Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[B.V. A] ,
2.
[persoon 1],
3.
[persoon 2],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
vast te leggen in de koopovereenkomst” en “
nader te formuleren in de koopovereenkomst”, waarmee zij een schriftelijkheidsvereiste heeft bedongen. Gelet daarop, op de met deze beoogde transactie gemoeide bedragen en omdat [B.V. A] bij brief van 14 oktober 2024 direct en uitvoerig heeft weersproken dat is ingestemd, is de rechtbank van oordeel dat [B.V. B] er niet zonder meer vanuit kon gaan dat een mondelinge koopovereenkomst tot stand is gekomen. Het door [B.V. B] ter zake gedane (algemene) bewijsaanbod wordt daarbij gepasseerd. Dit is in licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd.
as-is-where-is. [B.V. A] stelt zich op het standpunt dat de wijze van levering ook een essentialia van de overeenkomst betreft. Of dat het geval is, kan in het midden worden gelaten. Partijen hebben daar namelijk overeenstemming over bereikt. Deze wijze van levering is voorgesteld door [B.V. A] en aanvaard door [B.V. B] . Dat de levering van perceel [nummer 3] gelet op de aanbiedingsverplichting daarbij niet inbegrepen kon zijn, maakt gelet op hetgeen hiervoor onder rov. 4.7 is overwogen geen verschil. Ook dat de informatie over het leidingentracé en het opstalrecht voor de rioolbuis nog niet aan [B.V. B] was verschaft, speelt geen rol. [B.V. B] heeft de leveringswijze geaccepteerd en heeft daarbij geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van die informatie.
as-is-where-iswel nodig was. De rechtbank volgt [B.V. A] daarin niet. Voornoemde percelen worden door [B.V. A] verhuurd aan [B.V. C] Dat is een onderneming die – net als [B.V. A] – wordt gevoerd door [persoon 1] en [persoon 2] . Het al dan niet eindigen van de huurovereenkomst en/of andere afspraken met de huurder liggen dus binnen de eigen invloedsfeer. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit geen essentialia van de overeenkomst betreft.