ECLI:NL:RBZWB:2026:2665
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen WOZ-waarde na verlaging door heffingsambtenaar
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €263.000. De heffingsambtenaar legde op basis hiervan ook de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2023 op. Tijdens de beroepsfase verlaagde de heffingsambtenaar de WOZ-waarde naar €201.000 en stuurde een verminderingsbiljet aan belanghebbende.
Belanghebbende verscheen niet op de zitting, ondanks correcte uitnodiging. De rechtbank oordeelde dat door de verlaging van de WOZ-waarde het procesbelang van belanghebbende was komen te vervallen, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank beoordeelde de zaak daarom niet inhoudelijk.
Wel bepaalde de rechtbank dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht van €51 aan belanghebbende moet vergoeden, omdat de verlaging pas in de beroepsfase plaatsvond. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Ponds en griffier S. Panah.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het vervallen procesbelang na verlaging van de waarde door de heffingsambtenaar.