Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2689

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/02/445300 / KG ZA 26-89 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 RvArt. 24 lid 4 koopovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag wegens ondeugdelijke vordering en onvoldoende bewijs

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres de opheffing van conservatoir derdenbeslag en beslagen op onroerende zaken die door gedaagde zijn gelegd. Gedaagde had een eiswijziging in de bodemzaak ingesteld, maar deze niet ingetrokken, wat door eiseres werd betwist. De voorzieningenrechter oordeelt dat de hoofdzaak wel degelijk aanhangig is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat gedaagde geen deugdelijke vordering heeft onderbouwd, met name geen tekortkoming in de informatieverstrekking door eiseres. Eiseres heeft tijdig en naar behoren informatie over stikstofemissierechten verstrekt, gebaseerd op haar bedrijfsadministratie, en weigert onjuiste informatie te verstrekken. De rechtbank wijst de aansprakelijkheid van eiseres af en concludeert dat gedaagde geen schadevergoeding kan vorderen.

Verder wordt geoordeeld dat gedaagde onterecht de eiswijziging niet heeft ingetrokken en dat de beslagen daarom onrechtmatig zijn. De belangenafweging leidt tot opheffing van de beslagen en veroordeling van gedaagde in de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het conservatoir derdenbeslag en de beslagen op onroerende zaken worden opgeheven wegens ondeugdelijke vordering en onvoldoende bewijs van tekortkoming.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/445300 / KG ZA 26-89
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 3 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. K.A. Cerutti,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. W.H. Lindhout.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Middelburg.
De zaak wordt behandeld door mr. C.T.M. Luijks, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. D.H. Fluijt als griffier.
Aanwezig zijn:
- de heer [persoon 1] van [eiseres] en haar advocaat,
mr. K.A. Cerutti
- de heer [persoon 2] van [gedaagde] en haar advocaat,
mr. W.H. Lindhout.
Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beslissing

De voorzieningenrechter:
1.1.
heft op het op 19 januari 2026 door [gedaagde] ten laste van [eiseres] (i) gelegde derdenbeslag op de vordering van [eiseres] op notaris mr. M.A.C. Vermunt ter zake van zijn kwaliteitsrekening alsmede (ii) gelegde beslagen op de onroerende zaken gelegen op het bedrijventerrein [adres] in [plaats 1] ;
1.2.
gelast [gedaagde] om dit vonnis aan de voorzieningenrechter te overleggen wanneer [gedaagde] opnieuw verlof vraagt om ten laste van [eiseres] beslag te (doen) leggen alsmede de inhoud van dit vonnis te vermelden in het lichaam van het verzoekschrift strekkende tot het verkrijgen van dit verlof;
1.3.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding die aan de zijde van [eiseres] op het bedrag van € 2.818,65 worden vastgesteld, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 na-kosten plus kosten van betekening en de wettelijke rente over al deze kosten als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
1.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; en
1.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.

