Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2713

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/02/444981 / FA RK 26-755
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 3 WzdArt. 39 lid 1 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden wegens psychogeriatrische aandoening

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor betrokkene voor de duur van vijf jaar. Betrokkene, lijdend aan vasculaire dementie en een psychische stoornis, verzet zich tegen opname en wenst thuis te wonen bij zijn broer. De mentor en psycholoog gaven aan dat betrokkene wisselend functioneert en dat er sprake is van agressief gedrag en desoriëntatie.

De rechtbank stelde vast dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt door zijn aandoening, waaronder levensgevaar en fysieke agressie, en dat opname noodzakelijk is om dit te voorkomen. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven beschikbaar, aangezien thuiszorg en een steunnetwerk ontbreken. Hoewel de advocaat betoogde dat niet aan het wettelijke vereiste van tijdige aanvraag was voldaan, oordeelde de rechtbank dat dit geen consequenties heeft zolang de aanvraag voor afloop van de geldigheidsduur is ingediend.

De rechtbank constateerde wel dat de beslistermijn van drie weken was overschreden, waardoor de machtiging slechts voor zes maanden wordt verleend in plaats van de gevraagde vijf jaar. De beschikking werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden wegens ernstig nadeel door vasculaire dementie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444981 / FA RK 26-755
Datum uitspraak: 9 maart 2026
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1955 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats 1] ,
advocaat mr. G.H.M. van Laarhoven uit Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 11 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • mevrouw [persoon 1] , mentor van betrokkene;
  • mevrouw [persoon 2] , psycholoog;
  • [persoon 3] , verzorgende.

2.Wat vaststaat

2.1.
De rechtbank heeft een rechterlijke machtiging verleend tot en met 15 maart 2026. Betrokkene verblijft met deze machtiging in de accommodatie van [accommodatie] te [plaats 2] .
2.2.
Voor betrokkene is mentorschap ingesteld.

3.Het verzoek

3.1.
Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van vijf jaren.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene brengt, samengevat, naar voren hij graag naar huis zou willen. Betrokkene geeft aan dat ze goed voor hem zorgen maar dat hij liever thuis voor zijn broer wil zorgen. In het begin zal het even wennen zijn maar betrokkene geeft aan dat hij heel lang heeft samengewoond met zijn broer en hij niet goed zonder hem kan.
4.2.
De mentor van betrokkene verklaart dat de broer van betrokkene uitgeput is van de zorg voor zijn broer. Betrokkene begrijpt niet dat hij degene was die zorg ontving van zijn broer en dat zijn broer dat niet meer aankan.
Op dit moment wil de broer van betrokkene nog niet op bezoek komen bij betrokkene. Er is sprake van een vertrouwensbreuk en die moet eerst hersteld worden voordat de broer weer op bezoek wil gaan. Voorts is de mentor van mening dat er professionele mantelzorg ingezet kan worden bij de broer van betrokkene, maar er moet eerst een financiële balans worden opgemaakt tussen betrokkene en zijn broer. Bewindvoering is daar op dit moment nog mee bezig.
4.3.
De psychiater voert, samengevat, aan dat het wisselend op de afdeling gaat met betrokkene. Wanneer betrokkene genoeg dingen kan doen dan gaat het goed, maar wanneer andere bewoners hem prikkelen dat komt er frictie met als gevolg verbale en fysieke uitingen richting medebewoners.
4.4.
De verzorgende geeft aan dat het op en af gaat met betrokkene, maar dat ze hem zo goed mogelijk proberen te begeleiden.
4.5.
De advocaat verklaart dat er niet is voldaan aan het wettelijk vereiste van artikel 25 lid 3 Wzd Pro. Daarnaast is het de advocaat opgevallen dat de ondertekening niet gelijk is aan de persoon van de mentor. De advocaat bepleit dan ook afwijzing van het verzoek. Betrokkene wenst hier niet langer te verblijven omdat hij van mening is dat hij hier niet thuishoort. Betrokkene ziet mogelijkheden om thuis te kunnen wonen met behulp van zorg.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening samen met een psychische stoornis, te weten vasculaire dementie.
5.3.
Het gedrag dat voortvloeit uit deze aandoening en stoornis leidt tot ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige materiële schade en ernstige financiële schade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat betrokkene zijn broer een keer met een mes bedreigd heeft. Gezien de dagelijkse (ook fysieke) agressieve uitbarstingen bij afwezig ziektebesef en -inzicht is het niet ondenkbaar dat betrokkene bij stress en frustratie handelt naar zijn dreigementen. Daarnaast is betrokkene door mogelijke zelfverwaarlozing flink afgevallen. Er is sprake van desoriëntatie in tijd waardoor hij in de nacht opstaat om te eten en wil dan ook in de avond plots weg. Betrokkene heeft bij alle dagelijkse handelingen hulp nodig en is niet meer in staat om adequaat te alarmeren.
5.4.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Buiten de instelling is er voor betrokkene geen passende hulp beschikbaar.
5.5.
Betrokkene verzet zich hiertegen. Betrokkene geeft aan dat hij niet bij de zorgaanbieder wil zijn, maar thuis bij zijn broer wil gaan wonen. Betrokkene is van mening dat hij voor zijn broer moet gaan zorgen en heeft de wens om een nieuw leven op te bouwen.
5.6.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. In de thuissituatie was er thuiszorg ingezet en daarnaast is er ook geen steunnetwerk beschikbaar.
5.7.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor
de duur van zes maanden. De raadsman heeft nog aangevoerd dat de aanvraag te laat is ingediend, gelet op het bepaalde in artikel 25, derde lid van de Wzd. Dat is op zich zelf juist maar nu de aanvraag voor de afloop van de geldigheidsduur is ingediend en de behandeling ook voor die tijd heeft plaatsgevonden verbindt de wet daaraan geen consequenties. Wel moet de rechtbank vaststellen dat de termijn van artikel 39, eerste lid Wzd is overschreden: de rechter moet beslissen binnen 3 weken na indiening van het verzoekschrift. Dit is helaas niet gelukt. Gelet op het overschrijden van die beslistermijn in artikel 39 lid 1 Wzd Pro kan de rechtbank enkel volstaan met het verlenen van een rechterlijke machtiging voor de duur van zes maanden.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een machtiging tot opname en verblijf voor
[betrokkene], geboren op [geboortedag] 1955 in [geboorteplaats] ;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 9 september 2026;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Vermare, griffier en op schrift gesteld op 19 maart 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.