Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[eiser 1] B.V.,
2.
[eiser 2] B.V.,
3.
[eiser 3],
4.
[eiser 4],
1.AAFF BELASTINGADVIES B.V.(voorheen ABAB BELASTINGADVISEURS B.V.),
2.
AAFF ACCOUNTANCY EN ADVIES B.V.(voorheen ABAB ACCOUNTANTS B.V.),
1.De zaak in het kort
2.Het verloop van de procedure
3.De feiten
inzicht in de resultaten:
het is wenselijk de structuur te vereenvoudigen, zodat meer/eenvoudiger inzicht in de tussentijdse resultaten ontstaat, bijvoorbeeld via Mijn ABAB.
aansprakelijkheid:
fiscaliteit:
[eiser 3] benut over 2018 volledig zijn Vamil . Voor [eiser 4] is dat over twee jaar. De belastingdruk neemt dan toe.
meststoffenwet:
als het geen grote financiële voordelen oplevert, is het wenselijk de exploitatie van de grond en geiten in een onderneming te houden. Het is niet praktisch de geitenmest die op jullie eigen land wordt gebruikt, te moeten bemonsteren.
Voor de inkomstenbelasting zou de grond er buiten mogen blijven, echter hij gaat dan de tbs in, dus ook geen winst uit onderneming.
Overdrachtsbelasting. Bij inbreng in de bv wordt geëist dat de gehele onderneming wordt ingebracht. Het er buiten laten van deze grond brengt de vrijstelling dus in gevaar.
4.Het geschil
Jullie willen dat [naam 1] zelf met alternatieven komt.” [eisers] beschikken zelf niet over specialistische fiscale kennis. Dat zij fiscale termen als tariefopstapje, landbouwvrijstelling en VAMIL kennen, en dus zoals ABAB het noemt geen leek op het gebied van belastingen zijn, betekent niet dat [eisers] zodanig fiscaal onderlegd zijn dat zij de gevolgen van een nieuwe bedrijfsstructuur zonder deugdelijke advisering kunnen doorzien. ABAB heeft gelet op de betwisting door [eisers] onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat dat anders zou zijn. Deze omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat een goede invulling van de zorgplicht door ABAB in dit geval inhield dat zij [eisers] zodanig gedegen en inzichtelijk moest adviseren dat het maken van een weloverwogen keuze mogelijk werd.
evenzogoed later zijn opgesteld met het doel om de standpunten van ABAB in de procedure kracht bij te zetten.’ De rechtbank gaat aan deze betwisting voorbij. [eisers] hebben niet aangegeven op welke punten de interne stukken onjuist zouden zijn. Bovendien constateert de rechtbank dat de inhoud van de interne stukken ook aansluit bij de stukken die wel gedeeld zijn (de inhoud van de eigen aantekeningen van [naam 1] van 8 november 2019 sluit bijvoorbeeld aan bij de inhoud van het gedeelde gespreksverslag van die datum).
Ook in de structuur met 2 bv’s kan door de verpachting aan de holding de landbouwvrijstelling niet worden toegepast. In de praktijk lossen we dit normaal gesproken op met een f.e. vpb, maar dat willen we hier nu juist niet. [eiser 3] begrijpt dit.” [naam 1] heeft in dat kader aangegeven dat hij zich herinnert dat in het telefoongesprek aan de orde is gekomen of de structuur met twee bv’s zonder fiscale eenheid nog steeds voordelig is als de grondprijs met 1 of 2 kwartjes per m² stijgt, en dat [eiser 3] en hij samen aan de telefoon al pratend tot de conclusie kwamen dat het tweede tariefopstapje in de vennootschapsbelasting nog steeds voordeliger was tegenover het niet kunnen claimen van de landbouwvrijstelling.
niet praktisch”is om de geitenmest te moeten bemonsteren, en dat het “
wenselijk”is de exploitatie van grond en geiten in één onderneming te houden. Er volgt echter ook uit het verslag dat dit alleen wenselijk is indien een alternatief geen grote financiële voordelen oplevert. Bovendien hebben [eisers] ter zitting onweersproken verklaard dat de geitenmest destijds al werd afgevoerd en dat zij daarom niet begrijpen waarom dit door ABAB als zo’n groot probleem werd gezien. Het behoud van zowel het tweede tariefopstapje als de landbouwvrijstelling had echter wel degelijk mogelijk (ook in 2019 in te schatten) grote financiële implicaties. Zoals hiervoor overwogen, zijn de financiële gevolgen van de verschillende scenario’s ten onrechte niet doorgerekend en voorgehouden, wat ook voor het alternatieve scenario geldt.
€ 604.326,00 is een bedrag van € 155.916,11 aan vennootschapsbelasting (25,8%) verschuldigd geworden. Dit bedrag zou niet verschuldigd zijn geworden indien de landbouwvrijstelling van toepassing was gebleven en vormt daarmee schade die het gevolg is van de gemaakte beroepsfout.