Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2670

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/275
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen naheffingsaanslag omzetbelasting niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2016, opgelegd door de inspecteur met dagtekening 28 december 2019. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaar pas op 3 juli 2024 werd ingediend, ruim na de wettelijke termijn van zes weken die eindigde op 10 februari 2020.

De rechtbank heeft beoordeeld of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze is verzonden, onder meer door een verzendrapportage en bewijs van het postvervoersbedrijf. Hierdoor geldt een bewijsvermoeden van ontvangst, dat belanghebbende niet heeft kunnen ontzenuwen met concrete feiten of omstandigheden.

Omdat het bezwaar te laat is ingediend en belanghebbende geen verschoonbare omstandigheden heeft aangevoerd, is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot inhoudelijke beoordeling van de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de belastingrente.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor belanghebbende het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Bogert en griffier S. Panah op 3 april 2026 te Breda.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/275

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 11.991. Daarbij zijn een boetebeschikking (€ 1.199) en beschikking belastingrente (€ 1.453) opgelegd.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] deelgenomen. Gemachtigde heeft zich tijdens de zitting telefonisch afgemeld en was niet aanwezig.

Feiten

2. Met dagtekening 28 december 2019 is aan belanghebbende de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 opgelegd.
2.1.
Belanghebbende heeft op 3 juli 2024 een bezwaar ingediend tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Pas als de rechtbank tot het oordeel komt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, kan zij tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil komen.
Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
4. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Motivering

Vooraf
5. Namens belanghebbende is een verdagingsverzoek gedaan na de zitting. Het verdagingsverzoek heeft de rechtbank dan ook pas bereikt nadat het onderzoek ter zitting was gesloten. In hetgeen gemachtigde heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak te heropenen. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van gemachtigde om ervoor zorg te dragen tijdig op de juiste locatie aanwezig te zijn. Indien hij daartoe niet in staat was, had het op zijn weg gelegen om voorafgaand aan de zitting om aanhouding te verzoeken.
Vooraf II
Belanghebbende vraagt zich in haar beroepschrift af of de belastingrechter wel bevoegd zou zijn om haar beroep te behandelen omdat het mogelijk zou gaan om een civiele vordering. Het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar ten aanzien van een naheffingsaanslag omzetbelasting. Daarom is de belastingrechter en niet de civiele rechter bevoegd. [1]
Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
5.1.
Om te beoordelen of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard is van belang of de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.
5.2.
Belanghebbende betwist de verzending van het aanslagbiljet. Omdat belanghebbende de verzending van het aanslagbiljet betwist, dient de inspecteur die verzending aannemelijk te maken. Daartoe zal de inspecteur mede aannemelijk moeten maken dat, en aan welk, postvervoersbedrijf het desbetreffende stuk is aangeboden. [2] De inspecteur heeft daartoe een verzendrapportage overgelegd.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de overgelegde verzendrapportage de verzending van de naheffingsaanslag aannemelijk gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de inspecteur niet alleen interne verzendgegevens heeft overgelegd, maar ook inzichtelijk heeft gemaakt via welk postvervoersbedrijf de aanslag ter postbezorging is aangeboden. Anders dan in het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, is in dit geval dus wel voldoende aannemelijk geworden dat de naheffingsaanslag daadwerkelijk is aangeboden ter verzending.
5.4.
Het voorgaande betekent dat sprake is van een bewijsvermoeden van ontvangst. Het ligt vervolgens op de weg van belanghebbende om feiten en omstandigheden aan te voeren die aanleiding geven om aan de postbezorging te twijfelen. Belanghebbende heeft dit niet gedaan. De enkele stelling dat de postbezorging mogelijk niet goed is verlopen, is onvoldoende om het bewijsvermoeden te kunnen ontzenuwen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de naheffingsaanslag tijdig is verzonden en op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt door de inspecteur. Hoewel het uiterst ongelukkig is dat de inspecteur de betreffende aanslag zelf niet meer in zijn systeem kan terughalen, leidt dat niet tot een ander oordeel. Immers, de inspecteur heeft met andere stukken wel aannemelijk gemaakt dat de betreffende aanslag daadwerkelijk bestaat.
5.5.
De naheffingsaanslag heeft als dagtekening 28 december 2019. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Dat betekent dat de bezwaartermijn eindigde op 10 februari 2020. Vaststaat dat belanghebbende op 3 juli 2024 bezwaar heeft gemaakt. Dat betekent dat belanghebbende ruim buiten de bezwaartermijn, en daarmee te laat, bezwaar heeft gemaakt.
5.6.
Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die het oordeel kunnen dragen dat het indienen van het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn verschoonbaar is. [3] De inspecteur heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, komt de rechtbank niet toe aan een verdere inhoudelijke beoordeling van de naheffingsaanslag, de verzuimboete en de belastingrente.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:1 Algemene Pro wet bestuursrecht in combinatie met artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.Vgl. Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875 en Hoge Raad 20 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:41.
3.Artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.