Partijen hadden gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kind, geboren in 2018. De relatie tussen partijen is in 2020 beëindigd. Volgens het ouderschapsplan had de vader recht op contactmomenten, maar deze zijn sinds twee jaar niet nagekomen en het laatste contact was telefonisch in september 2025.
De moeder verzoekt de rechtbank het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar het gezag toe te wijzen. Zij stelt dat de vader haar heeft bedreigd, er politieaandacht was bij haar en haar moeder, en dat zij en het kind zelfs tijdelijk ondergedoken zijn geweest vanwege ernstige bedreigingen. De vader toont geen interesse of verantwoordelijkheid voor het kind en heeft aangegeven geen verantwoordelijkheid te willen dragen.
De rechtbank oordeelt dat het in het belang van het kind is dat de moeder het gezag krijgt, omdat de vader niet meer aansluit bij de behoeften van het kind en het contact minimaal is. De vader is akkoord met de verhuizing van de moeder met het kind naar een andere plaats. Het recht op omgang blijft bestaan, maar de vader moet dit zelf invullen.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffier wordt gelast de aantekening in het gezagsregister te maken. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.