Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
mr. W.H. Lindhout.
1.De beslissing
2.De gronden van de beslissing
onder meeruitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. De voorzieningenrechter dient ten slotte bij de beoordeling de wederzijdse belangen af te wegen.
- [gedaagde] heeft geen eis in de hoofdzaak ingesteld,
- summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagde] : geen non-conformiteit, geen toerekenbare tekortkoming, geen schending informatieplicht, geen causaliteit en geen toerekenbaarheid, en
- [gedaagde] lijdt geen schade.
zoals besproken zo gedetailleerd als mogelijk” zodat [gedaagde] deze rapportage aan SWECO ter beschikking kon stellen. Hieraan is toegevoegd: “
Indien wij hier binnen 1 week geen reactie op krijgen sturen wij u de definitieve versie op 5/6/2025. Kunt u ervoor zorgen dat eea op de juiste plek terechtkomt.”. [eiseres] ontvangt binnen een week geen inhoudelijk commentaar waarna [eiseres] op 5 juni 2025 de rapportage in definitieve vorm aan [gedaagde] zendt. Eerst op 6 augustus 2025 ontvangt [eiseres] van [gedaagde] commentaar: de informatie zou niet juist zijn en [gedaagde] sommeert [eiseres] om de informatie aan te passen aan de hand van het door [gedaagde] in die brief ingenomen standpunt ten aanzien van de omvang van stikstof emitterende activiteiten. Hierop reageert [eiseres] afwijzend, omdat van haar niet mag worden verlangd valsheid in geschrift te plegen. De door [eiseres] verstrekte informatie was gebaseerd op feiten, namelijk op haar bedrijfsadministratie, en niet op schattingen, zoals [gedaagde] van [eiseres] verlangt.
met inachtneming van hetgeen de brief van 6 augustus 2025 namens [gedaagde] naar voren was gebracht”: de versie die door [gedaagde] is opgesteld. De rechtbank gaat in haar tussenvonnis van 22 oktober 2025 er onterecht van uit dat [eiseres] de relevante informatie nog niet had verstrekt. Dat had [eiseres] namelijk al wel gedaan: namelijk bij brieven van 30 mei 2025 en 5 juni 2025. Los hiervan is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat niet van [eiseres] mag worden verlangd om met voorbijgaan aan haar eigen administratieve gegevens aan [gedaagde] stikstofemissie informatie te verstrekken die naar haar mening onjuist is. Dat [eiseres] bij deze stand van zaken haar handtekening niet onder de stikstofemissie opgave van [gedaagde] wenst te zetten, mag [eiseres] niet euvel worden geduid.
nietgeldt in opheffingszaken (van conservatoire beslagen) na gedane uitspraak van de bodemrechter die geen kracht van gewijsde heeft gekregen: zie o.a. HR 30 juni 2006,
NJ2007/483 (Bijl/Baalen) en bevestigd in HR 3 april 2020,
NJ2020/151 (Econocom/Intralot). Los hiervan gaat de rechtbank er onterecht van uit dat [eiseres] geen medewerking heeft verleend: zo bezien berust het tussenvonnis op een misslag waardoor ook op deze grond de afstemmingsregel niet gevolgd behoort te worden, zeker wanneer in ogenschouw wordt genomen dat [eiseres] bij akte de bodemrechter in dit verband heeft willen informeren welke akte evenwel door de bodemrechter werd geweigerd. Het beroep van [gedaagde] op deze regel passeert de voorzieningenrechter dan ook.