Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2666

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/3227
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:11 WajongArt. 3:45 WajongArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 65 Euro-Mediterrane OvereenkomstArt. 7a Algemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing Wajong-uitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf in Nederland

Eiser, geboren in Nederland, kreeg een Wajong-uitkering toegekend in 2013, maar deze werd beëindigd na intrekking van zijn verblijfsvergunning. Na diverse aanvragen voor een EU/EER-verblijfsdocument die door de IND werden afgewezen, schortte het UWV zijn uitkering per 1 juni 2025 op wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf.

Eiser betwistte dit en beriep zich onder meer op procedureel verblijfsrecht en de Euro-Mediterrane Overeenkomst (EMO). De rechtbank oordeelde dat procedureel verblijfsrecht geen recht geeft op een Wajong-uitkering en dat eiser niet als werknemer in de zin van de EMO kan worden aangemerkt.

De rechtbank bevestigde dat het UWV terecht uitging van de verblijfsrechtelijke informatie van de IND en dat de uitsluitingsgrond van artikel 2:11 Wajong Pro van toepassing is. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en de schorsing van de uitkering gehandhaafd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de schorsing van de Wajong-uitkering wegens ontbreken van rechtmatig verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3227 WAJONG

uitspraak van 7 april 2026 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] (Spanje), eiser

