ECLI:NL:RBZWB:2026:2687

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/02/431647 / HA ZA 25-78 (E)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Luijks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 3 lid 5 Rome IArt. 9 Rome IArt. 10 lid 1 Rome IVerordening (EG) nr. 593/2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen in aannemingsovereenkomst wegens toepasselijk Nederlands recht en onvoldoende onderbouwing

In deze civiele zaak tussen Dora Construction and Project Ltd en STPL Logistics B.V. stond de vraag centraal welk recht van toepassing is op de aannemingsovereenkomst en de beoordeling van vorderingen in conventie en reconventie.

De rechtbank oordeelde dat ondanks een vermeend rechtskeuzebeding voor Bulgaars recht, Nederlands recht van toepassing is op grond van onvoldoende onderbouwing en de aanwezigheid van dwingende Nederlandse publiekrechtelijke bepalingen. Hierdoor werden de op Bulgaars recht gebaseerde vorderingen van Dora afgewezen.

Dora vorderde betaling van een bedrag van € 319.599,59, maar kon niet aantonen waarop dit bedrag precies was gebaseerd. STPL toonde betalingsbewijzen die aantoonden dat dit bedrag reeds was voldaan, waardoor de vorderingen werden afgewezen.

In reconventie stelde STPL dat het werk van Dora niet voldeed aan Nederlandse brandveiligheidsnormen (PGS 15). De rechtbank oordeelde dat Dora niet de gelegenheid had gekregen om gebreken te herstellen en dat de schade onvoldoende was onderbouwd, waardoor ook deze vorderingen werden afgewezen.

