Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2694

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
BRE - 24 _ 6708
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 30a, tweede lid, onderdeel b, Wet waardering onroerende zakenArt. 27h, derde lid AWRArt. 28, zevende lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt dwangsom wegens niet-tijdig beslissen op bezwaar tegen WOZ-waarde

De heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast op €285.000 per 1 januari 2022 en legde de aanslag onroerendezaakbelasting 2023 op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze vaststelling en startte een beroepsprocedure wegens het niet-tijdig beslissen op bezwaar.

De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat de heffingsambtenaar inmiddels uitspraak op bezwaar had gedaan. Het beroep tegen de inhoud van deze uitspraak werd ongegrond verklaard omdat belanghebbende geen inhoudelijke gronden aanvoerde.

De rechtbank stelde vast dat de uitspraak op bezwaar tevens een besluit inhield om geen dwangsom toe te kennen. Belanghebbende had echter een ingebrekestelling overlegd die door de heffingsambtenaar niet werd erkend, maar de rechtbank achtte aannemelijk dat deze was verzonden en ontvangen. Hierdoor was de maximale dwangsom van €1.442,- verbeurd.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen de dwangsombeschikking gegrond, kende belanghebbende een proceskostenvergoeding van €46,70 toe en vergoedde het griffierecht van €51,-. De uitspraak werd mondeling gedaan op 26 maart 2026 en is onherroepelijk na het verstrijken van de beroepstermijn.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar een dwangsom van €1.442,- heeft verbeurd wegens niet-tijdig beslissen en veroordeelt hem tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6708
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. J.W. Vugts),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] in [plaats] per waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op € 285.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende (onder meer) de aanslag onroerendezaakbelasting voor het jaar 2023 opgelegd.
1.1.
Belanghebbende heeft bij bezwaarschrift van 23 februari 2023 bezwaar gemaakt.
1.2.
Belanghebbende is op 19 september 2024 bij de rechtbank in beroep gekomen tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op 28 oktober 2024 een uitspraak op bezwaar toegezonden.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar deelgenomen mr. A.G. Hendriks. Belanghebbende en de gemachtigde zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Motivering

Beroep tegen niet-tijdig beslissen
2. Voor zover wordt opgekomen tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar als zodanig, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, aangezien de heffingsambtenaar inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan.
Beroep tegen de uitspraak op bezwaar
3. Het beroep richt zich van rechtswege tegen de alsnog gedane uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank verklaart het beroep in zoverre ongegrond.
Dwangsom
4. De rechtbank heeft op zitting afgestemd dat de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar kan worden opgevat als een hangende de beroepsprocedure genomen besluit om geen dwangsom toe te kennen. Dat betekent dat het beroep zich van rechtswege ook richt tegen het genomen dwangsombesluit. [1]
4.1.
De heffingsambtenaar stelt dat er geen dwangsom verschuldigd is omdat hij geen ingebrekestelling heeft ontvangen. De rechtbank is het daar niet mee eens.
4.2.
Belanghebbende heeft in beroep een ingebrekestelling met dagtekening 15 februari 2024 overgelegd waarin de heffingsambtenaar wordt verzocht om alsnog binnen twee weken uitspraak op bezwaar te doen. Verder heeft belanghebbende een verzendbewijs overgelegd waarop is te zien dat op 16 februari 2024 een poststuk aangetekend naar het adres van de gemeente is verzonden. Ook heeft belanghebbende een uitdraai van de track&trace gegevens van PostNL overgelegd waarop is te zien dat het betreffende poststuk door de gemeente is ontvangen.
4.3.
De heffingsambtenaar ontkent niet dat hij het poststuk waarop het verzendbewijs ziet heeft ontvangen. De heffingsambtenaar ontkent wel dat daarin een ingebrekestelling zat en stelt in wezen dat de ingebrekestelling achteraf is opgemaakt door de gemachtigde. Aanwijzingen daarvoor ontleent de heffingsambtenaar aan eerdere (negatieve) ervaringen met de gemachtigde, aan de omstandigheid dat de uitspraak op bezwaar al op 4 januari 2024 klaar stond in het systeem en er volgens de heffingsambtenaar dus geen enkele reden denkbaar is dat de uitspraak op bezwaar niet zou zijn verzonden als er daadwerkelijk een ingebrekestelling was ontvangen en aan de omstandigheid dat de ingebrekestelling niet ook per e-mail is verstuurd, zoals de gemachtigde met andere stukken wel pleegt te doen.
4.4.
De rechtbank vindt dat te weinig. Er is geen concreet bewijs dat de ingebrekestelling niet in de envelop zat. Dat betekent dat de rechtbank aannemelijk acht dat de ingebrekestelling is verzonden en ervan uitgaat dat de heffingsambtenaar deze ook heeft ontvangen.
4.5.
Nu de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar eerder dan 28 oktober 2024 bekend is gemaakt, betekent dit dat de maximale dwangsom van € 1.442,- door de heffingsambtenaar is verbeurd.
4.6.
Het beroep betreffende de dwangsom is dus gegrond.
4.7.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende een proceskostenvergoeding. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 46,70 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-, een wegingsfactor van 0,5 en een vermenigvuldigingsfactor 0,1 [2] ). De zaak is van licht gewicht, in aanmerking genomen dat deze slechts gaat over de vraag of niet tijdig is beslist en, samenhangend daarmee, een dwangsom is verschuldigd. [3] Verder krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond;
  • verklaart het beroep tegen de dwangsombeschikking gegrond;
  • stelt vast dat de heffingsambtenaar, als gevolg van het niet-tijdig beslissen op bezwaar, een dwangsom heeft verbeurd van € 1.442,-;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende van € 46,70;
  • draagt de heffingsambtenaar op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 51,- aan hem te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 26 maart 2026 en gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee dit proces-verbaal aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [4]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
2.Artikel 30a, tweede lid, onderdeel b, van de Wet waardering onroerende zaken.
3.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.
4.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.