De heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk stelde de WOZ-waarde van een onroerende zaak vast op €285.000 per 1 januari 2022 en legde de aanslag onroerendezaakbelasting 2023 op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze vaststelling en startte een beroepsprocedure wegens het niet-tijdig beslissen op bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat de heffingsambtenaar inmiddels uitspraak op bezwaar had gedaan. Het beroep tegen de inhoud van deze uitspraak werd ongegrond verklaard omdat belanghebbende geen inhoudelijke gronden aanvoerde.
De rechtbank stelde vast dat de uitspraak op bezwaar tevens een besluit inhield om geen dwangsom toe te kennen. Belanghebbende had echter een ingebrekestelling overlegd die door de heffingsambtenaar niet werd erkend, maar de rechtbank achtte aannemelijk dat deze was verzonden en ontvangen. Hierdoor was de maximale dwangsom van €1.442,- verbeurd.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de dwangsombeschikking gegrond, kende belanghebbende een proceskostenvergoeding van €46,70 toe en vergoedde het griffierecht van €51,-. De uitspraak werd mondeling gedaan op 26 maart 2026 en is onherroepelijk na het verstrijken van de beroepstermijn.