De opdracht aan ABAB was daarmee ruim, zoals ook blijkt uit de opdrachtbevestiging. [eisers] vertrouwden op de expertise van ABAB. ABAB heeft de huidige structuur geadviseerd, waarin sprake is van een vennootschapsstructuur van een holdingmaatschappij en een werkmaatschappij. In deze structuur kan twee keer gebruik worden gemaakt van het tariefopstapje voor de vennootschapsbelasting. ABAB heeft geadviseerd om de landbouwgrond vanuit de holding te verpachten aan de werkmaatschappij. Er is een scheiding aangebracht tussen de eigendom en het gebruik van de grond. Het gevolg van deze geadviseerde en doorgevoerde herstructurering is dat op de waardeontwikkeling van de grond niet langer de landbouwvrijstelling van toepassing is. ABAB heeft [eisers] nooit gewezen op het verloren gaan van de landbouwvrijstelling. Uit het feit dat ABAB in het financiële verslag en het fiscaal verslag van [eiser 2] B.V. over 2020 de landbouwvrijstelling claimt over de verkoop van grond, blijkt dat ABAB zich geheel niet bewust was van het feit dat de landbouwvrijstelling door de herstructurering verloren was gegaan. Er is niet gewaarschuwd voor de fiscale consequenties en ABAB heeft niet gewezen op alternatieve oplossingen die fiscaal aantrekkelijker waren. ABAB heeft verzuimd om de diverse scenario’s goed door te spreken en de fiscale consequenties van de opties die destijds voorlagen door te rekenen. Als gevolg daarvan hebben [eisers] geen weloverwogen keuze kunnen maken. ABAB had [eisers] in alle gevallen moeten adviseren om de landbouwvrijstelling te behouden. Bovendien is naar aanleiding van een advies van Optimus gebleken dat er een structuur mogelijk is waarin zowel het tweede tariefopstapje als de landbouwvrijstelling van toepassing zijn. Dit alternatieve scenario, waarbij de exploitatie van de akkerbouw in [eiser 2] B.V. en de exploitatie van de geiten in [eiser 1] B.V. zijn ondergebracht, heeft ABAB ten onrechte niet voorgehouden aan [eisers] Ook heeft ABAB nagelaten om in verband met de herstructurering een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting aan te vragen. Daarmee had het verlies van de landbouwvrijstelling beperkt kunnen worden tot het moment dat de fiscale eenheid zou zijn ingegaan. Samenvattend geldt dat ABAB onjuist, onvolledig en daarmee onzorgvuldig heeft geadviseerd in het kader van de herstructurering, aldus [eisers]
5.22.
ABAB betwist een fout te hebben gemaakt. Zij heeft bij de advisering over de structuur uitvoerig stilgestaan bij de mitsen en maren van de verschillende constructies. ABAB heeft [eisers] geïnformeerd over het feit dat de landbouwvrijstelling in de gekozen structuur niet van toepassing zou zijn, en heeft ook toegelicht wat de voor- en nadelen zouden zijn van het aanvragen van een fiscale eenheid. De landbouwvrijstelling is door ABAB in de financiële en fiscale verslagen over 2020 per abuis opgenomen. Er was [eisers] veel aan gelegen om het tariefopstapje optimaal te kunnen benutten. Daar hebben zij specifiek op aangestuurd. Het profijt van het tweede tariefopstapje is zeker en kan ieder jaar, tot het moment waarop de bedrijfsvoering wordt gestaakt, worden genoten; het profijt van de landbouwvrijstelling is daarentegen allerminst zeker en bovendien slechts eenmalig. In het kader van de advisering 2019 is door [eisers] geen blijk gegeven van een concreet voornemen om de gronden al binnen afzienbare termijn te willen verkopen. Bovendien was op het moment van de herstructurering in de verste verte niet te voorzien dat de waarde van de landbouwgrond in korte tijd zodanig zou stijgen dat het benutten van de landbouwvrijstelling gunstiger zou kunnen zijn dan het profijt van het meerjarig gebruik van het tweede tariefopstapje. Het door Optimus in haar advies genoemde alternatieve scenario waarin zowel het tweede tariefopstapje als de landbouwvrijstelling van toepassing zijn was geen optie vanwege de meststoffenwetgeving. [eisers] zouden de mest dan moeten wegen en bemonsteren, iets wat zij absoluut niet wilden. Dit alternatieve scenario is daarom met een goede reden niet besproken, aldus ABAB.
