AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ondertoezichtstelling wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door contactverlies tussen kind en vader
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds oktober 2025 geen contact meer heeft met zijn vader. De vader en moeder oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar het contact tussen vader en kind is verstoord en er zijn geen concrete afspraken over contactherstel. De Raad stelt dat het contactverlies een ernstige bedreiging vormt voor de ontwikkeling van het kind, met negatieve gevolgen voor zijn zelfbeeld en toekomstige relaties.
De kinderrechter constateert dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is omdat de ouders niet in staat zijn samen afspraken te maken en er sprake is van een verstoorde communicatie. De vader stemt in met het verzoek, wenst duidelijke afspraken en benadrukt het belang van directe actie voor contactherstel. De moeder voert geen verweer en ondersteunt het contactherstel onder duidelijke regels.
De kinderrechter stelt vast dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling volgens artikel 1:255 BWPro zijn vervuld. De minderjarige wordt onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland voor de duur van een jaar, met als doel een veilige opvoedingsomgeving en spoedig contactherstel tussen vader en kind. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen.
Uitkomst: De minderjarige wordt voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door contactverlies met de vader.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445070 / JE RK 26-259
Datum uitspraak: 9 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zeeland-West-Brabant,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. D.J.A. Burlet te Oostburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
1.Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2.De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 8 november 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van [stichting] met ingang van 8 november 2018 en tot 8 september 2019. Deze maatregel is nadien verlengd, voor het laatst bij beschikking van 5 maart 2020, te weten tot 8 september 2020.
3.Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.De standpunten
4.1.
De Raad stelt dat [minderjarige] op dit moment zodanig opgroeit dat [minderjarige] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] en de vader hebben op dit moment geen contact. Het ontbreken van onbelast contact en het huidige gebrek aan perspectief hierop kan een negatief effect hebben op zijn zelfbeeld, zijn mate van zelfvertrouwen en de manier waarop
[minderjarige] later zelf relaties zal aangaan.
De ouders van [minderjarige] zijn op dit moment onvoldoende bereid en/of in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Ouders hebben namelijk geen concrete afspraken kunnen maken over het contact tussen de vader en [minderjarige] . Het is noodzakelijk om een onafhankelijke professionele partij in te zetten, die in het belang van [minderjarige] optreedt en met de ouders duidelijke afspraken maakt, sturing biedt waar nodig en een coördinerende rol op zich neemt.
De verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.
4.2.
Namens en door de vader is aangegeven dat de vader in kan stemmen met het verzoek van de Raad. Hij ziet de zaken wel anders dan hoe deze in de raadsrapportage vermeld staan. De vader heeft behoefte aan duidelijke afspraken die ook nagekomen worden. Benadrukt wordt dat de GI aandacht moet hebben voor de (primaire) manier van reageren door de vader. De GI zal hier een vertaalslag in moeten aanbrengen en daarbij extra duidelijk zijn in de communicatie en geen ruimte voor interpretatie laten. De vader heeft [minderjarige] sinds 19 oktober 2025 niet meer gezien. Het contactherstel moet daarom ook direct door de GI opgepakt worden.
4.3.
De moeder voert geen verweer tegen het verzoek van de Raad. Zij gunt het [minderjarige] om de vader op een goede manier te zien, met duidelijke regels en grenzen.
4.4.
De GI geeft aan dat er gewerkt wordt met een instroomteam. Het instroomteam kan bekijken of het traject bij [accommodatie] , die de contacten tussen [minderjarige] en de vader begeleidde, weer opgepakt kan worden. De GI geeft aan dat het van belang is dat er spoedig contactherstel tussen de vader en [minderjarige] komt en dat gekeken wordt op welke manier de verdere zorgregeling vormgegeven kan gaan worden.