Beide partijen werden veroordeeld in de proceskosten, die binnen veertien dagen voldaan moeten worden, met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van beide partijen af en veroordeelt hen in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/431647 / HA ZA 25-78
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
DORA CONSTRUCTION AND PROJECT LTD,
te Sofia (Bulgarije),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna ook te noemen: ‘Dora’,
advocaat: mr. S. Besli,
tegen
STPL LOGISTICS B.V.,
te Sint Philipsland,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna ook te noemen: ‘STPL’,
advocaat: mr. R.B. Rouwen.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 december 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de akte na tussenvonnis van Dora;
- de akte na tussenvonnis van STPL met daarbij productie 32.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie
2.1.
De rechtbank verwijst naar het tussenvonnis van 17 december 2025 en wat daarin is overwogen en beslist en blijft daarbij.
toepasselijk recht
2.2.
In het tussenvonnis van 17 december 2025 heeft de rechtbank ten aanzien van de vraag welk recht dient te worden toegepast het volgende overwogen. Dora stelt dat ‘
article 15’ van de tussen partijen geldende aanneemovereenkomst moet worden gezien als een rechtskeuzebeding op grond waarvan het Bulgaarse recht van toepassing is. Of ‘
article 15’ daadwerkelijk kwalificeert als een rechtskeuzebeding, dient op grond van artikel 3 lid 5 jo Pro. artikel 10 lid 1 van Pro de Rome I-verordening (hierna ook: Rome I) te worden beoordeeld naar Bulgaars recht. [1] Partijen zijn daarom in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag hoe ‘
article 15’ van de aanneemovereenkomst naar Bulgaars recht dient te worden uitgelegd.
2.3.
STPL heeft een legal opinion van Dr. [persoon] , PhD in Private International Law (hierna ook: [persoon] ) in het geding gebracht en verwijst naar de inhoud daarvan. [persoon] is een advocaat gevestigd in Bulgarije. Dora heeft geen legal opinion in het geding gebracht maar stelt simpelweg dat onder Bulgaars contractenrecht geldt dat overeenkomsten dienen te worden uitgelegd naar de gemeenschappelijke partijbedoeling, mede gelet op de context waarin de overeenkomst is gesloten. Omdat ook [persoon] deze uitlegmaatstaf lijkt toe te passen, zal de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaan.
2.4.
Volgens Dora is op grond van ‘
article 15’ Bulgaars recht van toepassing. Dora stelt dat het in dit geval een overeenkomst betreft met een Bulgaarse aannemer, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat op de rechtsverhouding tussen partijen de Bulgaarse Handelswet, de Wet op de Verbintenissen en Contracten, de Wet Ruimtelijke Ordening en de overige Bulgaarse wetgeving van toepassing zijn. Volgens Dora is dan ook een onvoorwaardelijke rechtskeuze voor het Bulgaarse recht gemaakt.
[persoon] ziet dit anders. Hoewel ook hij van mening is dat met ‘
article 15’ door partijen een rechtskeuze is gemaakt voor Bulgaars recht, is dit volgens [persoon] geen onvoorwaardelijke rechtskeuze en is Bulgaars recht in dit geval niet van toepassing. Het rechtskeuzebeding geldt namelijk ‘
For the issues and relations between the parties not settled in this contract’. Dit kan op twee manieren worden geïnterpreteerd en leidt ertoe dat het rechtskeuzebeding ofwel ongeldig is omdat het onvoldoende is gespecificeerd, ofwel slechts beperkt van toepassing is op zaken die niet nadrukkelijk in de aanneemovereenkomst zijn geregeld. Bovendien wijst [persoon] erop dat ongeacht de geldigheid van het rechtskeuzebeding, artikel 9 Rome Pro I de toepasselijkheid van Bulgaars recht in de weg staat, omdat op het geschil tussen partijen dwingende Nederlandse publiekrechtelijke bepalingen van toepassing zijn. Dora heeft daarover de stelling ingenomen dat artikel 9 Rome Pro I de civielrechtelijke toepasselijkheid van het Bulgaars recht onverlet laat. Waarom dit volgens haar het geval is, heeft Dora op geen enkele wijze toegelicht.
2.5.
De conclusie van het voorgaande is het volgende. Na daartoe bij tussenvonnis van 17 december 2025 expliciet in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft Dora (met haar summiere akte van twee pagina’s) enkel het standpunt ingenomen dat dat met ‘
article 15’ door partijen een rechtskeuze is gemaakt voor Bulgaars recht en dat artikel 9 Rome Pro I de toepasselijkheid van Bulgaars recht niet in de weg staat. Enige onderbouwing of uitleg naar Bulgaars recht of anderszins heeft zij aan deze standpunten geheel niet gegeven. STPL heeft daarentegen het standpunt ingenomen dat Nederlands recht van toepassing is. Dit heeft zij gemotiveerd (en naar Bulgaars recht) onderbouwd met de legal opinion van de Bulgaarse advocaat [persoon] . De rechtbank is daarom van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is op het geschil tussen partijen. Dat betekent voor de vorderingen het volgende.