Het oordeel van de rechtbank
5.23.
De opdracht tot het adviseren over en het doorvoeren van een herstructurering heeft een overeenkomst van opdracht tot stand gebracht tussen partijen. Op grond van artikel 7:401 BW Pro rustte op ABAB als opdrachtnemer de verplichting om de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Dat betekent dat ABAB moest handelen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (in dit geval fiscalist) mag worden verwacht. Wat hieronder wordt verstaan, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de opdracht, de positie van de opdrachtnemer en de aard en ernst van de betrokken belangen.
5.24.
ABAB heeft de op haar rustende zorgplicht naar het oordeel van de rechtbank geschonden. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
5.25.
Een herstructurering van een onderneming is geen alledaagse kost voor een ondernemer. Het is een materie die complex is, waarin meerdere aspecten een rol spelen (waaronder fiscale, juridische en administratieve aspecten) en waarin meerdere keuzes moeten worden gemaakt. Dit wordt ook onderstreept door de lange lijst van werkzaamheden die in de opdrachtbevestiging is opgesomd om de nieuwe geadviseerde structuur door te kunnen voeren. De opdracht van [eisers] aan ABAB om hen te adviseren over een nieuwe bedrijfsstructuur is breed geweest. Tijdens de bespreking van 24 januari 2019 (zie 3.4) zijn de redenen om een nieuwe bedrijfsstructuur te onderzoeken besproken en hebben [eisers] gevraagd om alternatieven voor te stellen: “
Jullie willen dat [naam 1] zelf met alternatieven komt.” [eisers] beschikken zelf niet over specialistische fiscale kennis. Dat zij fiscale termen als tariefopstapje, landbouwvrijstelling en VAMIL kennen, en dus zoals ABAB het noemt geen leek op het gebied van belastingen zijn, betekent niet dat [eisers] zodanig fiscaal onderlegd zijn dat zij de gevolgen van een nieuwe bedrijfsstructuur zonder deugdelijke advisering kunnen doorzien. ABAB heeft gelet op de betwisting door [eisers] onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat dat anders zou zijn. Deze omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat een goede invulling van de zorgplicht door ABAB in dit geval inhield dat zij [eisers] zodanig gedegen en inzichtelijk moest adviseren dat het maken van een weloverwogen keuze mogelijk werd.
5.26.
Uit het procesdossier blijkt dat de opties voor een nieuwe structuur tijdens een aantal (telefonische) besprekingen aan de orde zijn gekomen. De rechtbank gaat daarbij uit van de gespreksverslagen van de besprekingen van 24 januari 2019 en 8 november 2019, die aan [eisers] zijn toegezonden, maar ook van de interne aantekeningen en notities van [naam 1] (producties 6, 8 en 9 conclusie van antwoord, zie 3.5, 3.7 en 3.8). [eisers] hebben tijdens de mondelinge behandeling de inhoud en authenticiteit van deze stukken betwist. Zij voeren aan dat deze notities ‘
evenzogoed later zijn opgesteld met het doel om de standpunten van ABAB in de procedure kracht bij te zetten.’ De rechtbank gaat aan deze betwisting voorbij. [eisers] hebben niet aangegeven op welke punten de interne stukken onjuist zouden zijn. Bovendien constateert de rechtbank dat de inhoud van de interne stukken ook aansluit bij de stukken die wel gedeeld zijn (de inhoud van de eigen aantekeningen van [naam 1] van 8 november 2019 sluit bijvoorbeeld aan bij de inhoud van het gedeelde gespreksverslag van die datum).
5.27.
Uit het procesdossier en de toelichting van partijen tijdens de mondelinge behandeling volgt dat ABAB, meer specifiek [naam 1] , meerdere mogelijke structuren aan de orde heeft gesteld. Er is naast de uiteindelijk gekozen structuur bijvoorbeeld ook gesproken over een structuur met drie bv’s, en over het eventueel afscheiden van de opfokgeiten van de melkgeiten. Er is gesproken over het tariefopstapje en het voordeel van een structuur met twee bv’s in dat verband (twee keer benutten van het tariefopstapje). Er is ook gesproken over de landbouwvrijstelling, zo blijkt bijvoorbeeld expliciet uit het gespreksverslag van 8 november 2019. Specifiek is de vraag naar de toepasselijkheid van de landbouwvrijstelling aan de orde gekomen bij verpachting aan een bv. Uit de interne notitie van [naam 1] van 12 november 2019 blijkt dat hij deze vraag negatief beantwoordde: de landbouwvrijstelling was in dat scenario niet van toepassing. Gelet op dit bewustzijn bij in ieder geval [naam 1] , gaat de rechtbank ervan uit dat het claimen van de landbouwvrijstelling in de stukken over 2020 inderdaad, zoals ABAB stelt, berust op een vergissing, en niet reeds zoals [eisers] stellen de beroepsfout bevestigt.