(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen een besluit van het UWV over de schorsing van zijn uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheids-voorziening jonggehandicapten (Wajong) per 1 juni 2025.
1.1.
Het UWV heeft in een besluit van 16 mei 2025 (primair besluit) eisers Wajong-uitkering geschorst per 1 juni 2025, omdat hij niet rechtmatig zou verblijven in Nederland.
1.2.
Het UWV heeft in het bestreden besluit van 24 juni 2025 eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden
2. Eiser is in Nederland geboren op [geboortedag] 1993. In een besluit van 2 mei 2005 is aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, die voor het laatst is verlengd tot 17 december 2014. Het UWV heeft in een besluit van 30 mei 2013 een Wajong-uitkering aan eiser toegekend vanaf 26 juni 2013. Op 22 oktober 2013 is eisers verblijfsvergunning ingetrokken. Het UWV heeft in een besluit van 8 november 2013 eisers Wajong-uitkering met ingang van 29 oktober 2013 beëindigd, omdat eiser geen geldig verblijfsdocument had.
2.1.
Eiser heeft op 15 november 2022 een aanvraag ingediend om een verblijfsdocument EU/EER. De (toenmalige) staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft de ontvangst hiervan bevestigd in een besluit van 17 november 2022, en vastgesteld dat eiser daarom vanaf 15 november 2022 (procedureel) rechtmatig verblijft in Nederland op grond van artikel 8, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft op 6 december 2022 een verzoek ingediend bij het UWV tot hervatting van zijn Wajong-
uitkering. Het UWV heeft in een besluit van 21 maart 2023 bepaald dat eiser vanaf 6 december 2022 weer een Wajong-uitkering krijgt, omdat hij vanaf 15 november 2022 weer rechtmatig in Nederland verblijft en het UWV op 6 december 2022 eisers verzoek tot heropening van de uitkering heeft ontvangen.
2.2.
Eiser heeft op 15 november 2022 een aanvraag ingediend om een verblijfsdocument EU/EER bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De IND heeft deze aanvraag afgewezen in een besluit van 28 februari 2024. Eisers bezwaren tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard in een besluit van 2 oktober 2024. Eiser heeft op 8 oktober 2024 (opnieuw) gevraagd om een verblijfsdocument EU/EER. Deze aanvraag heeft de IND afgewezen in een besluit van 22 april 2025. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het UWV is vervolgens overgegaan tot de besluitvorming die is weergegeven in de inleiding.
Het standpunt van het UWV
3. Volgens het UWV is eisers Wajong-uitkering terecht met ingang van 1 juni 2025 geschorst, omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft en dit een uitsluitingsgrond is voor het recht op een Wajong-uitkering. Het UWV stelt dat uit het besluit van de IND van 22 april 2025 blijkt dat de aanvraag van eiser om een verblijfsdocument EU/EER is afgewezen. In dat besluit is tevens vermeld dat eiser, indien hij bezwaar maakt, de beslissing op dat bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Verder wijst het UWV erop dat aan eiser reeds bij besluit van 22 oktober 2013 een terugkeerbesluit is opgelegd, op grond waarvan hij Nederland binnen vier weken moest verlaten. Er is geen sprake van een geldige verblijfstitel.
Eisers standpunt
4. Volgens eiser gaat het UWV uit van een onjuiste beoordeling van zijn verblijfsrechtelijke positie, en verwijst het ten onrechte naar het besluit van 22 oktober 2013. Eiser stelt dat hij de behandeling van zijn bezwaar tegen het besluit van 22 april 2025 in Nederland mag afwachten. Het bestaan van een terugkeerbesluit is niet relevant, nu dit onderdeel uitmaakt van het besluit waarvan de werking door het indienen van bezwaar is geschorst. Eiser beroept zich verder op de Euro-Mediterrane Overeenkomst EU-Marokko (EMO). Ter zitting heeft eisers gemachtigde de beroepsgrond over het Besluit uitbreiding werknemersverzekeringen ingetrokken.
Relevante regelgeving
5. De relevante regelgeving in deze zaak is opgenomen in een bijlage, die is gehecht aan deze uitspraak.
Waar gaat het in deze zaak over?
6.
In deze zaak is in geschil of de uitsluitingsgrond in artikel 2:11, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wajong op eiser van toepassing is. Daarvoor is met name van belang of hij rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw, en of genoemde uitsluitingsgrond ook toepasselijk is op eiser als hij een zogenoemd 'procedureel verblijfsrecht' heeft zoals bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. Verder is in geschil of eiser op grond van de EMO aanspraak kan blijven maken op een Wajong-uitkering.
Is de uitsluitingsgrond in artikel 2:11, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wajong op eiser van toepassing?
7. Naar het oordeel van de rechtbank stelt het UWV terecht dat de uitsluitingsgrond in artikel 2:11, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wajong op eiser van toepassing is, omdat bij hem geen sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw. Eiser heeft 8 oktober 2024 bij de IND een aanvraag ingediend voor een EU-verblijfsdocument. De IND heeft deze aanvraag afgewezen in een besluit van 22 april 2025. Daarin is ook opgenomen dat aan eiser in een besluit van 22 oktober 2013 een terugkeerbesluit en een inreisverbod is opgelegd, en dat eiser een beslissing op een eventueel bezwaarschrift tegen het besluit niet in Nederland mag afwachten. Eiser heeft als gevolg hiervan de verblijfscode 98 gekregen, inhoudende dat hij geen verblijfsrecht heeft.
7.1.
Eiser stelt dat het UWV ten onrechte het besluit van 22 oktober 2013 aanhaalt, omdat dit besluit ondeugdelijk en achterhaald zou zijn. Eiser miskent hiermee echter dat het UWV volgens vaste rechtspraak mag uitgaan van de juistheid van de verblijfsrechtelijke informatie van de IND (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1904). Het UWV hoeft dus ook niet zelf te beoordelen of sprake is van een rechtmatig verblijf. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor de conclusie dat het UWV niet zou mogen uitgaan van de beslissing en de overige (verblijfsrechtelijke) informatie die is opgenomen in het besluit van 22 april 2025.
7.2.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding om aan te nemen dat eiser in Nederland verblijft op basis van een 'afgeleid verblijfsrecht' zoals bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw. Eiser voert in zijn beroepschrift van 1 juli 2025 in dit verband aan dat hij in het verleden een aanvraag heeft ingediend voor verblijf als verzorger van zijn Nederlandse ouders, op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Eiser stelt dat hij bezwaar heeft gemaakt en beroep heeft ingesteld tegen de besluitvorming waarin deze aanvraag is afgewezen, maar ook dat hij zijn beroep op een later moment heeft ingetrokken. Ter zitting heeft hij bevestigd dat die procedure helemaal is afgesloten. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de afwijzing van eisers aanvraag voor een daarop gebaseerd verblijfsrecht onherroepelijk is geworden, en dat geen afgeleid verblijfsrecht is ontstaan.
7.3.
Eiser baseert de door hem gestelde verblijfsstatus met name op de omstandigheid dat nog niet is (althans was) beslist op zijn bezwaar tegen het besluit van 22 april 2025, waarin zijn aanvraag om een EU-verblijfsdocument is afgewezen. Op het moment dat eiser bezwaar maakte tegen dit besluit, verkreeg hij een procedureel verblijfsrecht op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. Voor deze vorm van rechtmatig verblijf, die bestaat gedurende de behandeling van een procedure, geldt echter als hoofdregel dat zij geen recht geeft op een Wajong-uitkering, omdat daarbij geen sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw. Eisers procedurele verblijfsrecht doet daarom niet af aan de toepasselijkheid van de uitsluitingsgrond van artikel 2:11, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wajong.
7.4.
Indien en voor zover eiser met wat hij aanvoert tegen het bestreden besluit een beroep doet op het tweede lid van artikel 2:11 van Pro de Wajong, overweegt de rechtbank dat in die bepaling is opgenomen dat bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kan worden bepaald dat de uitsluitingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, niet geldt ten aanzien van vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vw, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vw. De rechtbank stelt vast dat een AMvB als bedoeld in het tweede lid van artikel 2:11 van Pro de Wajong nog niet is getroffen, zodat eiser zich niet met succes kan beroepen op deze bepaling.
7.5.
Artikel 3:45, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wajong bepaalt dat het UWV de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering opschort of de betaling schorst, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat het recht op uitkering niet of niet meer bestaat. Gezien het voorgaande was het UWV op basis van deze imperatief geformuleerde bepaling gehouden om eisers Wajong-uitkering te schorsen, en bestond geen ruimte voor een belangenafweging.
Eisers beroep op artikel 65 van Pro de EMO
8. De rechtbank stelt voorop dat artikel 65 van Pro de EMO, gelet op het arrest [naam] (HvJEU 13 juni 2006, C-336/05, ECLI: EU:C:2006:394), rechtstreekse werking heeft. Op grond van deze bepaling vallen werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van discriminatie op grond van nationaliteit ten opzichte van de onderdanen van de lidstaat waar zij werkzaam zijn. Uit dit arrest volgt dat de personele werkingssfeer van deze bepaling wordt bepaald door de vraag of betrokkene kan worden aangemerkt als 'werknemer' in de zin van die bepaling en of de betrokken regeling valt binnen het terrein van de sociale zekerheid. De rechtbank wijst in dit verband ook op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2615. Eiser stelt weliswaar dat hij arbeid heeft verricht en premies heeft betaald, maar hij heeft deze stelling op geen enkele manier onderbouwd. De rechtbank ziet in de dossierstukken ook geen aanknopingspunten die deze stelling ondersteunen. Reeds hierom kan eiser niet worden aangemerkt als werknemer in de zin van artikel 65 van Pro de EMO, en slaagt zijn beroep op deze bepaling niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzitter, en mr. R.J.H. van der Linden en mr. J.W. Ponds, leden, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 7 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: de relevante wet- en regelgeving