in conventie
2.6.
De (primaire) vorderingen van Dora onder I tot en met IV zoals opgesomd in het tussenvonnis van 17 december 2025 zijn gebaseerd op Bulgaars recht. Nu dit niet van toepassing is zullen deze vorderingen worden afgewezen.
De overige (subsidiaire) vorderingen van Dora zijn wel gegrond op Nederlands recht. De rechtbank zal daar hierna op ingaan.
2.7.
Kort gezegd stelt Dora dat STPL haar in totaal een bedrag van € 319.599,59 verschuldigd is. Dit bedrag bestaat uit de aanneemsom en de meerwerkfacturen voor de bouw van een extra (negende) bunker en extra werkzaamheden aan een loods en een woning. STPL heeft daarvan volgens Dora slechts € 183.754,00 voldaan, zodat zij nog een bedrag van € 135.805,59 op STPL te vorderen heeft.
2.8.
STPL betwist dat zij nog een bedrag moet betalen. Zij voert in de eerste plaats aan dat zij alles heeft betaald. Ook voert STPL aan dat voor een deel van het meerwerk geen opdracht is gegeven dan wel dat Dora daarvoor te veel in rekening heeft gebracht.
2.9.
De rechtbank constateert dat uit de aanneemovereenkomst van 19 september 2023 en de bijbehorende Appendix 1 valt op te maken dat de aanneemsom € 228.150,00 bedraagt. Uit de door Dora in het geding gebrachte
payment sheetsvolgt dat het meerwerk € 78.300,00 bedraagt (€ 30.750,00 voor de woning en € 47.550,00 voor het meerwerk voor de loods en de negende bunker). In totaal gaat het dus om een bedrag van € 306.550,00. Dora gaat echter uit van een totaalbedrag van € 319.599,59. Waar dit bedrag op is gebaseerd, heeft Dora niet inzichtelijk gemaakt. Wat daar ook van zij, STPL heeft betalingsbewijzen in het geding gebracht, waaruit volgt dat STPL méér dan € 319.599,59 aan Dora heeft betaald. Deze betalingsbewijzen zijn steeds gebaseerd op door Dora in rekening gebrachte facturen, onder verwijzing naar de aanneemovereenkomst. Dora heeft de juistheid van deze facturen en betalingsbewijzen op geen enkele wijze weersproken. De rechtbank concludeert dan ook dat het gevorderde bedrag van € 319.599,59 reeds volledig is voldaan. Dora heeft – gelet op de betalingsbewijzen – immers niet, althans onvoldoende duidelijk gemaakt op grond waarvan zij nu nog (meer) betaling van STPL vordert. De vorderingen onder V tot en met IX zullen daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
2.10.
De overige verweren van STPL behoeven gelet op het voorgaande geen nadere bespreking.
2.11.
Dora is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van STPL worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
5.127,50
(2,5 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.177,50
2.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
2.13.
STPL vordert een bedrag van € 451.832,52 aan schadevergoeding. Daaraan legt zij ten grondslag dat het door Dora uitgevoerde werk niet voldoet aan de in Nederland geldende brandveiligheidsvereisten en de overeenkomst, waaronder de Richtlijn voor opslag en tijdelijke opslag met betrekking tot brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid (hierna ook: ‘Richtlijn PGS 15’).
2.14.
Dora voert als meest verstrekkend verweer aan dat STPL geen vorderingsrecht toekomt omdat zij de overeenkomst tot het bouwen van de opslagbunkers niet is aangegaan met STPL maar met Balkan Luxury. In dat verband overweegt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat Balkan Luxury aan Dora de opdracht heeft gegeven om de (staal-)constructie voor de bunkers te bouwen. Echter staat ook vast dat voor de verdere (af-)bouwwerkzaamheden van de bunkers een overeenkomst is gesloten tussen Dora en STPL. De door STPL gevorderde schade houdt verband met gestelde gebreken aan de brandmeldinstallatie, de roldeuren en de elektra. Deze punten hebben niets met de constructie van de bunkers te maken. Het verweer van Dora gaat daarom niet op.
2.15.
Dora voert daarnaast het verweer dat STPL haar vorderingen onterecht baseert op Nederlandse wet- en regelgeving, terwijl partijen zijn overeengekomen dat Bulgaars recht van toepassing is en dat bij de beoordeling dient te worden uitgegaan van de Bulgaarse brandveiligheidsvoorschriften. Omdat hiervoor reeds is bepaald dat niet Bulgaars recht, maar Nederlands recht van toepassing is, kan dit verweer haar niet baten. Overigens is het standpunt dat een in Nederland opgericht bouwwerk niet zou moeten voldoen aan de in Nederland geldende (publiekrechtelijke) brandveiligheidsvereisten onhoudbaar.
2.16.
De rechtbank is verder van oordeel dat partijen zijn overeengekomen dat de opslagbunkers dienen te voldoen aan de Richtlijn PGS 15. Daartoe wordt overwogen dat STPL gemotiveerd heeft toegelicht dat nadat zij de opdracht aan Dora heeft verstrekt, Dora een schetsontwerp heeft opgesteld dat (in opdracht van STPL) door EkoSafe B.V. (hierna ook: ‘EkoSafe’) is getoetst aan de Richtlijn PGS 15. Daarvan was Dora op de hoogte en het rapport van 9 augustus 2023 van EkoSafe is (inclusief vertaling) met Dora gedeeld. Dora heeft het werk op basis van het schetsontwerp en het advies van EkoSafe vervolgens geoffreerd. Ook stelt STPL dat Dora haar bij e-mail van 11 september 2023 een voorlopig brand(-veiligheids)scenario heeft toegestuurd. In deze e-mail staat “