5.28.
De rechtbank stelt dus vast dat er over verschillende scenario’s en fiscale implicaties is gesproken. Wat echter niet is gebeurd, zo heeft [naam 1] ook tijdens de mondelinge behandeling erkend, is dat de verschillende scenario’s voor [eisers] zijn doorgerekend. Ook is er geen schriftelijk advies verstrekt aan [eisers] waarin de verschillende scenario’s zijn uitgewerkt in die zin dat de fiscale voor- en nadelen van elk scenario met cijfers inzichtelijk zijn gemaakt.
5.29.
Volgens de eigen stelling van ABAB (zie 3.8) is het onderwerp van het verval van de landbouwvrijstelling in de uiteindelijk gekozen structuur telefonisch met [eiser 3] besproken: “
Ook in de structuur met 2 bv’s kan door de verpachting aan de holding de landbouwvrijstelling niet worden toegepast. In de praktijk lossen we dit normaal gesproken op met een f.e. vpb, maar dat willen we hier nu juist niet. [eiser 3] begrijpt dit.” [naam 1] heeft in dat kader aangegeven dat hij zich herinnert dat in het telefoongesprek aan de orde is gekomen of de structuur met twee bv’s zonder fiscale eenheid nog steeds voordelig is als de grondprijs met 1 of 2 kwartjes per m² stijgt, en dat [eiser 3] en hij samen aan de telefoon al pratend tot de conclusie kwamen dat het tweede tariefopstapje in de vennootschapsbelasting nog steeds voordeliger was tegenover het niet kunnen claimen van de landbouwvrijstelling.
5.30.
De rechtbank is van oordeel dat het niet zorgvuldig is om een belangrijk onderwerp, zoals het vervallen van de toepasselijkheid van de landbouwvrijstelling, telefonisch te bespreken met slechts één van de twee vennoten zonder de implicaties daarvan te hebben doorgerekend en inzichtelijk te hebben gemaakt. Dit betreft geen handelen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (in dit geval fiscalist) mag worden verwacht.
5.31.
Ook is het niet voorhouden door ABAB aan [eisers] van het alternatieve scenario zoals Optimus dat aan [eisers] heeft voorgesteld naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig. Vast staat dat dit scenario fiscaal mogelijk was en zou inhouden dat zowel het tweede tariefopstapje als de landbouwvrijstelling van toepassing bleven (dus én, én in plaats van óf, óf). Volgens ABAB was dit alternatief echter geen serieus te overwegen optie vanwege de dan van toepassing zijnde eisen uit de meststoffenwetgeving. Volgens ABAB was het in één onderneming houden van de exploitatie van de akkerbouw en de geiten een absolute voorwaarde voor [eisers] , omdat anders de geitenmest gewogen en bemonsterd moest worden, met alle rompslomp van dien. [eisers] hebben betwist dat de meststoffenwetgeving een dermate grote rol speelde dat dit in de weg stond aan een keuze voor het (niet aan hen voorgehouden) alternatieve scenario. De doorslaggevende rol voor de meststoffenwetgeving zoals ABAB die stelt blijkt ook niet uit de gespreksverslagen. In het verslag van 24 januari 2019 (zie 3.4) is benoemd dat het “
niet praktisch”is om de geitenmest te moeten bemonsteren, en dat het “
wenselijk”is de exploitatie van grond en geiten in één onderneming te houden. Er volgt echter ook uit het verslag dat dit alleen wenselijk is indien een alternatief geen grote financiële voordelen oplevert. Bovendien hebben [eisers] ter zitting onweersproken verklaard dat de geitenmest destijds al werd afgevoerd en dat zij daarom niet begrijpen waarom dit door ABAB als zo’n groot probleem werd gezien. Het behoud van zowel het tweede tariefopstapje als de landbouwvrijstelling had echter wel degelijk mogelijk (ook in 2019 in te schatten) grote financiële implicaties. Zoals hiervoor overwogen, zijn de financiële gevolgen van de verschillende scenario’s ten onrechte niet doorgerekend en voorgehouden, wat ook voor het alternatieve scenario geldt.
