Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2672

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/2580
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de sluiting van haar woning voor twee maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester van Tilburg had het besluit tot sluiting gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank behandelde het beroep op 27 januari 2026 en deed direct uitspraak.

De rechtbank beoordeelde het procesbelang van eiseres en concludeerde dat dit ontbrak. De sluitingstermijn was inmiddels verstreken en eiseres woont weer in de woning, waardoor het doel van het beroep – het voorkomen van de sluiting – niet meer actueel is. Ook is geen schadevergoeding gevorderd of gebleken.

Eiseres stelde dat zij een principieel belang had om toekomstige onrechtmatige besluiten te voorkomen, maar de rechtbank oordeelde dat dit geen actueel en reëel belang vormt. De eerdere vondst van drugs in de woning is niet betwist, en woningsluitingen worden niet geregistreerd, zodat geen nadelig effect voor eiseres is aangetoond.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de woningsluiting wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2580

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

27 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E. van de Rakt),
en

de burgemeester van de gemeente Tilburg,

(gemachtigde mr. B. van den Broek)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de sluiting van haar woning op het [adres] (hierna: de woning) voor een periode van twee maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
1.1.
Met het bestreden besluit van 26 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is de burgemeester bij dat besluit gebleven.
1.2.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. A.C.M. Tönis als waarnemer van de gemachtigde, en de gemachtigde van de burgemeester.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
2. Procesbelang is het belang dat een eiser heeft bij de uitkomst van een procedure. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) [1] heeft een partij procesbelang bij een oordeel over zijn beroep als komt vast te staan dat die partij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk. Daarbij gaat het erom of het doel dat de eiser voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
2.1.
Bij een woningsluiting zou het procesbelang erin kunnen zijn gelegen om de sluiting van de woning te voorkomen. Nu echter vast staat dat de sluitingstermijn inmiddels is verstreken en dat eiseres ook weer in de woning woont, is hierin geen procesbelang bij de procedure gelegen. Een andere reden om procesbelang aan te nemen zou kunnen zijn gelegen in een verzoek om schadevergoeding. Dat eiseres schade heeft geleden is echter gesteld noch gebleken.
2.2.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat het belang van deze procedure is gelegen in het feit dat eiseres mogelijk in de toekomst zal worden geconfronteerd met een onrechtmatig besluit waarbij de burgemeester tot woningsluiting is overgegaan. Eiseres zou hierdoor in haar belangen kunnen worden geschaad.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijk beoordeling van het beroep. Dat eiseres een principiële uitspraak wenst te krijgen levert volgens vaste jurisprudentie geen procesbelang op. De rechtbank wijst erop dat woningsluitingen niet worden geregistreerd. Niet is gebleken dat eiseres door de eerdere woningsluiting thans nog nadeel zou kunnen ondervinden.
De rechtbank overweegt daarbij dat mochten er in de toekomst zich mogelijk opnieuw problemen bij de woning voordoen, het feit dat eerder drugs is aangetroffen mogelijk zal worden tegengeworpen. Eiseres heeft echter niet betwist dat er drugs in de woning is aangetroffen. Het geschil spitst zich immers toe op de vraag of de woning gesloten kan worden, niet op de vraag of drugs is aangetroffen. Ook hierin wordt geen zelfstandig procesbelang voor de beoordeling van het bestreden besluit gezien.

Conclusie en gevolgen

3. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij de procedure. Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is en het beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
4. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026 door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier.
griffier
Rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld ABRvS 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2508.