2.De gronden van de beslissing

2.1.
Voor toewijzing van de voorziening is onnodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang stelt. Ook zonder spoedeisend belang kan op grond van artikel 705 Rv Pro opheffing van een conservatoir beslag worden gevorderd. Opheffing wordt
onder meeruitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. De voorzieningenrechter dient ten slotte bij de beoordeling de wederzijdse belangen af te wegen.
2.2.
[eiseres] voert een aantal gronden strekkende tot opheffing van de beslagen aan:
  • [gedaagde] heeft geen eis in de hoofdzaak ingesteld,
  • summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] : geen non-conformiteit, geen toerekenbare tekortkoming, geen schending informatieplicht, geen causaliteit en geen toerekenbaarheid, en
  • [gedaagde] lijdt geen schade.
2.3.
[eiseres] stelt allereerst dat [gedaagde] geen hoofdzaak heeft ingesteld.
2.4.
Deze stelling passeert de voorzieningenrechter: de stelling ontbeert immers feitelijke grondslag. De door [eiseres] aangevoerde omstandigheid dat [gedaagde] in strijd met haar toezegging haar toegelaten eiswijziging niet heeft ingetrokken, kan niet tot gevolg hebben dat de eis in de hoofdzaak niet langer aanhangig is. Vaststaat dat [gedaagde] haar toegelaten eiswijziging in de bodemzaak niet heeft ingetrokken. De omstandigheid dat [gedaagde] haar vordering op grond van een afspraak wel behoort in te trekken, kan niet gelijk gesteld worden met de situatie dat [gedaagde] haar vordering heeft ingetrokken. De hoofdzaak is ingesteld.
2.5.
De voorzieningenrechter honoreert wel de vordering tot opheffing op grond van de stelling dat de voorzieningenrechter summierlijk is gebleken dat [gedaagde] geen deugdelijke vordering op [eiseres] heeft ter zake van de (gebrekkige) informatieverstrekking aan [gedaagde] .
2.6.
Voorshands is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiseres] alle informatie over de stikstofemissierechten heeft verstrekt die van [eiseres] mag worden verlangd. Van een tekortkoming aan de zijde van [eiseres] is dan ook geen sprake zodat de voorzieningenrechter aansprakelijkheid van [eiseres] van de hand wijst. [eiseres] is dan ook geen schadevergoeding aan [gedaagde] verschuldigd in verband met een (gebrekkige) informatieverstrekking.
2.7.
Voor het aanvaarden van een tekortkoming had [gedaagde] dienen te stellen en te onderbouwen dat [eiseres] in strijd met artikel 24 lid 4 van Pro de koopovereenkomst een toestemming niet heeft ingetrokken of heeft laten intrekken en/of in strijd met het laatst vermelde voorschrift de medewerking aan de inzet van deze rechten op de stikstofemissie door [gedaagde] heeft geweigerd. Hieruit kan naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter een plicht tot de verstrekking van informatie aan [gedaagde] voortvloeien.
2.8.
De voorzieningenrechter is echter voorshands van oordeel dat [eiseres] niet in strijd met dit voorschrift heeft gehandeld. Tussen partijen staat immers vast dat [eiseres] op 30 mei 2025 een conceptrapportage aan [gedaagde] heeft verzonden “
zoals besproken zo gedetailleerd als mogelijk” zodat [gedaagde] deze rapportage aan SWECO ter beschikking kon stellen. Hieraan is toegevoegd: “
Indien wij hier binnen 1 week geen reactie op krijgen sturen wij u de definitieve versie op 5/6/2025. Kunt u ervoor zorgen dat eea op de juiste plek terechtkomt.”. [eiseres] ontvangt binnen een week geen inhoudelijk commentaar waarna [eiseres] op 5 juni 2025 de rapportage in definitieve vorm aan [gedaagde] zendt. Eerst op 6 augustus 2025 ontvangt [eiseres] van [gedaagde] commentaar: de informatie zou niet juist zijn en [gedaagde] sommeert [eiseres] om de informatie aan te passen aan de hand van het door [gedaagde] in die brief ingenomen standpunt ten aanzien van de omvang van stikstof emitterende activiteiten. Hierop reageert [eiseres] afwijzend, omdat van haar niet mag worden verlangd valsheid in geschrift te plegen. De door [eiseres] verstrekte informatie was gebaseerd op feiten, namelijk op haar bedrijfsadministratie, en niet op schattingen, zoals [gedaagde] van [eiseres] verlangt.
2.9.
De sommatie van [gedaagde] wordt bij brief van 10 september 2025 herhaald “