5.32.
Samenvattend geldt dat ABAB naar het oordeel van de rechtbank niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen, door [eisers] niet te voorzien van een advies waarin alle – inclusief het alternatieve scenario – mogelijke bedrijfsstructuren zijn uitgewerkt, in die zin dat de fiscale voor- en nadelen van elk scenario onderbouwd met cijfers inzichtelijk zijn gemaakt. Daardoor heeft ABAB [eisers] onvoldoende in de gelegenheid gesteld om een weloverwogen keuze voor een nieuwe bedrijfsstructuur te maken. Dat betekent dat ABAB tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met [eisers] en aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade.
Schade als gevolg van de beroepsfout
Standpunten van partijen
5.33.
[eisers] stellen dat zij voor het alternatieve scenario (zoals voorgesteld door Optimus) zouden hebben gekozen waarin zowel het tweede tariefopstapje als de landbouwvrijstelling van toepassing zijn indien ABAB de beroepsfout niet zou hebben gemaakt. In de huidige structuur hebben zij wel het voordeel van het tweede tariefopstapje gehad, maar niet het voordeel van de landbouwvrijstelling. Het niet kunnen benutten van de landbouwvrijstelling leidt tot een schadebedrag van € 353.059,00. Dit bedrag wordt nader onderbouwd in productie 8 bij de dagvaarding. Daarin wordt berekend welk bedrag aan vennootschapsbelasting verschuldigd is geworden over de in 2023 verkochte grond, die met toepassing van de landbouwvrijstelling niet zou zijn belast. Eenzelfde berekening wordt gemaakt voor de nog in eigendom zijnde grond, waarbij voor het bepalen van de hoogte van de schade gerekend wordt met de verkoopwaarde van de wél verkochte grond.
5.34.
ABAB voert verweer. [eisers] hadden als belangrijkste wens om acute belastingheffing zoveel mogelijk te voorkomen en de liquiditeitspositie van de onderneming te optimaliseren. Ook als ABAB de gevolgen van het niet van toepassing zijn van de landbouwvrijstelling nog uitgebreider zou hebben toegelicht, zouden [eisers] hebben gekozen voor de huidige structuur nu zij perse het voordeel van het tweede tariefopstapje wilden benutten. Er is dan ook geen causaal verband tussen de gestelde fout en de schade. Ook als de rechtbank wel toekomt aan begroting van de schade, geldt dat het gevorderde bedrag niet kan worden toegewezen. Een deel van de gevorderde schade is zuiver toekomstig, omdat de betreffende grond nog niet is verkocht. [eisers] gaan er ten onrechte van uit dat de verkoopwaarde van de nog niet verkochte grond gelijk is aan de verkoopwaarde van de wel verkochte grond. Allereerst geldt dat de schade contant moet worden gemaakt naar het heden. Daarbij moet worden bedacht dat [eisers] er ook voor kunnen kiezen om niet de grond maar de aandelen in de vennootschap te verkopen, met als gevolg dat niet over de stille reserves op de grond hoeft te worden afgerekend en de latente belastingclaim bij de koper nog verder naar de toekomst kan worden geschoven. Het effect van de latente belastingclaim op de koopsom van de aandelen hoeft daarmee niet groot te zijn. In de tweede plaats geldt dat bij de begroting van de toekomstige schade rekening moet worden gehouden met de mogelijk toekomstige versobering of afschaffing van de landbouwvrijstelling. Daar wordt al geruime tijd over gesproken, zodat de kans dat de landbouwvrijstelling niet meer van toepassing is op het moment van verkoop van de grond reëel is. Tot slot geldt dat [eisers] een voordeel hebben genoten in de vorm van het jaarlijks twee keer profiteren van het tariefopstapje, in plaats van één keer. Dit voordeel moet op grond van artikel 6:100 BW Pro in mindering worden gebracht op de schade.
Het oordeel van de rechtbank
5.35.
Voor aansprakelijkheid van ABAB voor de door [eisers] gestelde schade is noodzakelijk dat er een causaal verband bestaat tussen de beroepsfout en de gevorderde schade. Dat betekent dat aannemelijk moet zijn dat [eisers] zonder de beroepsfout de door hen gestelde schade niet zouden hebben geleden. Zowel het causaal verband als de omvang van de schade (met inbegrip van de vraag óf er schade is) wordt vastgesteld door een vergelijking van de werkelijke situatie met de (hypothetische) situatie zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest, indien geen beroepsfout zou zijn gemaakt.