Wajong
Artikel 2:11. Uitsluitingsgronden
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:
a. het rechtens zijn vrijheid zijn ontnomen;
b. het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
c. het niet in Nederland wonen;
d. het als vreemdeling niet rechtmatig verblijf houden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;
e. het bereiken of bereikt hebben van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;
f. een uitreiziger zijn.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de uitsluitingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, niet geldt ten aanzien van vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 3:45. Betaalbaarstelling
(…)
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst het de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;
(…).
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 8
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, geen aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;
e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20, 33 en 45a, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;
i. gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is Pro toegestaan;
j. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64;
k. gedurende de periode waarin de vreemdeling door Onze Minister in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht;
l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;
m. indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet Pro in behandeling is genomen op grond van artikel 30 terwijl Pro hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.
Euro-mediterrane Overeenkomst (EMO)
Artikel 65
1. Behoudens het bepaalde in de onderstaande leden vallen de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de lidstaten waar zij werkzaam zijn. Het begrip sociale zekerheid dekt alle takken van sociale zekerheid die betrekking hebben op uitkeringen bij ziekte en zwangerschap, pensioenen bij invaliditeit, ouderdomspensioenen, pensioenen voor nabestaanden, uitkeringen bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, uitkeringen bij overlijden, werkloosheidsuitkeringen en kinderbijslag.
(…)