met inachtneming van hetgeen de brief van 6 augustus 2025 namens [gedaagde] naar voren was gebracht”: de versie die door [gedaagde] is opgesteld. De rechtbank gaat in haar tussenvonnis van 22 oktober 2025 er onterecht van uit dat [eiseres] de relevante informatie nog niet had verstrekt. Dat had [eiseres] namelijk al wel gedaan: namelijk bij brieven van 30 mei 2025 en 5 juni 2025. Los hiervan is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat niet van [eiseres] mag worden verlangd om met voorbijgaan aan haar eigen administratieve gegevens aan [gedaagde] stikstofemissie informatie te verstrekken die naar haar mening onjuist is. Dat [eiseres] bij deze stand van zaken haar handtekening niet onder de stikstofemissie opgave van [gedaagde] wenst te zetten, mag [eiseres] niet euvel worden geduid.
2.10.
Het is overigens niet aan de voorzieningenrechter om in dit geding te bepalen welke opgave van de stikstofemissie juist en volledig is maar aan de bodemrechter indien het geschil tussen partijen zich hierover voortduurt. De goede verstaander behoort te onderkennen dat de vraag welke informatie [eiseres] aan [gedaagde] dient te verstrekken de rechtbank niet heeft beantwoord en al helemaal niet de vraag of de door [eiseres] aan [gedaagde] verstrekte informatie juist en volledig is. Ook andersom beoordeeld, de vraag of [gedaagde] ’s sommatie ter zake van de door [eiseres] te verstrekken informatie juist en volledig is, heeft de rechtbank in haar vonnis onbeantwoord gelaten. Hieraan voegt de voorzieningenrechter nog toe, mede in verband met het voorgaande – voor zover relevant – dat de afstemmingsregel
nietgeldt in opheffingszaken (van conservatoire beslagen) na gedane uitspraak van de bodemrechter die geen kracht van gewijsde heeft gekregen: zie o.a. HR 30 juni 2006,
NJ2007/483 (Bijl/Baalen) en bevestigd in HR 3 april 2020,
NJ2020/151 (Econocom/Intralot). Los hiervan gaat de rechtbank er onterecht van uit dat [eiseres] geen medewerking heeft verleend: zo bezien berust het tussenvonnis op een misslag waardoor ook op deze grond de afstemmingsregel niet gevolgd behoort te worden, zeker wanneer in ogenschouw wordt genomen dat [eiseres] bij akte de bodemrechter in dit verband heeft willen informeren welke akte evenwel door de bodemrechter werd geweigerd. Het beroep van [gedaagde] op deze regel passeert de voorzieningenrechter dan ook.
2.11.
Dat [eiseres] overigens tekort is geschoten in de nakoming van de koop is gesteld noch gebleken. Summierlijk heeft [eiseres] dan ook aangetoond dat [gedaagde] geen vordering op [eiseres] heeft ter zake van de gestelde schending van artikel 24 van Pro de koopovereenkomst zodat de beslagen dienen te worden opgegeven. Een belangenafweging maakt het voorgaande niet anders. [gedaagde] voert aan dat zij een aanzienlijke vordering op [eiseres] heeft en dat [eiseres] een onbetrouwbare zakenpartner zou zijn gebleken. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat thans ervan uit moet worden gegaan dat [gedaagde] geen vorderingsrecht heeft op [eiseres] want van een tekortkoming is geen sprake. De stelling dat [eiseres] onbetrouwbaar is, is weersproken en in dit geding onvoldoende aannemelijk geworden. De omstandigheid dat bij [gedaagde] geen andere verhaalsmogelijkheden ten laste van [eiseres] bekend zijn, is onvoldoende om de beslagen maar te handhaven. Daar staat tegenover dat [gedaagde] de bodemrechter had behoren in te lichten dat [eiseres] haar over de omvang van stikstofemissierechten had geïnformeerd. [gedaagde] heeft in strijd met de gemaakte afspraken de eisvermeerdering niet ingetrokken, terwijl de eisvermeerdering de grondslag is voor de gelegde beslagen. Intrekking van de eisvermeerdering heeft [gedaagde] onterecht nagelaten. De omstandigheid dat [gedaagde] deze afspraak ter zitting van 7 mei 2025 heeft geschonden, moet in het nadeel uitvallen van [gedaagde] .
2.12.
Het voorgaande rechtvaardigt voorts ook de toewijzing van het onder sub 1.2. van in dit proces-verbaal vermelde hetgeen in het tweede onderdeel van de vordering – een verbod tot beslaglegging – als het mindere ligt besloten.
2.13.
Alle overige stellingen van partijen behoeven geen behandeling.
2.14.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom wel de proceskosten (inclusief na-kosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden vastgesteld op:
- kosten dagvaarding
128,65
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.766,00
- na-kosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal
2.818,65
2.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.16.
Dit vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Luijks en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.