5.36.
De rechtbank acht het waarschijnlijk dat [eisers] , de beroepsfout weggedacht, zouden hebben gekozen voor het alternatieve scenario (zoals geschetst door Optimus) waarin zowel het tweede tariefopstapje als de landbouwvrijstelling van toepassing zouden zijn geweest. De reden dat ABAB dit scenario niet heeft voorgehouden aan [eisers] is gelegen in de gevolgen die dit scenario had op basis van de meststoffenwetgeving. Zoals hiervoor al is overwogen, blijkt de doorslaggevende rol voor de meststoffenwetgeving niet uit de verschillende verslagen en notities en hebben [eisers] dit ook betwist (zie 5.31). Het lijkt erop dat ABAB de doorslaggevende rol voor de meststoffenwetgeving zelf heeft afgeleid uit wat besproken is, zonder dat zij [eisers] adequaat hebben voorgelicht over wat de gevolgen dan precies waren. De rechtbank gaat ervan uit dat [eisers] gelet op het (mogelijk grote) financiële voordeel dat gemoeid was met toepasselijkheid van zowel het tweede tariefopstapje als de landbouwvrijstelling gekozen zouden hebben voor dit scenario, ondanks de implicaties met betrekking tot de mest.
5.37.
In het alternatieve scenario zou de landbouwvrijstelling van toepassing zijn gebleven naast de tariefopstapjes. Dat betekent dat [eisers] de schade als gevolg van het missen van de landbouwvrijstelling niet zouden hebben geleden indien ABAB de beroepsfout niet zou hebben gemaakt. Het jaarlijks twee keer kunnen profiteren van het tariefopstapje is zowel in het alternatieve scenario als het gekozen scenario van toepassing, zodat er geen sprake is van voordeelstoerekening. Het voordeel van het tweede tariefopstapje blijft dan ook buiten de begroting van de omvang van de schade.
Reeds geleden schade
5.38.
[eiser 2] B.V. en [eiser 1] B.V. vormen sinds 1 januari 2024 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De landbouwvrijstelling is daardoor vanaf 1 januari 2024 weer van toepassing over de waardestijging van de grond vanaf dat moment. De waardestijging op de grond die is gerealiseerd in de periode van 1 januari 2019 (de datum waarop de huidige structuur fiscaal gezien is doorgevoerd) en 1 januari 2024 valt niet onder de landbouwvrijstelling.
5.39.
[eisers] hebben met de inbreng van productie 14 en 15 (de koopovereenkomst en de allonge daarop) onderbouwd dat zij vóór 1 januari 2024 grond hebben verkocht tegen de gestelde koopsom (zie 3.17). De waardestijging per hectare “erf en ondergrond gebouwen” bedraagt € 20.552,00 en per hectare “cultuurgrond” € 30.614,00 (het verschil tussen de waarde bij inbreng in de bv in 2019 en de verkoopwaarde). Gelet op de omvang van de verkochte grond leidt dit tot een belaste waardestijging van € 39.840,00 voor het erf en ondergrond (1.93.85 hectare x € 20.552,00) en van € 564.486,00 voor de cultuurgrond (18.43.90 hectare x € 30.614,00). Over deze totale waardestijging van
€ 604.326,00 is een bedrag van € 155.916,11 aan vennootschapsbelasting (25,8%) verschuldigd geworden. Dit bedrag zou niet verschuldigd zijn geworden indien de landbouwvrijstelling van toepassing was gebleven en vormt daarmee schade die het gevolg is van de gemaakte beroepsfout.
Toekomstige schade
5.40.
De overige gestelde schade betreft toekomstige schade. De overige grond is immers nog niet verkocht en de schade als gevolg van het missen van de landbouwvrijstelling doet zich pas voelen bij verkoop van de grond. [eisers] gaan in hun berekening van de toekomstige schade uit van een oppervlak aan grond van 26.08.65 hectare dat nog in hun bezit is. Daarin is grond die [eisers] na de structuurwijziging hebben aangekocht ook meegenomen. Nu ABAB tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat het ook in 2019 al in de lijn der verwachting lag dat er door [eisers] extra grond zou worden aangekocht, is de rechtbank van oordeel dat de gehele omvang van het grondbezit dient te worden meegenomen in de bepaling van de hoogte van de toekomstige schade.