5.De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BWPro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. Er is sprake van contactverlies met de vader, nu de vader [minderjarige] sinds 19 oktober 2025 niet meer heeft gezien. Voor die datum vonden de contacten plaats onder begeleiding van [accommodatie] en in aanwezigheid van de bij de vader betrokken begeleider van [hulpverlening 1] . [accommodatie] heeft de begeleide bezoekmomenten stilgelegd tijdens het onderzoek dat door de Raad is uitgevoerd omdat de laatste twee bezoeken niet goed zijn verlopen omdat de vader volgens [accommodatie] zijn emoties niet voldoende onder controle had en de begeleider van de vader heeft aangegeven niet meer bij de contacten aanwezig te zullen zijn. Onbekend is waarom de door [accommodatie] volgens de Raad voorgestelde omgang op het kantoor van [accommodatie] niet is doorgegaan. De vader heeft ter zitting aangegeven van dit voorstel niet op de hoogte te zijn, anders had hij [minderjarige] graag op het kantoor van [accommodatie] gezien. De grootste zorg is dat er op dit moment geen sprake is van een vastgelegd/ structureel contact tussen [minderjarige] en de vader en het perspectief op contactherstel onduidelijk is.
Daarnaast is er sprake van een verstoorde verstandhouding en een verstoorde communicatie tussen de ouders. Het lukt de ouders niet om op een constructieve manier met elkaar te communiceren en tot afspraken te komen. Ook spelen er persoonlijke problemen waar de vader mee worstelt, zoals zijn emotieregulatie, waardoor de contacten tussen [minderjarige] en de vader begeleid plaatsvonden.
Bovendien speelt er mogelijk kindeigen problematiek bij [minderjarige] . [minderjarige] laat druk gedrag zien en lijkt moeite te hebben met emotieregulatie, maar dat kan op dit moment niet onderzocht worden omdat [minderjarige] mogelijk nog te veel onrust ervaart in de thuissituatie.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders in de huidige situatie in een impasse verkeren en er niet meer samen uitkomen. Zij maken zich over en weer zorgen over de opvoedsituatie van de andere ouder.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nodig. De kinderrechter zal het onweersproken verzoek van de Raad toewijzen en stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. De verwachting is dat de ouders op termijn de verantwoordelijkheid en verzorging van [minderjarige] weer volledig zelf kunnen dragen. Daarvoor is het van belang dat onderstaande doelen worden bereikt.
5.6.
De kinderrechter geeft de GI de navolgende doelen mee:
- [minderjarige] groeit op in een (emotioneel) veilige, voorspelbare, stabiele opvoedingsomgeving;
- Er vindt zo snel mogelijk contactherstel tussen [minderjarige] en de vader plaats;
- Er wordt gekeken naar de mogelijkheden van [minderjarige] in het contact met zijn vader, er worden samen met de ouders duidelijke afspraken rondom de contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader gemaakt;
- [minderjarige] weet wat hij kan verwachten in het contact met de vader en hij wordt ondersteund bij het contactherstel en het vervolg hierin;
- [hulpverlening 2] (of een vergelijkbare organisatie) blijft betrokken bij de moeder, zodat de moeder ondersteund wordt bij opvoedvragen en versterkt wordt in het contact met de vader (voorspelbaar in het contact);
- [hulpverlening 1] (of een vergelijkbare organisatie) blijft betrokken bij de vader, zodat de vader ondersteund wordt in het omgaan met stressmomenten en versterkt wordt in het contact met de moeder;
- De vader heeft voldoende momenten waarop hij ontspanning vindt, waardoor hij op een rustige manier naar [minderjarige] kan blijven reageren; er wordt samen met de vader gekeken naar de mogelijkheden voor de vader om zijn gedachten elders op te richten (bijvoorbeeld dagbesteding);
- Ouders hebben een vorm van communicatie (mogelijk via de jeugdbeschermer of via de e-mail) waarbij ze de afspraken voor [minderjarige] kunnen bespreken.
5.7.
De Raad heeft, net als de GI, ter zitting aangegeven contact op te nemen met [accommodatie] , zodat het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] zo spoedig mogelijkopgepakt kan worden. De kinderrechter vindt dit in het belang van [minderjarige] , aangezien [minderjarige] zichtbaar geniet van de contacten met zijn vader.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6.De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 9 maart 2026 en tot 9 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 23 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.