Attached please find our Preliminary Fire Scenario for Construction which meets PGS-15 Requirements.”. Ook in dat brand(-veiligheids)scenario zelf wordt meermaals verwezen naar de PGS-15. In dat licht bezien is het – niet nader onderbouwde – standpunt van Dora dat niet is overeengekomen dat de bunkers aan de (brandveiligheids-)vereisten van de Richtlijn PGS 15 moesten voldoen, onhoudbaar.
2.17.
Met inachtneming van het voorgaande wordt ten aanzien van de gestelde gebreken het volgende overwogen.
2.18.
Voor wat betreft de brandmeldinstallatie en de (daarbij behorende) elektra stelt STPL dat zij het door Dora uitgevoerde werk op 3 april 2024 heeft laten controleren door SenL Beveiligingen B.V. (hierna ook: ‘SenL’). SenL heeft geconcludeerd dat de brandmeldinstallaties in de bunker niet voldoen en geheel opnieuw moeten worden geïnstalleerd. Dora voert het verweer dat zij na de opmerkingen van STPL op dit punt KartalAteg B.V. (hierna ook: ‘KartalAteg’) opdracht heeft gegeven de installatie aan te passen aan de geldende eisen en normen. Door STPL is bevestigd dat herstel is uitgevoerd aan de brandmeldinstallatie. STPL stelt zich evenwel op het standpunt dat dit herstel verkeerd is uitgevoerd en dat het werk alsnog is afgekeurd. Door wie, waarom en op welke punten het herstel is afgekeurd, heeft zij echter niet gesteld. De schade op dit punt is dan ook onvoldoende onderbouwd en zal worden afgewezen.
2.19.
Ten aanzien van de roldeuren heeft STPL aangevoerd dat door Efectis Nederland B.V. (hierna ook: ‘Efectis’) is geconstateerd dat de roldeuren niet voldoen aan het vereiste van 60 minuten brandwerendheid dat volgt uit de Richtlijn PGS 15. Dora voert daartegen het verweer dat de roldeuren in overeenstemming zijn met het EkoSafe advies en dat zij heeft geleverd wat is overeengekomen. Of op dit punt sprake is van een gebrek kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden worden gelaten. Dora voert namelijk in dit verband nog aan dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om dit gestelde gebrek te herstellen. STPL stelt dat dit niet nodig was, omdat Dora in haar e-mail van 20 april 2024 heeft aangegeven dat zij niet op de hoogte was van de Nederlandse (brandveiligheids-)vereisten. STPL stelt dat zij daaruit mocht afleiden dat Dora alle aansprakelijkheid van de hand wees en haar verplichtingen uit de overeenkomst niet zou naleven. Dit standpunt volgt de rechtbank niet. De e-mail van 20 april 2024 betreft een reactie op de bevindingen van SenL in het kader van de brandmeldinstallatie. Daaruit mocht STPL niet zonder meer opmaken dat Dora niet zou overgaan tot herstel. Immers, er is wel enig herstel aan de brandmeldinstallatie uitgevoerd. STPL had Dora voor de roldeuren dus (ook) de gelegenheid moeten bieden om over te gaan tot herstel. Nu zij dit niet heeft gedaan zal ook dit deel van de vordering worden afgewezen.
2.20.
STPL vordert vervolgens nog een kostenpost aan overige kosten die stelt te hebben gemaakt maken om de gebrekkige werkzaamheden van Dora te herstellen. Het gaat om de huur van een heftruck, het vervangen van buizen van de brandblusinstallatie, reparaties in de bedrijfswoning, advieskosten voor het herstel van de roldeuren en advieskosten in het kader van de Richtlijn PGS 15. Ook stelt STPL dat zij een projectleider heeft moeten inhuren om het herstel in goede banen te leiden. Dora heeft betwist dat deze kosten noodzakelijk zijn en voor haar rekeningen behoren te komen. Omdat STPL aan deze punten geen nadere onderbouwing heeft gegeven, zullen de kosten in dit verband dit als onvoldoende gemotiveerd worden afgewezen.
2.21.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt ook de gevorderde gevolgschade niet voor toewijzing in aanmerking.
2.22.
STPL is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van worden begroot op:
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.291,00
2.23.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beoordeling

in conventie
3.1.
wijst de vorderingen van Dora af,
3.2.
veroordeelt Dora in de proceskosten van € 12.177,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Dora niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt Dora tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
3.4.
wijst de vorderingen van STPL af,
3.5.
veroordeelt STPL in de proceskosten van € 4.291,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als STPL niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
veroordeelt STPL tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en in reconventie
3.7.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Luijks en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 593/2008.