5.41.
[eisers] begroten de toekomstige schade over dit grondoppervlak op een bedrag van € 197.143,22. Voor het bepalen van de waardestijging per hectare zijn [eisers] uitgegaan van het verschil tussen de koopprijs van de grond en de verkoopwaarde die gerealiseerd is bij de verkoop van de andere cultuurgrond in 2023. Deze vergelijking leidt tot een totale belaste waardestijging van € 764.121,00 die vanwege het missen van de landbouwvrijstelling tegen een tarief van 25,8% belast is. Dat levert het gestelde schadebedrag van € 197.143,22 op.
5.42.
De verweren die ABAB daartegen aanvoert zijn echter reëel. Het is inderdaad bij de wetgever onderwerp van gesprek om de landbouwvrijstelling aan te passen of af te schaffen. Het is een mogelijkheid dat de landbouwvrijstelling niet meer (in de huidige vorm) geldt op het moment dat het tot een verkoop van de resterende grond komt. Waar dat toe leidt en hoe het overgangsrecht er uit zal komen te zien op het moment dat het inderdaad tot afschaffing komt, is op dit moment onzeker. Het moment van verkoop van de grond en de dan geldende inflatie is onzeker, en ook de waardeontwikkeling van de grond is onzeker. Gelet op de ontwikkelingen van de grondprijs over de afgelopen jaren is het wel aannemelijk dat eerder een stijging dan een daling valt te voorzien. Of het uiteindelijk tot een verkoop van de grond komt of tot een aandelentransactie zal ook van invloed zijn op de hoogte van de toekomstige schade. Een koper van de aandelen kan op het oog hebben de grond lang uit te baten, waarmee de latente belastingclaim wellicht geen grote rol (maar naar verwachting wel een rol) speelt bij het bepalen van de koopsom. Tot slot is een factor van belang de bestemming van de grond; mocht het tot een wijziging daarvan komen, dan zal de schade er ook anders uitzien.
5.43.
Al deze onzekere factoren zouden er toe kunnen leiden dat de toekomstige schade nihil is, of zoals [eisers] voorrekenen bijna 2 ton zal bedragen, en alles er tussenin. Artikel 6:105 BW Pro bepaalt dat de rechtbank de schade kan begroten door een afweging van goede en kwade kansen. Deze goede en kwade kansen zijn hiervoor geschetst. De afweging daarvan leidt ertoe dat de rechtbank de toekomstige schade op een bedrag van € 50.000,00 begroot.
5.44.
Dit betekent dat de rechtbank ABAB zal veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 205.916,11 (€ 155.916,11 aan reeds geleden schade en € 50.000,00 aan toekomstige schade).
Kosten voor vaststelling van de schade
5.45.
[eisers] vorderen op grond van artikel 6:96 BW Pro een bedrag van € 4.119,70 exclusief btw aan kosten ter vaststelling van de omvang van de schade. [eisers] hebben de vordering onderbouwd met facturen, die tijdens de mondelinge behandeling nog zijn toegelicht. ABAB heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering. De vordering is daarom toewijsbaar.
Hoofdelijkheid en wettelijke rente
5.46.
De veroordeling tot vergoeding van schade en kosten wordt zoals gevorderd hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat beide ABAB vennootschappen kunnen worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5.47.
[eisers] hebben de wettelijke rente over beide schadebedragen gevorderd vanaf de dag van dagvaarding. Deze vordering is toewijsbaar.
Proceskosten
5.48.
ABAB is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
125,30
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
3.858,00
(2 punten × € 1.929,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.022,30
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt ABAB hoofdelijk tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 205.916,11, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt ABAB hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 4.119,70 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 januari 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt ABAB in de proceskosten van € 11.022,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als ABAB niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt ABAB tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Sterk, mr. Den Braber-Riemens en mr. Vogelzang en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.Toelichting rechtbank: het tariefopstapje voor de vennootschapsbelasting houdt in dat over het eerste deel van de belastbare winst van een vennootschap een lager percentage aan vennootschapsbelasting verschuldigd wordt.
2.Toelichting rechtbank: de landbouwvrijstelling houdt kort gezegd in dat de waardestijging van landbouwgronden die worden gebruikt in het eigen landbouwbedrijf niet wordt belast in de vennootschapsbelasting.
3.Contractuele vervaltermijnen, mr. Rutten, Maandblad voor Vermogensrecht 2015, nummer 6.