ECLI:NL:RBZWB:2026:268

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/02/443123 / JE RK 25-2261 en C/02/443063 / JE RK 25-2246
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 8 januari 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2015 en 2022. De maatregelen zijn verlengd voor de duur van zes maanden, tot 11 juli 2026, omdat de omstandigheden van de moeder niet zijn verbeterd en de kinderen nog steeds zorg en bescherming nodig hebben.

De oudste minderjarige is recent verhuisd van een gezinshuis naar een groepsaccommodatie, wat hij moeilijk vindt. Hij kan niet terug naar het gezinshuis of naar de moeder vanwege zijn gedragsproblemen en de kwetsbaarheid van de moeder. De jongste minderjarige verblijft in een pleeggezin waar hij zich goed ontwikkelt. De moeder onderhoudt contact met beide kinderen, en de samenwerking met de pleegouders verloopt goed.

De Raad voor de Kinderbescherming onderzoekt momenteel de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel. Totdat dit onderzoek is afgerond, acht de rechtbank het noodzakelijk de huidige maatregelen te verlengen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de zorg te waarborgen.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van beide minderjarigen voor zes maanden tot 11 juli 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/443123 / JE RK 25-2261 (
verzoek [minderjarige 1])
C/02/443063 / JE RK 25-2246 (
verzoek [minderjarige 2])
Datum uitspraak: 8 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
en
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt in beide zaken als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1].
De kinderrechter merkt in de zaak C/02/443063 / JE RK 25-2246 als belanghebbende aan:
Familie [de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats 2].
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1.
Het verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In de zaak C/02/443123 / JE RK 25-2261
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 december 2025.
In de zaak C/02/443063 / JE RK 25-2246
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 december 2025.
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3. In de zaak C/02/443063 / JE RK 25-2246 zijn de pleegouders, ondanks behoorlijke oproeping, niet verschenen.
1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
Bij beschikking van 11 januari 2022 zijn [minderjarige 1] en de toen nog ongeboren [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 11 januari 2023. Bij diezelfde beschikking is voor [minderjarige 1] een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 11 januari 2022 en tot 11 juli 2022.
2.3.
Bij beschikking van 18 februari 2022 is [minderjarige 2] met spoed uit huis geplaatst zonder
het vooraf horen van de belanghebbenden. Bij beschikking van 25 februari 2022 is de
machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met
ingang van 3 maart 2022 en tot 17 augustus 2022.
2.4.
Bij beschikking van 12 augustus 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige 1] in een voorziening van pleegzorg verleend met ingang van 12 augustus 2022 en tot
11 januari 2023. Bij die beschikking is tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 augustus 2022 en tot
11 januari 2023.
2.5.
De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 30 december 2024 met ingang van 11 januari 2025 en tot 11 januari 2026.
2.6.
[minderjarige 1] verblijft bij [accommodatie]. [minderjarige 2] verblijft in een pleeggezin.

