Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2684

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C-02-442245 FA RK 25-6043
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van het gezag over minderjarige aan moeder wegens belangen van het kind

Partijen hadden gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kind, geboren in 2018. De relatie tussen partijen is in 2020 beëindigd. Volgens het ouderschapsplan had de vader recht op contactmomenten, maar deze zijn sinds twee jaar niet nagekomen en het laatste contact was telefonisch in september 2025.

De moeder verzoekt de rechtbank het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar het gezag toe te wijzen. Zij stelt dat de vader haar heeft bedreigd, er politieaandacht was bij haar en haar moeder, en dat zij en het kind zelfs tijdelijk ondergedoken zijn geweest vanwege ernstige bedreigingen. De vader toont geen interesse of verantwoordelijkheid voor het kind en heeft aangegeven geen verantwoordelijkheid te willen dragen.

De rechtbank oordeelt dat het in het belang van het kind is dat de moeder het gezag krijgt, omdat de vader niet meer aansluit bij de behoeften van het kind en het contact minimaal is. De vader is akkoord met de verhuizing van de moeder met het kind naar een andere plaats. Het recht op omgang blijft bestaan, maar de vader moet dit zelf invullen.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffier wordt gelast de aantekening in het gezagsregister te maken. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het gezag over de minderjarige wordt toegewezen aan de moeder vanwege het belang van het kind en het langdurig ontbreken van contact met de vader.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/442245 FA RK 25/6043
datum uitspraak: 3 maart 2026
beschikking betreffende gezag
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.B. de Bree,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
zonder advocaat.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 21 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de beschikking van de rechtbank van 4 november 2021, met aangehecht het ouderschapsplan.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 2 maart 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster en stagiair van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. Hoewel correct opgeroepen, is de man niet verschenen.
1.3. Na te noemen minderjarige is gelet op zijn leeftijd in staat gesteld zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.Hij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De kinderrechter heeft ter zitting samengevat wat hij heeft verteld.

2.De feiten

2.1.
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad welke in 2020 is beëindigd.
- uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, hierna ook te noemen: [minderjarige] .
- Genoemd kind is door de man erkend.
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarige.
2.2.
Ingevolge voormeld ouderschapsplan is de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met de minderjarige in de oneven weken van vrijdag na school tot zondag na het avondeten en in de even week van woensdag na het avondeten tot vrijdag na school, alsmede gedurende een deel van de vakanties en feestdagen.
2.3.
De afspraken in het ouderschapsplan en de daarin opgenomen zorgregeling zijn nimmer nagekomen. Sinds twee jaar heeft [minderjarige] de man ook niet meer gezien in het kader van een contactmoment. Het laatste belcontact heeft plaatsgevonden op 2 september 2025.

3.Het verzoek

De vrouw verzoekt, samengevat:
- bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over [minderjarige] toekomt.

4.De beoordeling

4.1.
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
4.2.
Sinds het uiteengaan van partijen is er geen uitvoering gegeven aan het ouderschapsplan. Volgens de vrouw heeft de man haar bedreigd en zijn er meerdere meldingen gedaan bij de politie. Deze zijn alert bij haar adres en bij het adres van de moeder van de vrouw. De vrouw en [minderjarige] hebben ook een week ondergedoken gezeten in [locatie] in [plaats 1] vanwege uitingen van ernstige bedreigingen door de man. De vrouw is daardoor altijd de confrontatie met de man uit de weg gegaan en heeft nimmer gevraagd om zijn toestemming met betrekking tot beslissingen voor [minderjarige] . Zij is altijd in Nederland op vakantie gegaan. Doordat er twee jaar geen fysiek contact is tussen de man en [minderjarige] en ook het belcontact sporadisch plaatsvond en inmiddels niet meer, heeft de man geen enkel idee wat er in [minderjarige] omgaat. Hij weet niet wat [minderjarige] nodig heeft, toont geen enkele interesse, maar ook geen enkele verantwoordelijkheid. Bij de hulpverlening heeft de man destijds ook aangegeven dat hij geen enkele verantwoordelijkheid wenst over [minderjarige] . Het is van belang dat de vrouw zelf de beslissingen kan nemen over [minderjarige] . Zodat zij naar het buitenland kan gaan en als er iets gebeurt zij ook in staat is zelf de beslissingen te nemen. De man is daartoe niet meer in staat omdat hij niet weet wat er in het leven van [minderjarige] afspeelt. Hij kan niet meer bepalen wat in het belang van [minderjarige] is. Daarom is het anderszins in het belang van [minderjarige] om het gezag te wijzigen. Het recht op omgang blijft bestaan, maar de man is hierin wel aan zet.
4.3.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe. De rechtbank is, met de Raad, van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de vrouw voortaan de gezagsbeslissingen over hem neemt. De man is al geruime tijd uit beeld en kan niet meer aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Zo is hij niet op de hoogte van de dagelijkse bezigheden, hobby’s en interesses van [minderjarige] . De man en [minderjarige] zien elkaar soms in de plaatselijke supermarkt waarbij ze dan een uiterst kort gesprekje hebben en er een knuffel wordt gegeven. Onbetwist is door de vrouw gesteld dat de man geen beroep doet op naleving van de zorgregeling zoals die is opgenomen in het ouderschapsplan. De rechtbank acht het dan ook anderszins in het belang van [minderjarige] dat het ouderlijk gezag van de man beëindigd wordt, nu de man niet goed meer kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat ter zitting onbetwist is gesteld dat de man aan de nieuwe partner van de vrouw heeft gevraagd om voor [minderjarige] de vaderrol te vervullen, nu hij daar zelf niet goed toe in staat is. In het kader van zijn identiteitsontwikkeling kent [minderjarige] echter zijn biologische vader en weet wie hij is én blijft de mogelijkheid bestaan om zijn biologische vader te zien. Onbetwist is namelijk dat de man akkoord is met de aanstaande verhuizing van de vrouw met [minderjarige] naar [plaats 2] . De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij de lijn met de man in het belang van [minderjarige] open wil houden. Haar familie woont in [woonplaats] en zij zal daar nog met enige regelmaat zijn, op die momenten zal zij contact leggen met de man zodat [minderjarige] en de man in staat gesteld worden om elkaar te zien. Het is dan wel aan de man om op dat aanbod in te gaan. Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018 voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
5.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
gelast de griffier van deze beslissing aantekening te maken in het gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van
mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.