Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2665

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
24/854
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen WOZ-waarde na verlaging door heffingsambtenaar

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €263.000. De heffingsambtenaar legde op basis hiervan ook de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2023 op. Tijdens de beroepsfase verlaagde de heffingsambtenaar de WOZ-waarde naar €201.000 en stuurde een verminderingsbiljet aan belanghebbende.

Belanghebbende verscheen niet op de zitting, ondanks correcte uitnodiging. De rechtbank oordeelde dat door de verlaging van de WOZ-waarde het procesbelang van belanghebbende was komen te vervallen, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank beoordeelde de zaak daarom niet inhoudelijk.

Wel bepaalde de rechtbank dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van €51 aan belanghebbende moet vergoeden, omdat de verlaging pas in de beroepsfase plaatsvond. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Ponds en griffier S. Panah.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het vervallen procesbelang na verlaging van de waarde door de heffingsambtenaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/854

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,

en

De heffingsambtenaar van de gemeente Baarle-Nassau, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 december 2023.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak op het [adres] te [plaats 2] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 263.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Baarle-Nassau voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de heffingsambtenaar: [naam 1] en [naam 2] deelgenomen.
1.4.
Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. De griffier heeft op 29 januari 2026 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 29 januari 2026 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning.
2.1.
Gedurende de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning verlaagd tot een bedrag van € 201.000. De heffingsambtenaar heeft hiervan op 8 oktober 2024 een verminderingsbiljet verzonden.

Beoordeling door de rechtbank

3. In geschil is de vastgestelde waarde van de woning van belanghebbende. Belanghebbende heeft in beroep aangevoerd dat de waarde te hoog is vastgesteld en heeft verzocht de waarde van de woning te verlagen tot een bedrag van € 210.000. De heffingsambtenaar heeft gedurende de beroepsfase alsnog de WOZ-waarde verminderd en vastgesteld op € 201.000. Daarmee is aan het bezwaar van belanghebbende tegemoetgekomen.
3.1.
Het voorgaande brengt met zich mee dat belanghebbende geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
3.2.
Aangezien de heffingsambtenaar pas in de beroepsfase aan belanghebbende is tegemoetgekomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om te bepalen dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard hierover contact op te zullen nemen met belanghebbende.
3.3.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. De heffingsambtenaar moet wel het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).