3.De verzoeken

In de zaak C/02/443123 / JE RK 25-2261
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In de zaak C/02/443063 / JE RK 25-2246
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft de verzoeken. Ten aanzien van [minderjarige 1] benoemt de GI dat [minderjarige 1] het moeilijk vindt om met zijn emoties om te gaan en dat hij soms boze buien heeft. Door het gedrag van [minderjarige 1] en de belasting voor de gezinshuisouders kon hij niet langer bij het gezinshuis blijven. De GI stelt dat [minderjarige 1] ook niet terug naar de moeder kan. De omstandigheden of vaardigheden van de moeder zijn niet veranderd of sterker geworden. Desgevraagd licht de GI toe dat [minderjarige 1] de overgang van het gezinshuis naar de groep in [woonplaats 1] erg moeilijk vindt, maar de GI vindt het te vroeg om te stellen dat het niet gaat lukken. Veranderingen zijn moeilijk voor [minderjarige 1]. De GI verwacht echter dat [minderjarige 1] baat zal gaan hebben bij de wisselende opvoeders op de groep. Er zal altijd iemand beschikbaar voor hem zijn. Daar komt bij dat [minderjarige 1] de hulp krijgt die hij nodig heeft, waaronder PMT en speltherapie. Daarnaast is [hulpverlening] in het kader van de omgangsbegeleiding tussen de moeder en [minderjarige 1] betrokken. Het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] verloopt goed. Ten aanzien van [minderjarige 2] benoemt de GI dat het perspectief van [minderjarige 2] bij het pleeggezin ligt. Het gaat goed met [minderjarige 2] bij het pleeggezin en hij ontwikkelt zich goed. Ook verloopt de samenwerking en communicatie tussen de moeder en de pleegouders goed. Zij maken onderling (omgangs)afspraken en hebben ook gezamenlijk Kerst gevierd. Ten aanzien van beide kinderen geldt dat de moeder erg beïnvloedbaar is en dat maakt haar kwetsbaar, ook in de keuzes die zij voor de kinderen maakt. Zij is onvoldoende in staat om goede beslissingen te nemen en is afhankelijk van wie haar een keuze voorlegt en welke informatie zij krijgt. Het risico bestaat dat de moeder hierdoor niet in het belang van de kinderen handelt. Dit is een kwetsbaar punt als het gaat om een overdracht naar het vrijwillig kader. Mede gelet hierop is de Raad bezig met een onderzoek naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel. Dat onderzoek loopt nog. Om die reden verzoekt de GI een verlenging van de maatregelen voor zes maanden. Tot slot heeft de GI aandacht voor het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat zij elkaar vaker willen zien.
4.2.
De moeder is het eens met de verzoeken. Het gaat goed met de kinderen. Wel ziet de moeder dat [minderjarige 1] het moeilijk heeft met de overgang naar de groep. De moeder ziet zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2], los van elkaar, eens per twee weken en dat verloopt goed. Ook belt zij soms met [minderjarige 1]. Verder heeft de moeder een fijn contact met de pleegouders van [minderjarige 2]. Wel zou de moeder willen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] elkaar vaker zien.
4.3.
De Raad vindt de verzoeken van de GI passend en meent dat het in het belang van de kinderen is om de maatregelen te verlengen. De Raad is bezig met een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel en verwacht dat het onderzoek binnen een maand zal zijn afgerond. De Raad hoopt dat de verlenging van zes maanden voldoende gaat zijn en dat er, indien de Raad tot het besluit komt dat een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is, voor de aflooptermijn van de maatregelen een zitting kan worden gepland.
4.4.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 1] verteld dat hij recent naar [accommodatie] in [woonplaats 1] is verhuisd en dat hij het daar moeilijk mee heeft. Op de groep zitten vooral oudere kinderen, die andere humor hebben en in [woonplaats 1] heeft er eerder een steekpartij plaatsgevonden. [minderjarige 1] is bang van steken. Hij wil het liefst terug naar het gezinshuis of naar een pleeggezin in de buurt van het gezinshuis, zodat hij bij de gezinshuisouders op bezoek kan gaan. Ook wil [minderjarige 1] terug naar zijn oude school. [minderjarige 1] vindt het fijn om zijn moeder eens in de twee weken onder begeleiding te zien. Hij begrijpt dat hij niet bij de moeder kan logeren, dit nadat de jeugdbeschermer dit aan hem heeft uitgelegd. Verder geeft [minderjarige 1] aan dat de moeder haar beloftes niet altijd nakomt. [minderjarige 1] vindt het goed als de jeugdbeschermer langer betrokken blijft, maar hij zou [minderjarige 2] wel vaker willen zien.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.3.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.4.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is zij van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen is. Zij legt hieronder uit waarom.
5.6.
Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige 1] recent van het gezinshuis naar [accommodatie] is verhuisd, nu hij niet langer bij het gezinshuis kon blijven wonen. Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige 1] verteld dat hij de overstap naar de groep in [woonplaats 1] lastig vindt en het liefst terug naar het gezinshuis wil of naar een pleeggezin in de buurt van het gezinshuis. Ook de moeder en de GI hebben aangegeven dat [minderjarige 1] het moeilijk heeft, maar het is wel de verwachting van de GI dat [minderjarige 1] bij de overstap gebaat zal zijn en dat de groep passend bij [minderjarige 1] is. De kinderrechter is van oordeel dat de plaatsing van [minderjarige 1] bij de groep noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [minderjarige 1] kan vanwege zijn gedrag en de belasting voor de gezinshuisouders niet terug naar het gezinshuis. Hij heeft moeite met het reguleren van zijn emoties, er is sprake van hechtingsproblematiek en [minderjarige 1] kan boze buien hebben. Ook kan hij niet terug naar de moeder. De moeder kan [minderjarige 1] niet bieden wat hij in zijn dagelijkse opvoeding nodig heeft. De omstandigheden of vaardigheden van de moeder zijn in de afgelopen periode niet veranderd of sterker geworden. Tijdens de zitting heeft de moeder ook aangegeven dat zij achter de plaatsing van [minderjarige 1] bij de groep staat. De kinderrechter merkt in dit kader wel op dat zij het belangrijk vindt dat er aandacht voor [minderjarige 1] blijft en dat hij goed wordt begeleid bij deze overstap.
5.7.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de plaatsing van [minderjarige 2] in het pleeggezin moet worden gecontinueerd. Het perspectief van [minderjarige 2] is eerder al bij de pleegouders bepaald. [minderjarige 2] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin en de pleegouders sluiten goed bij zijn behoeften aan. De moeder staat ook achter deze plaatsing. Gebleken is verder dat de samenwerking en communicatie tussen de moeder en de pleegouders van [minderjarige 2] erg goed verloopt en dat zij onderling (omgangs)afspraken met elkaar maken, welke afspraken de moeder nakomt.
5.8.
De moeder ziet beide kinderen, los van elkaar, eens per twee weken. [minderjarige 1] ziet zij in het bijzijn van de omgangsbegeleidster vanuit [hulpverlening] en [minderjarige 2] in het bijzijn van de pleegmoeder. De contactmomenten tussen de moeder en beide kinderen verlopen goed en gezien wordt dat iedereen van het contact geniet. De kinderrechter geeft de moeder dan ook een groot compliment voor de manier waarop zij haar ouderrol vervult. De moeder is betrokken en liefdevol richting de kinderen en zij werkt goed met de GI, de pleegouders van [minderjarige 2] en de andere bij de kinderen betrokken personen en instanties samen. Verder heeft de Raad tijdens de zitting toegelicht dat zij, op verzoek van de GI, bezig zijn met een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel. Het is de verwachting van de Raad dat het onderzoek binnen een maand wordt afgerond. Nu het nog niet duidelijk is of er voor [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is of dat er een borgingsplan kan komen en naar het vrijwillige kader kan worden toegewerkt, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de maatregelen voor de kinderen voor de duur zoals verzocht worden verlengd, te weten tot 11 juli 2026. Aan de GI geeft de kinderrechter nog mee dat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] elkaar vaker gaan zien. Dit is ook de wens van zowel de moeder als [minderjarige 1].
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
In de zaak C/02/443123 / JE RK 25-2261
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 11 januari 2026 en tot 11 juli 2026;
6.2.
verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 11 januari 2026 en tot 11 juli 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
In de zaak C/02/443063 / JE RK 25-2246
6.4.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] met ingang van 11 januari 2026 en tot 11 juli 2026;
6.5.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 11 januari 2026 en tot 11 juli 2026;
6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 20 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.